![]() |
Inleiding.
Wetende dat de titel van deze pagina bij menige lezer zeer waarschijnlijk gefronste wenkbrauwen zal veroorzaken heb ik
desondanks de moed op kunnen brengen om een eeuwenoud, en een binnen het Christendom zeer gevoelig, twistpunt op deze
pagina onder de loep te nemen. Als we de kerkgeschiedenis overzien komen we keer op keer “kerkvaders,”
theologen, bijbelgeleerden en meer van dergelijke nijvere schriftkenners tegen die op de een of andere wijze de
gebeurtenissen rond Jezus' kruisdood op Golgotha, en alles wat zich daar omheen afspeelde, meenden te moeten
“herwaarderen” en aan te moeten passen aan de geest van hun tijd. En die tijdgeest was niet altijd even
objectief ingesteld ten opzichte van de waarheid van het evangelie van Jezus Christus. De waarheid moest nogal eens
opschikken om ruimte te geven aan de dogma's en theologische vondsten van de religieuze kopstukken die met hun
godgeleerdheid hun stempel wisten te drukken op wat het Christendom door de eeuwen heen heeft moeten accepteren als de
“zuivere leer”. En die “zuivere leer” wisselde nog al eens van masker. De kerkreformatie heeft
in dit hele proces ongetwijfeld de grootste religieuze aardverschuiving tot gevolg gehad. Maar zoals dat met
aardverschuivingen altijd het geval is, wordt er ook een hoop rommel meegevoerd. Deze rommel werd op de geloofsweg van
veel christenen tot een struikelblok.
Het theologische slagveld overziende en gewapend met wat ik in de bijbel vind én rekening houdend met wat de
Heilige Geest ons duidelijk wil maken, zie ik de vele valkuilen, struikelblokken en voetklemmen die tot op de dag van
heden hun ondermijnende werk kunnen blijven doen waardoor vele christenen in hun voortgang worden belemmerd.
Verscheidene malen kwam ik in het verleden al tot de conclusie dat er heel wat “godgeleerden” zijn die wel
tot de nok toe vol zitten met bijbelkennis maar die met al hun kennis geen maar dan ook beslist geen
echte, persoonlijke omgang kennen met Jezus Christus. Zodat ze met hun handel en wandel laten blijken wat Paulus
bedoelde met de woorden: “want de letter doodt”. In een dergelijke situatie staat er altijd een andere god
in de startblokken om de religieuze wedloop een andere wending te geven dan oorspronkelijk bedoeld was. En van die god
hebben wij niets goeds te verwachten. Dit heeft allemaal tot gevolg gehad dat het huidige Christendom een kreupel
gemaakt instituut is geworden waarin velen de uitgang van dit theologische doolhof niet meer kunnen vinden.
In die situatie valt met name op dat hét centrale punt van het evangelie, het onvermijdelijke van Jezus' kruisdood
en de verzoening door Jezus Christus, van zijn fundament is getrokken en tot een struikelblok is gemaakt door zekere
lieden die, zoals de apostel Judas (niet Iskarioth) al schreef, “zijn binnengeslopen en de genade van onze
God in losbandigheid veranderen en onze enige Heerser en Here, Jezus Christus, verloochenen”
(Judas:4).
Bij het bestuderen van de ontwikkelingen binnen het Christendom, sinds de dagen dat de discipelen van
Jezus Zijn evangelie verder verspreidden, valt me keer op keer weer op dat: wát al die in wezen vijandig gezinde
religieuze leiders, zoals hierboven genoemd, ook bedenken, het er telkens toch weer op neer komt dat óf de persoon
van Jezus Christus óf Zijn positie óf Zijn status wordt “ter discussie” gesteld, of Zijn
volbrachte werk op Golgotha wordt op de korrel genomen, wordt in twijfel getrokken, wordt botweg bestreden of wordt
neerbuigend beoordeeld alsof het allemaal toch echt niet nodig was geweest. Waarbij ik me niet aan de indruk kan
onttrekken dat het dan, aldus geredeneerd, toch eigenlijk maar een zielige vertoning is geweest als Hij al die moeiten
voor niets zou hebben ondergaan.
Ik ben bereid om alles uit de mond van diegene te geloven die als discipel van Jezus ook een lijdensweg
heeft ondergaan en daarin dezelfde gelatenheid en volharding heeft getoond zoals Jezus dat heeft laten
zien. Zulke mensen hebben namelijk recht van spreken. Maar zolang ik die persoon niet heb leren kennen
is datgene wat ik in de bijbel vind, samen met de onderwijzing van de Heilige Geest, voor mijzelf de
meest geloofwaardige bron van informatie. En daarvan is het nu volgende het resultaat.
Maar om te beginnen wil ik hier de verzoeningstheorieën op een rij zetten, zoals ik die op mijn speurtocht in
de kerkelijke geschriften ben tegengekomen. Waaraan vooraf nog even de opmerking dat het op zichzelf al een slechte
zaak is dat door al dat getheologiseer het evangelie van Jezus, dat ooit aan een paar eenvoudige jongens werd verteld,
nu tot een wetenschap is gemaakt door de heren (en dames) aan de theologische universiteiten en die voor het doorsnee
kerkvolk wel uit zullen maken wat wetenschappelijk verantwoord is en wat niet. Waardoor de kennis van Gods hart is
vervangen door de godsdienst van de rede. En dat is de godsdienst van het (verduisterde) verstand waarin voor Gods
werkelijke bedoelingen geen plaats is.
Dit doet me denken aan wat Jezus zei in Lucas 11:52: “Wee u, wetgeleerden, want gij hebt
de sleutel der kennis weggenomen; zelf zijt gij niet binnengegaan en hen, die trachtten binnen te gaan, hebt gij
tegengehouden”.
De gevonden verzoeningsmodellen op een rij gezet:
De bovengenoemde modellen wil ik vervolgens onder de loep nemen waarbij ik begin met de laatstgenoemde, de
substitutietheorie die op hetzelfde neer komt als het plaatsvervangingsmodel (satisfactieleer).
Dat Jezus' lijden plaatsvervangend was omdat Hij een lijdensweg ging die wij niet hadden kunnen volbrengen is
zondermeer een vaststaand feit en uit de bijbel duidelijk op te maken. In 1 Petrus 1:18,19
vinden we: “wetende, dat gij niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, zijt vrijgekocht van uw ijdele
wandel, die u van de vaderen overgeleverd is, maar met het kostbare bloed van Christus, als van een
onberispelijk en vlekkeloos lam”. Dat onberispelijk en vlekkeloos is op ons
niet van toepassing waardoor Jezus als enige voldeed aan de gestelde eisen.
Maar.... werd Jezus werkelijk door God de Vader als schuldige en daarmee als zondaar beschouwd? Als er in onze
samenleving sprake is van een misdaad, is het een normale gang van zaken dat daar een strafzaak van komt zodat de
schuldige gestraft wordt. Dat vinden wij als redelijk denkende mensen een normale zaak waar we dus
geen probleem mee hebben. Waarom zouden wij dan van een rechtvaardige God verwachten dat Hij de meest onschuldige mens,
Jezus Christus, schuld aanrekende om Hem daar vervolgens voor te straffen? Achter deze gedachtekronkel zit de
redenering dat er iemand gestraft moest worden zodat de Vader Zijn gelijk zou kunnen halen. Het gevolg van deze
theologische vondst is dat de Vader eigenlijk als een onrechtvaardige rechter wordt afgeschilderd die een onschuldige
schuldig acht en om die reden veroordeelt zodat er toch in ieder geval gestraft kan worden. Wie echter zijn gezonde
verstand gebruikt zal hier zijn vraagtekens bij moeten zetten. Als er sprake is van straf dan vindt die straf plaats om
een evenwichtstoestand tussen overtreding en vergelding te bereiken. Dus na de overtreding en de daarvoor opgelegde
straf is het eindresultaat dat het onrecht door het recht (de straf) is opgeheven, waardoor de weegschaal weer in de
evenwichtstoestand is teruggekeerd. Zie de onderstaande afbeelding.
| Een kleine demonstratie: beweeg de muisaanwijzer over de weegschaal. |
![]() |
Geen enkele gestrafte ontvangt na zijn straf een beloning vanwege de straf die hem is opgelegd. Dat was bij Jezus echter wel het geval. Daarom kon hij tegen de Emmaüsgangers zeggen: “Moest de Christus dit niet lijden om in Zijn heerlijkheid in te gaan?” (Lucas 24:26). De voor dit model als bewijs aangehaalde tekst uit Gal. 3:13a: “Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden,” wil niet zeggen dat Hij de vloek van God droeg maar de vloek van de zonde, die door de eerste Adam in de wereld is gekomen. Zijn lijden was een gevolg van die vloek en deze vloek heeft Hij door Zijn kruisdood op Golgotha vrijwillig op Zich genomen. Het is ondenkbaar dat een rechtvaardige God op Zijn onschuldige Zoon Zijn vloek zou laten rusten en dat ook nog eens om “genoegdoening” te ontvangen.
Het is voor de hand liggend dat als bewijs voor deze theorie de bekende woorden van Jesaja
53 worden aangehaald. We vinden hier:
“Maar het behaagde de Here hem te verbrijzelen. Hij maakte hem ziek. Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer
gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien en een lang leven hebben en het voornemen des Heren zal
door zijn hand voortgang hebben”. (Jesaja 53:10). Zetten we daar de nieuwtestamentische
versie tegenover dan lezen we in Hebreeën 2:10: “Want het voegde
Hem, om wie en door wie alle dingen bestaan, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman
hunner behoudenis door lijden heen zou volmaken”. De woorden: “het voegde Hem”
kunnen ook vertaald worden met: het paste Hem. Wat op Golgotha gebeurde paste in Gods plan. Wat Jesaja
beschrijft is het beeld wat hij had van de toekomende dingen. Dit beeld was allesbehalve compleet. Ook
het Godsbeeld wat hij en zijn tijdgenoten in het Oude Verbond hadden was vertekend.
De apostel Petrus geeft dit aan als hij schrijft: “Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst
de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op
welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van
al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna. Hun werd geopenbaard, dat
zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die
door de Heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen
zelfs engelen begeren een blik te slaan” (1 Petrus 1:10-12). Pas na de
uitstorting van de Heilige Geest was de mens in staat te begrijpen wat het geheimenis, de betekenis en
het doel is van Christus' lijden en van de heerlijkheid daarna. Maar desondanks moest Paulus toch nog
toegeven in 1 Corinthe 13:9: “Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen
ons profeteren. Doch, als het volmaakte komt, zal het onvolkomene afgedaan hebben”. Paulus laat
hier blijken dat zelfs al heeft iemand de Heilige Geest ontvangen, zijn kennen én profeteren nog
niet volmaakt zijn. Als dit opgaat voor de, in de Geest gedoopte, nieuwtestamentische profeten dan is
dit zeker van toepassing op de oudtestamentische profeten.
De woorden: “het behaagde de Here hem te verbrijzelen” mogen we daarom niet botweg vertalen in een vorm van
genoegdoening voor de Vader vanwege het lijden van Zijn Zoon.
Als we ons gezond verstand gebruiken moeten we sowieso tot de conclusie kunnen komen dat het beeld van een God die
genoegdoening vindt door het lijden van Zijn Zoon beslist niet overeenkomt met de aard en karaktereigenschappen van de
Vader zoals Jezus die aan Zijn discipelen openbaarde.
En niet alleen Jezus maar ook Paulus geeft in Romeinen 5:8 een heel ander beeld van de Vader als hij schrijft: “God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is”. Nu kunnen we gerust stellen dat liefde pas echt wordt bewezen als er sprake is van ongunstige of pijnlijke omstandigheden. Met andere woorden: als er van een of andere vorm van lijden sprake is. Als de Vader dus Zijn liefde voor ons mensen bewijst door de kruisdood van Zijn Zoon houdt dat in dat het drama van Golgotha voor de Vader een bijzonder pijnlijke zaak is geweest. Dus niks genoegdoening. Vergeet dat maar. Het gevolg van een theologische constructie als het plaatsvervangingsmodel is een vertekend beeld van God de Vader en dit maakt van Hem een meedogenloze despoot die een onschuldige laat boeten en daar genoegdoening door ontvangt. Dat vertekende beeld is uiteraard precies wat satan wil bereiken waardoor tallozen op een dwaalspoor gezet worden en zich vertwijfeld afvragen of die God van de christenen überhaupt de moeite van het overwegen wel waard is.
De apostel Johannes heeft ons eenzelfde openbaring nagelaten als hij schrijft in de zo bekende tekst van Johannes 3:16: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe”. God de Vader gaf iets prijs en dat was voor Hem een offer, zoals het ook voor Abraham een offer was toen hem werd gevraagd om zijn zoon Isaäk te offeren op een van de bergen in het land Moria (Genesis 22:2). Dat offer hoefde niet door te gaan maar Jezus' kruisdood op Golgotha ging wel door. Als we lezen in deze tekst “want alzo lief had God de wereld” geeft dit aan dat het bewijs voor die liefde er direct op volgt: “dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft”. Deze zelfde waarheid beschrijft Johannes weer in zijn eerste brief in 1 Johannes 4:9,10: “Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, (de Vader moest Zijn Zoon afstaan) opdat wij zouden leven door Hem. Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden”. Het was de liefde van de Vader die Hem ertoe bewoog om, ten gunste van ons, iets van Zichzelf af te staan en over te leveren aan de verschrikkingen van Golgotha. Geen enkele liefhebbende vader zou zoiets onbewogen kunnen doen en zeker God de Vader niet.
Als de bijbel er op diverse plaatsen geen twijfel over laat bestaan hoe deze zaak in elkaar steekt is het goed beschouwd onvoorstelbaar dat hele volksstammen hun heil hebben opgehangen aan het verwrongen beeld van een Vader die Zijn eigen onschuldige Zoon straft en genoegdoening ontvangt door het lijden van een onschuldige. Een beeld dat we beter aan satan toe kunnen schrijven. Dus de eindconclusie is: het plaatsvervangingsmodel is niet bijbels.
Bij het offermodel wordt teruggegrepen naar de offerdienst van het Oude Testament. Deze offerdienst is echter een
schaduw van hetgeen komen zou, zoals Paulus schreef in Colossenzen 2:16 en 17: “Laat dan
niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, dingen, die
slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is”.
Wat in het Oude Testament gebeurde was namelijk een beeld van en een (tijdelijke) vooruitblik op de kruisdood van
Jezus. Daarom was het offer wat op Golgotha werd gebracht een gebeurtenis waar de oudtestamentische offerdienst naar
vooruit wees. In Hebreeën 8:5 wordt dit als volgt onder woorden gebracht: “Dezen
(de priesters) verrichtten slechts dienst bij een afbeelding en schaduw van het hemelse, blijkens de
godsspraak, die Mozes ontving, toen hij de tabernakel zou gereedmaken. Zie toe, zegt Hij immers, dat gij alles maakt
naar het voorbeeld, dat u getoond werd op de berg”.
Het hemelse waar hier naar wordt verwezen is Gods verlossingsplan waarin Jezus via Zijn lijden en sterven
het Koninkrijk Gods weer op aarde zou gaan vestigen. Daar draait de hele bijbel om en alles in het Oude
Testament, inclusief de hele tijdelijke(!) offerdienst, wijst daar om die reden naar vooruit. Waar nog
aan toegevoegd moet worden dat door deze offerdienst het volk Israël voortdurend werd herinnerd
aan de zonden die het had begaan. En dat de noodzaak van vergeving en verzoening met God niet mocht worden
vergeten.
Het principe van dierenoffers brengen is desondanks beslist niet iets wat oorspronkelijk uit het Koninkrijk Gods voortkomt maar het vindt daarentegen zijn oorsprong in het rijk der duisternis. Het komt uit Gods gedachten namelijk niet voort dat er (slacht)offers moeten worden gebracht. En wel vanwege het feit dat een (slacht)offer onschuldig is aan de zonde die er is begaan. Het principe van een dierenoffer is namelijk dat er sprake is van een opgelegde straf waardoor de onschuldige (het dier) moet boeten voor zonden die het zelf niet heeft begaan. Dat is onrechtvaardig en absoluut in strijd met Gods principes. Het is daarentegen door satan's toedoen dat de zonde en daardoor ook de dood de schepping zijn binnengedrongen. Het doden van dieren ten behoeve van het brengen van dierenoffers is daarvan één van de onontkoombare gevolgen. Er wordt in de bijbel (helaas) niet vermeld hoe en wanneer het brengen van dierenoffers is begonnen. Toch werden de allereerste offers, waarvan in de bijbel sprake is, niet door heidenen aan hun “goden” gebracht maar door mensen die nog rekening hielden met hun Schepper. Ook al liep het met Kaïn slecht af, hij deed toch aanvankelijk nog wel een poging om zijn offer bij God onder de aandacht te brengen, zoals we lezen in Genesis 4:3-5: “Na verloop van tijd nu bracht Kaïn van de vruchten der aarde aan de Here een offer; ook Abel bracht er een van de eerstelingen zijner schapen, van hun vet; en de Here sloeg acht op Abel en zijn offer, maar op Kaïn en zijn offer sloeg Hij geen acht”.
De dierenoffers die daarentegen vele eeuwen later door het volk Israël gebracht moesten worden,
en waarvoor het volk Israël van Jahweh via Mozes de voorschriften ontving(!), zijn een schaduwbeeld
dat vooruit wijst naar Jezus' offer op Golgotha, want ook die gebeurtenis had een duivelse oorsprong.
De heidense kruisdood was namelijk een marteldood die door de Romeinen was “geperfectioneerd”.
Aan deze heidense, en dus duivelse, gewoonte gaf Jezus Zich als onschuldig “offerdier” vrijwillig
over om daardoor ook zelf op die wijze gedood te worden. En daarmee gaf Jezus Zich over aan de macht
van de overste van deze wereld, satan. Dat was Jezus' eigen keuze en dat blijkt uit Zijn woorden in Joh.
10:17,18: “Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weder te nemen.
Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en macht
het weder te nemen; dit gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen”.
Door satan's terrein te betreden en satan zijn gang te laten gaan werd aan satan de kans gegeven om datgene
te doen waarin hij dacht te kunnen slagen: Jezus aan zich te kunnen onderwerpen. Dat werd, zoals bekend,
een voor hem fatale misrekening. Naar deze heidense marteldood op Golgotha, waaraan Jezus Zich vrijwillig
onderwierp, wijzen de offers van het Oude Testament vooruit. Om daarmee te wijzen op de noodzaak van
Jezus' offer. Er was namelijk geen andere weg waarlangs de verlossing bereikt kon worden. Waarover verderop
meer.
Het brengen van dierenoffers is voor God nooit een aangename vertoning geweest maar diende desondanks als een vooruitwijzing op het ultieme, noodzakelijke, offer op Golgotha. Een aanwijzing voor Gods afkeer vinden we bijvoorbeeld terug in Jesaja 1:10-14: “Hoort het woord des Heren, bestuurders van Sodom; neigt uw oor tot de onderwijzing van onze God, volk van Gomorra. Waartoe dient Mij de menigte uwer slachtoffers? zegt de Here; oververzadigd ben Ik van de brandoffers van rammen en het vet van mestkalveren, en aan het bloed van stieren, schapen en bokken heb Ik geen welgevallen. Wanneer gij komt om voor mijn aangezicht te verschijnen; wie heeft dit van u verlangd mijn voorhoven plat te treden? Gaat niet voort met huichelachtige offers te brengen; gruwelijk reukwerk is het Mij; nieuwe maan en sabbat, het bijeenroepen der samenkomsten. Ik verdraag het niet: onrecht met feestelijke vergadering. Uw nieuwemaansdagen en uw feesten haat Ik met heel mijn ziel, zij zijn Mij een last. Ik ben moede ze te dragen”. Hoewel hieruit naar voren komt dat de tweeslachtigheid van het volk Israël de oorzaak is van deze terechtwijzing, laat het ook zien dat Gods voorkeur uitsluitend uitgaat naar een rechtvaardige levenswandel en niet naar de talloze slachtpartijen.
De oudtestamentische offerdienst toch als voorbeeld te willen stellen voor het offer op Golgotha,
alsof ook Jezus' dood voor de Vader een genoegdoening zou zijn, is daarom een verdraaiing van de feiten.
Te stellen dat de offers in het Oude Testament in staat waren om vergeving van de zonden tot stand te
brengen is een voorbij gaan aan de woorden van de Hebreeënschrijver als hij stelt in Hebreeën
10:4: “Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren of bokken zonden zou wegnemen”.
Daarom was Jezus' offer geen kopie van deze oudtestamentische offerdienst maar was de hele offerdienst
daarentegen een inleiding tot het beslissende en definitieve offer op Golgotha. Wat ook Paulus bevestigt
in Gal. 3:24: “De wet (met zijn offerdienst) is dus een tuchtmeester
voor ons geweest tot(!) Christus, opdat wij uit geloof gerechtvaardigd zouden worden”. De rechtvaardiging
komt niet tot stand door het doden van onschuldige dieren maar door geloof alleen. En dat is het geloof
in Jezus' offer op Golgotha.
De uitspraak in 1 Joh. 2:2 (“Christus is een verzoening voor onze zonden”) die aan
het offermodel een fundament zou moeten geven is door de apostel bedoeld om in andere woorden aan te geven wat Jezus
wilde zeggen met Zijn woorden: “Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door
Mij”. De weg is er, maar die weg zullen we wel moeten gaan! Zo is ook Jezus Christus alleen een verzoening voor
onze zonden als wij Zijn offer willen aanvaarden als de enig mogelijke verzoening. Deze zelfde uitleg geldt ook
voor de teksten uit Rom. 3:25 en Rom. 5:10,11, te weten:
In deze teksten is sprake van verzoening en zoenmiddel maar ook hier is de voorwaarde dat er slechts verzoening tot stand kan komen als beide partijen het met elkaar eens zijn geworden. En die partijen zijn aan de ene kant God de Vader die door middel van Jezus' offer een handreiking deed in onze richting en aan de andere kant wij, zondaren, die de uitgestoken hand zullen moeten grijpen voor het ontvangen van vergeving. Maarten Luther had destijds goed begrepen dat hiervoor het geloof in Jezus' offer de sleutel is die onze verzoening met God tot stand brengt.
Dus samengevat:
Het offermodel zoals we dat in de protestantse theologie tegenkomen doet de waarheid geweld aan en is dus niet bijbels.
Bij het bestuderen van het voorbeeldmodel is de eerste indruk een goede. Maar ook al is het een bijbels
gegeven dat Gods liefde, bewezen door Jezus' kruisdood, onze wederliefde opwekt, toch komt er iets onmisbaars
in dit model niet echt naar voren en dat is het begrip berouw en de inkeer die daar
het gevolg van is. De bewering dat onze wederliefde vergeving tot gevolg heeft is daarom de halve waarheid
of op zijn minst onvolledig. Wat betreft Gods bewezen liefde: daarover heeft Paulus in Rom.
5:8 een duidelijke uitspraak gedaan als hij stelt: “God echter bewijst zijn liefde
jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is”. De bewezen liefde
van Gods kant is een vaststaand feit. Wat onze wederliefde aangaat: als wij als zondaren tot besef komen
dat we door onze daden vijanden van God zijn zal deze wederliefde onontkoombaar tot berouw leiden.
In Lucas 17:3 zegt Jezus: “Ziet toe op uzelf! Indien uw broeder zondigt,
bestraf hem, en indien hij berouw heeft, vergeef hem”. Al zou Jezus duizend keer aan het kruis
gestorven zijn, zonder berouw vind er geen vergeving en dus geen verzoening plaats!
In Handelingen 3:19 zegt Petrus in zijn toespraak: “Komt dan tot berouw
en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het
aangezicht des Heren”.
En in Handelingen 26:20 zegt Paulus in zijn toespraak tot koning Agrippa: “maar
ik heb eerst hun, die te Damascus waren, en te Jeruzalem en in het gehele Joodse land en de heidenen
verkondigd, dat zij met berouw zich zouden bekeren tot God en werken doen, met hun berouw
in overeenstemming”.
De gedachte achter het voorbeeldmodel is, naar het schijnt, een bedenksel van de Middeleeuwse theoloog
Petrus Abelardus die af wilde van de nadruk op Christus' offer aan het kruis. Dat feit alleen al moet
toch al een belletje laten rinkelen. Nou is het mijn persoonlijke overtuiging dat geen enkele theoloog
ooit iets zinnigs heeft toe kunnen voegen aan het evangelie van Jezus Christus. Als wij ons in de eerste
plaats onder de leiding en onderwijzing van de Heilige Geest willen stellen is deze onze leraar ter gerechtigheid
(Joël 2:23) en zullen we ontdekken dat het evangelie volledig genoeg is.
Als mensen met een filosofische inslag op eigen houtje (dus zonder de hulp en verlichting van de Heilige
Geest) de bijbelse boodschap in allerlei modellen en leringen willen persen ontstaat uitsluitend religieuze
wildgroei. En dat kan maar al te vaak net naast de waarheid uitkomen. Of er nog veel verder van af. Hoewel
er veel goeds zit in dit model, is het niet volledig en het doet daarom tekort aan Jezus' offer want
dat is ontegenzeggelijk de kern waar het hele evangelie om draait.
Tot slot: bekering bestaat niet uit goede werken, als reactie op Gods liefde, maar uit de aanvaarding van de persoon
Jezus Christus als Gods Zoon, uit het aanvaarden van en dus geloven in Zijn offer op Golgotha, uit
berouw en uit de nieuwe levenswandel die daar het gevolg van is.
Al met al is dit voorbeeldmodel dus niet de volledige waarheid en om die reden niet bijbels.
Komen we bij het losgeldmodel dan is het opvallend dat dit model in vroeger tijden een belangrijke plaats had in de kerk. Dat het, volgens de bronnen die ik erover heb geraadpleegd, in de hedendaagse theologie op de achtergrond is geraakt is niet zo verwonderlijk aangezien er in dit model ontegenzeggelijk rekening wordt gehouden met de machten van het kwaad waartegen een strijd is losgebrand. En deze strijd is in de traditionele kerken geen dagelijkse praktijk maar een verdrongen mysterie. Het pleit voor bepaalde stromingen binnen het volle evangelie dat daar deze werkelijkheid weer is onderkend en in praktijk wordt gebracht. In zijn geheel genomen benadert het losgeldmodel, van de hierboven genoemde verzoeningsmodellen, het dichtst de bijbelse boodschap. Het is echter niet compleet. Om die reden wil ik op dit model verder in gaan en proberen om een zo volledig mogelijke uiteenzetting te geven.
Het is, zoals bij zoveel zaken die de bijbelse boodschap betreffen, telkens weer opvallend dat er misvattingen, onzekerheden, eindeloze discussies etc. ontstaan met betrekking tot de uitleg ervan, doordat mensen keer op keer niet bereid zijn om de volle waarheid onder ogen te zien omdat daar consequenties aan zijn verbonden. Anders gezegd: dat het evangelie van Jezus een bepaalde inzet van ons vraagt en een toewijding aan de dingen die boven zijn is voor velen een hap te groot, of zelfs meer dan één hap te groot. En om de kool en de geit te sparen worden er vervolgens theologische compromissen uitgevonden waardoor het hele evangelie een krachteloos verhaal wordt, goed voor theologen in hun eindeloze wetenschappelijke beschouwingen maar voor de man/vrouw in de kerkbank een niet te vreten materie. Samengevat: verwarring, onzekerheid, misverstanden en onenigheid zijn niet het gevolg van het niet in de bijbel kunnen vinden wat men er in zoekt, maar van het niet willen aanvaarden wat er wel in te vinden is.
Daarom: als mensen de waarheid en vooral zijn consequenties niet willen aanvaarden komen ze vanzelf in het geestelijke Babylon terecht en daar zijn de geheimenissen van het Koninkrijk Gods niet te vinden!
Als we onze boekenkast zouden willen vullen met alle boeken die het evangelie betreffen is de kans groot dat niet
alleen de boekenkast maar ook het huis zelf te klein zou blijken. Als we na al die neergeschreven
“wijsheden” het resultaat bekijken van wat er in 2000 jaar “Christendom” is bereikt dan moeten
we vaststellen dat al die kennis bitter weinig heeft uitgehaald.
En dat kan liggen aan de kennis over dit onderwerp die allesbehalve volledig is of aan de onoprechte
manier waarop er met de bestaande kennis is omgegaan sinds het ontstaan van de eerste gemeenten. Het is mijn
persoonlijke overtuiging dat zowel het één als het ander het geval is.
Om te kunnen begrijpen wat er rond Jezus' kruisdood op Golgotha gebeurde én waarom dit gebeurde moeten we daarom
eerst verstaan wat er mis is gegaan bij de zondeval, waarom het mis ging en wat de werkelijke gevolgen waren van dit
drama.
De aanwezigheid van de grote verleider in het paradijs is één van de grote mysteries waar velen sindsdien
mee hebben geworsteld. De voor de hand liggende vraag die bij ons opkomt zodra we ons hierin verdiepen is: waarom liet
God de duivel in het paradijs toe, wat had de duivel daar te zoeken en had al die ellende niet voorkomen kunnen worden
als hem de toegang tot deze wereld was ontzegd? Één van de meest voor de hand liggende conclusies die
vervolgens worden getrokken is dat God toch maar behoorlijk stom bezig is geweest. Dat is de klacht die velen al hebben
geuit als ze in hun leven met persoonlijk lijden of met dat van anderen te maken kregen.
In Psalm 15:1 stelt David de vraag: “Here, wie mag verkeren in uw tent? Wie mag wonen op
uw heilige berg?” In Psalm 15:2-4 geeft hij het antwoord op deze vraag:
“Hij, die onberispelijk wandelt en doet wat recht is en waarheid spreekt in zijn hart, die met zijn tong niet
lastert, die zijn metgezel geen kwaad doet en geen smaad op zijn naaste laadt; in wiens ogen de verwerpelijke veracht
is, terwijl hij hen eert, die de Here vrezen. Heeft hij tot zijn schade gezworen, hij verandert het
niet”. Vooral dit laatste verdient onze aandacht. Als David hier spreekt over de voorwaarden die er
worden gesteld aan een rechtvaardige voordat hij waardig wordt geacht om in Gods nabijheid te mogen komen heeft hij het
over Gods eigen voorwaarden. We kunnen gerust stellen dat de rechtvaardigheid vereist dat God deze voorwaarden ook op
Zichzelf toepast. Dat is iets waar geen redelijk denkend mens aan zal twijfelen en daar hoeft dus geen discussie over
gevoerd te worden. Paulus bracht dit in Rom. 2:21-23 onder woorden met de vermaning:
“hoe nu, gij, die een ander onderwijst, onderwijst gij uzelf niet? Gij, die predikt, dat men niet stelen mag,
steelt gij? Die overspel verbiedt, doet gij overspel? Die gruwt van de afgoden, pleegt gij tempelroof? Die u op de wet
beroemt, onteert gij God door uw overtreden van de wet?” Wie rechtvaardigheid eist zal dus zelf rechtvaardig
moeten zijn.
Het is daarom een uitgemaakte zaak dat de eigenschappen die van een rechtvaardig mens verwacht mogen worden ook bij God
zelf terug te vinden zijn. En als Hij tot Zijn schade heeft gezworen, zoals David stelt, dan verandert Hij dat achteraf
ook niet! Dat betekent dat Hij Zijn principes niet verandert, ook als de gevolgen ervan ongunstig blijken uit te
pakken. Een man een man, een woord een woord. Nu rijst de te verwachten vraag of het überhaupt mogelijk is dat God
tot Zijn eigen schade zou kunnen zweren. Als we het van Zijn kant bezien dan is het antwoord: nee. Bekijken we het van
de kant van Zijn schepselen dan wordt het een ander verhaal. En daar bedoel ik mee dat waar God niet faalt, zijn
schepselen dat wel kunnen doen. En waarin kunnen ze falen? Daar is een kort antwoord op te geven: in alles wat niet met
Gods principes overeen komt. De eerste die zich daar schuldig aan maakte was de duivel himself.
En hier komen we bij een zeer gevoelig punt waar, onder andere, de bedenkers van de alverzoening zich op geworpen
hebben met de misleidende bewering dat het, kort samengevat, niet mogelijk is om Gods wil te weerstaan en dat dus God
zelf de hand heeft gehad in de zondeval. Alsof Hij het allemaal zelf zo geregisseerd zou hebben. De wel erg simpele
redenering dat Gods wil niet weerstaan kan worden is daarmee het uitgangspunt van een leer die Gods heiligheid
“ter discussie stelt” en zowel goed als kwaad uit Hem laten voortkomen. Omdat men er anders niet om heen
kan dat God toch maar een zielige verliezer is bij wie het allemaal (populair uitgedrukt) “behoorlijk uit de
klauwen is gelopen”.
Maar.... in situaties waarin twee partijen tegenover elkaar staan is de partij die het laatste woord
heeft de winnaar. In 1 Corinthe 1:25 schrijft Paulus: “Want het dwaze
van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen”. En daarmee is
de kern van de hele zaak aan de oppervlakte gekomen. Want wat Paulus hier schrijft is een belangrijk
principe in het Koninkrijk Gods. Wat Zijn schepselen ook mogen ondernemen en uitproberen, het is uiteindelijk
de Schepper zelf die aan het langste eind trekt en het laatste woord heeft. Ook al kan men tijdelijk
dwarsliggen en een andere weg gaan dan de Schepper oorspronkelijk heeft gewild, de eeuwige God laat niet
eeuwig met Zich spotten en zal, nadat Hij Zijn verdraagzaamheid heeft getoond, voorgoed ingrijpen. In
Jesaja 42:13,14 vinden we: “De Here trekt uit als een held; als een krijgsman
doet Hij de strijdlust ontbranden; Hij heft de strijdkreet aan, ja schreeuwt die uit; Hij betoont Zich
een held tegen zijn vijanden. Ik heb van oudsher gezwegen, Ik heb gezwegen en Mij ingehouden; nu zal
Ik schreeuwen als een barende vrouw”. Wat Zijn vijanden ook ondernemen, Gods eeuwige wijsheid
heeft altijd het laatste woord, waarna er met Zijn vijanden wordt afgerekend.
En wat er op Golgotha gebeurde was daar een onderdeel van. Daar vond het keerpunt in de wereldgeschiedenis
plaats waar satan niet op had gerekend. Golgotha werd het keerpunt in de strijd tussen goed en kwaad,
een strijd die al voor de val van de mens gaande was. Paulus heeft het over de smadelijke afgang van
die satanische horden in 1 Corinthe 2:6-8 als hij schrijft: “Toch spreken
wij wijsheid bij hen, die daarvoor rijp zijn, een wijsheid echter niet van deze eeuw, noch van de beheersers
dezer eeuw, wier macht teniet gaat, maar wat wij spreken, als een geheimenis, is de verborgen wijsheid
Gods, die God reeds van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid. En geen van de beheersers
dezer eeuw heeft van haar geweten, want indien zij van haar geweten hadden, zouden zij de Here der
heerlijkheid niet gekruisigd hebben”. Jezus, aan het kruis op Golgotha, was het zwakke van
God dat sterker bleek te zijn dan de beheersers van deze wereld. En daar hadden ze toch waarachtig niet
op gerekend.
En dan nog de kwellende vraag: hoe was het mogelijk dat de mensenmoorder van den beginne toegang had
tot de mens, daar in de hof van Eden? De verklaring daarvoor is dat de duivel oorspronkelijk geschapen
was als een dienende geest die in die functie toegang had tot deze schepping. Het zal duidelijk zijn
dat daar voor de mens geen bedreiging van uitging. Daar kwam verandering in toen deze hooggeplaatste
engel tegen zijn Schepper in opstand kwam en als vijand van God zijn eigen weg ging. Het zou verkeerd
zijn om te veronderstellen dat deze afvallige maar een dom schepsel is, integendeel, hij is super intelligent
en hij was en is zich er wel degelijk van bewust dat, als het op een confrontatie aankomt, hij voor zijn
Schepper geen partij van betekenis is. Ooit verbleef hij in Gods tegenwoordigheid en daardoor is hij
zeer goed op de hoogte van Gods almacht. Echter, behalve dat kende hij ook Gods aard en principes en
het geheimenis waar David over sprak in Psalm 15:4: “Heeft hij tot zijn
schade gezworen, hij verandert het niet”. En in Psalm 89:33-35
lezen we: “maar mijn goedertierenheid zal Ik hem niet onthouden, mijn trouw zal Ik niet verloochenen,
mijn verbond zal Ik niet ontwijden, noch veranderen wat over mijn lippen gekomen is. Eenmaal heb
Ik bij mijn heiligheid gezworen: Hoe zou Ik tegenover David liegen!” Deze zelfde waarheid wordt
ook door Paulus beschreven in 2 Timothéüs 2:13: “indien wij
ontrouw zijn, Hij blijft getrouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet”. Er is dus iets
wat God niet kan omdat Hij het niet wil. Als God Zijn principes zou verloochenen zou Hij daarmee Zijn
wezen verloochenen, wat betekent dat hij in dat geval af zou wijken van Zijn eigen eeuwige principes.
Dat was de reden dat de mensenmoorder zich toegang kon verschaffen tot het eerste mensenpaar. Hij had
van zijn Schepper de macht, de autoriteit en het recht om zich als dienende geest in deze schepping te
begeven. En dit kon door God niet zomaar teruggedraaid worden. Zoals de Prediker al zei in Prediker
3:14: “Ik heb ingezien, dat al wat God doet, voor eeuwig is; daaraan kan men niet toedoen
en daarvan kan men niet afdoen; en God doet het, opdat men voor zijn aangezicht vreze”. Dat al
wat God doet, voor eeuwig is, daar was de duivel goed van op de hoogte. Hij kon zich onbelemmerd in de
nabijheid van de mens begeven omdat hij wist dat hij van Godswege het recht hiertoe had en God daar niet
op terug kon komen om hem zodoende te beletten zijn kwalijke plan uit te voeren. Want dat hij ondertussen
met heel andere bedoelingen was gekomen dan oorspronkelijk Gods bedoeling was moge nu wel duidelijk zijn.
Toen bij de zondeval de mens van zijn Schepper werd gescheiden en zich daarvoor in de plaats onderwierp
aan diegene aan wie hij gehoor had gegeven had de duivel daarmee de zeggenschap gekregen over deze wereld.
Die macht was hem door de ongehoorzame mens in handen gegeven. En daarmee had hij het helemaal voor elkaar.
Zoals hij onbelemmerd in het paradijs kon doordringen dankzij de rechten die hij van Godswege had ontvangen,
zo had hij zich nu ook met list en bedrog de positie van de mens toegeëigend. Dat kon door God niet
teruggedraaid worden en daar was die ouwe slang dus goed van op de hoogte.
Ditzelfde principe is er de oorzaak van dat er in deze wereld nog zoveel lijden kan plaatsvinden. En dat gebeurt dus niet door het van Godswege willekeurig toelaten van dit alles maar vanwege de rechtenkwestie die bij de zondeval in het voordeel van satan is gekeerd. Zolang die nog de overste van deze wereld is, vindt al de narigheid in dit tranendal plaats door zijn toedoen. En door toedoen van ieder mens die zich door satan laat gebruiken. Deze machtspositie heeft satan in het paradijs kunnen bereiken in de veronderstelling dat hij zijn schepper een slag voor was geweest. Daarom meende hij vervolgens voor eens en voor altijd deze macht in handen te hebben gekregen zonder dat daar door God nog iets aan veranderd kon worden.
Deze machtswisseling is de grote tragedie rond de boom der kennis van goed en kwaad. Door de zonde verwisselde de mens het Koninkrijk Gods voor het koninkrijk der duisternis. En dat rijk is hetzelfde rijk als het rijk van de dood. Alles wat dood is, is namelijk van God gescheiden geraakt en een ieder die van deze bron van het leven wordt gescheiden, is dood. In Romeinen 6:23 lezen we hierover: “Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood (het dodenrijk), maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here (het Koninkrijk Gods)”.
De situatie is nu dat de leugenaar van de beginne door list en bedrog de positie van de mens in deze wereld heeft
overgenomen en er vervolgens zijn eigen koninkrijk vestigde. Dat de mens door de leugen ten val was gekomen had als
enige oorzaak dat er verleiding tot ongehoorzaamheid aan Gods bevel had plaatsgevonden. Dat was op dat moment voor de
duivel de enige mogelijkheid om de mens aan zich te kunnen onderwerpen. Hij had van Godswege niet de macht gekregen om,
als dienende geest, de mens te overheersen. En om die reden was de enige kans om zijn doel te bereiken het wapen van de
verleiding en daar had de mens wel degelijk “nee!” op kunnen zeggen. Toen het dan toch fout ging was Gods
reactie op dit falen: “Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had:
Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten
zolang gij leeft” (Genesis 3:17).
Er zijn zekere lieden die fanatiek vasthouden aan de lering dat de aardbodem vóór Adam al door de vloek
getroffen was. Waardoor het dus eigenlijk vanzelfsprekend was dat Adam en Eva in de fout zouden gaan. Uit de zojuist
genoemde tekst uit Genesis 3 blijkt echter dat pas na de ongehoorzaamheid van de mens die
vloek zijn intrede deed in deze wereld. En niet daarvoor. Door te verkondigen dat het vanzelfsprekend was dat de mens
zou zondigen maakt men de Schepper tot een leugenaar die moedwillig de mens overleverde aan de (on)genade van de
mensenmoorder van de beginne. Daarmee wordt de Schepper mede verantwoordelijk gemaakt voor wat er fout ging. In 1 Johannes 1:5 lezen we echter: “En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben en
u verkondigen: God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis”. Als er in Hem geen
duisternis is en uit Hem geen duisternis, dus geen zonde, voortkomt is het een grove leugen om te verkondigen dat God
zelf ook in het complot zat door het allemaal van tevoren zo te regelen dat de mens wel zondigen moest omdat er toch
niet aan viel te ontkomen. Wie door zoiets te beweren God verdacht maakt leeft zelf in de
duisternis!
En het is juist deze duisternis die door Jezus' komst naar deze wereld werd verdreven. Tenminste, daar werd door Jezus
een begin mee gemaakt. Zijn discipelen kregen de opdracht om daarmee verder te gaan.
Toen Jezus tijdens Zijn terechtstelling voor Pontius Pilatus stond stelde deze aan Jezus de vraag: “Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan?” Jezus antwoordde daarop: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier” (Johannes 18:36). Het koninkrijk dat wel van deze wereld was, was het koninkrijk der duisternis, het koninkrijk van de overste van deze wereld. In Lucas 4:5 en 6 vinden we hoe de duivel zelf hiervan getuigt: “En hij voerde Hem op een hoogte en toonde Hem al de koninkrijken der wereld in een ogenblik tijds. En de duivel zeide tot Hem: U zal ik al deze macht geven en hun heerlijkheid, want zij is mij overgegeven, en ik geef haar wie ik wil”. Let op de woorden: “zij is mij overgegeven”. Door wie, waar en wanneer was hem dit alles overgegeven? Dat gebeurde door de mens, in de hof van Eden en bij de eerste zonde. Zoals te verwachten is deze uitspraak van de vader der leugen niet de volle waarheid want feitelijk had hij met list en bedrog deze macht van de mens geroofd.
In deze situatie begon pas verandering te komen toen Johannes de Doper zijn bediening begon en riep: “Bekeert
u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen (Matthéüs 3:2). Het was er
nog niet maar het zou niet lang daarna door Jezus op deze wereld gevestigd worden. Zodat tegenover het koninkrijk der
duisternis het Koninkrijk van het Licht zou komen te staan. Wat Johannes de Doper aankondigde was hetgeen de profeet
Jesaja al profeteerde: “Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot licht; over hen die wonen in een land
van diepe duisternis, straalt een licht” (Jesaja 9:2). De bijbel maakt er niet bepaald
een geheim van wie er met dat Licht werd bedoeld zoals Johannes 8:12 ons laat weten:
“Wederom dan sprak Jezus tot hen en zeide: Ik ben het licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de
duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben”.
Jezus daalde af naar het in duisternis gehulde domein van de overste van deze wereld om in deze uitzichtloze toestand
een ommekeer te brengen. Hij was het Licht waar Jesaja van sprak. Een paar verzen verder profeteert Jesaja vervolgens
in vers 7 van Jesaja 9: “Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de
troon van David en over zijn Koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot
in eeuwigheid. De ijver van de Here der heerscharen zal dit doen”.
Dat waar Johannes de Doper al aan was begonnen, werd door Jezus voortgezet, namelijk het aankondigen van het komende
Koninkrijk Gods. In Matthéüs 13:35 wordt een profetie uit het Oude Testament
aangehaald waarin dit werd voorspeld: “opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door de profeet, toen hij
zeide: Ik zal mijn mond opendoen met gelijkenissen, Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der wereld
verborgen gebleven is”.
Dat dit allemaal niet zonder slag of stoot tot stand zou komen was te verwachten. In Matthéüs 11:12 zegt Jezus: “Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het
Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar”. Het is dus geweld tegen geweld: het
Koninkrijk van het Licht tegenover het koninkrijk der duisternis. Daarin geeft Jezus ons enig inzicht als Hij zegt in
Lucas 11:20: “Maar indien Ik door de vinger Gods de boze geesten uitdrijf, dan is het
Koninkrijk Gods over u gekomen”. De boze geesten werden door Hem met geweld uit hun schuilplaatsen verdreven
waardoor ze in hun eigen territorium werden bedreigd. Dat ze dit niet konden waarderen lieten ze daarom ook keer op
keer blijken, getuige de vele aanvallen die Jezus had te verduren door toedoen van de Joodse leiders, de
schriftgeleerden en Farizeeën.
Terecht zei Jezus daarom tegen dezulken: “Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten
van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is
in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een
leugenaar en de vader der leugen” (Johannes 8:44).
Let wel: het Koninkrijk Gods was tot dan toe wel nabijgekomen maar het was nog niet gevestigd op deze
wereld. In het Onze Vader, dat aan de discipelen werd geleerd vóór de kruisiging en
opstanding van Jezus, vinden we daarom de bede en de wens: “Uw Koninkrijk kome” of zoals
het in de grondtekst staat: “Het Koninkrijk van U moet komen”. Dat was ten tijde dat de discipelen
dit gebed leerden nog toekomstverwachting. We kunnen daarom gerust stellen dat het Onze Vader een oudtestamentisch
gebed is dat sinds Golgotha is achterhaald. Het Koninkrijk waar in het Onze Vader om werd gebeden is
sinds Jezus' kruisdood op Golgotha werkelijkheid geworden.
In zowel het evangelie van Marcus als dat van Lucas wordt melding gemaakt van ene Jozef van Arimathéa die na
Jezus' sterven aan Pilatus vroeg het lichaam van Jezus te mogen begraven. In Marcus 15:43 zien
we staan: “Jozef van Arimathéa, een aanzienlijk lid van de Raad, die ook zelf het Koninkrijk Gods
verwachtte; en hij waagde het naar Pilatus te gaan en het lichaam van Jezus te vragen”. Deze Jozef van
Arimathéa verwachtte het komende Koninkrijk Gods op deze wereld dat echter tot aan Golgotha nog
toekomstverwachting was.
Het was voor de duivel bepaald geen verassing dat de Zoon van God een menselijke gestalte had aangenomen
en langs deze weg zijn koninkrijk was binnengedrongen. Als we in het bijbelboek Genesis het drama van
de zondeval bestuderen vinden we in Genesis 3:15 het oordeel dat Jahweh uitspreekt
over de duivel (die zich in de slang had verscholen) en daar zien we iets staan waar we maar al te makkelijk
overheen kunnen lezen. Er staat: “En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen
uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen”. Wat
de duivel hier kreeg te horen was feitelijk zijn doodvonnis. En daar zal hij behoorlijk nijdig om zijn
geweest. We weten niet of dit alle informatie is geweest die satan daar kreeg of dat deze beknopte beschrijving
van de zondeval en de gevolgen ervan alleen de grote lijnen weergeeft. Als dit inderdaad alles was wat
satan kreeg te horen zal hij zich aanvankelijk suf gepiekerd hebben om er achter te komen op welke wijze
Jahweh dit zou gaan waarmaken.
In de genoemde tekst wordt gesproken over “zaad”. Met dit zaad werd mensenzaad bedoeld zodat
het zonneklaar was dat Jahweh hier over menselijke nakomelingen sprak. De duivel wist echter heel goed
dat hij zojuist de macht over deze schepping via het eerste mensenpaar in handen had gekregen en dat
Jahweh hem deze macht niet meer zomaar zou kunnen ontnemen. Dan zou Jahweh tegen Zijn eigen principes
in gehandeld moeten hebben. En van Zijn principes wijkt Jahweh nooit af. Want, zoals hierboven al is
genoemd, satan had van zijn Schepper de macht, de autoriteit en het recht gekregen om zich als dienende
geest in deze schepping te begeven. En dit kon door Jahweh niet teruggedraaid worden. Dat werd ook door
de al aangehaalde Prediker gesteld in Prediker 3:14: “Ik heb ingezien,
dat al wat God doet voor eeuwig is; daaraan kan men niet toedoen en daarvan kan men niet afdoen; en God
doet het, opdat men voor zijn aangezicht vreze”. In het voorgaande heb ik dit ook al met een paar
andere teksten aangeduid en ik herhaal ze hier nog maar even voor het overzicht:
Dus ook al loopt het anders dan Jahweh heeft gewild, dan nog blijft Hij aan Zijn principes trouw. Als God Zijn principes zou verloochenen zou Hij daarmee Zijn wezen verloochenen wat betekent dat hij in dat geval af zou wijken van Zijn eigen eeuwige principes.
De mens was ondertussen echter door de zondeval in het machtsbereik van satan gekomen en satan wist griezelig goed dat de in zonde gevallen mens uit zichzelf nooit en te nimmer in staat zou zijn om die claim en die vloek weer te verbreken. Dat was absoluut uitgesloten. Het koninkrijk van satan had zich namelijk door de zondeval op aarde kunnen vestigen en dat koninkrijk zou alleen en uitsluitend verdreven kunnen worden door een ander koninkrijk. Dat andere koninkrijk is het Koninkrijk Gods. Dat Koninkrijk kon echter alleen door Jahweh zelf op aarde gevestigd worden.
Toch sprak Jahweh in Genesis 3:15 over mensenzaad, dus over nakomelingen
van het eerste mensenpaar. De enige daaruit voortvloeiende mogelijkheid om het Koninkrijk Gods binnen
het domein van satan, de in zonde vervallen schepping, te vestigen was dat een wezen hoger dan de mens
zelf zich in een menselijk lichaam zou moeten openbaren. Want... doordat door toedoen van de mens
Adam (en Eva uiteraard!!) de zonde in de wereld had kunnen komen, was de enige weg terug die de Schepper
kon gaan om die zondevloek op een rechtmatige wijze weer te kunnen verbreken, deze vloek ook door toedoen
van een mens (de tweede Adam, Jezus Christus) weer te verbreken. Dat dit door een engel zou kunnen gebeuren
was absoluut uitgesloten. De duivel was zelf ooit de engel met de meeste macht en deze macht kon hem
niet zomaar door een andere engel ontnomen worden. Om die reden had geen enkele engel de macht om de
duivel van zijn troon te stoten en om daarmee het Koninkrijk Gods op aarde te kunnen vestigen.
En dan wordt het een simpele aftreksom. De zondige mens zelf viel als mogelijkheid af, een engel was
ook geen optie en aldus was Jahweh zelf de enige
die in aanmerking kwam voor het vestigen van het Koninkrijk Gods op aarde. Om door middel van Zijn menswording
de weg te openen via welke het aangezegde vonnis uiteindelijk aan satan zal worden voltrokken. Het zat
er dus dik in dat satan in allerijl zijn tegenmaatregelen zou gaan nemen om zodoende deze indringer op
gepaste wijze te kunnen ontvangen.
De manier waarop Jezus Zijn leven op aarde zou beëindigen was de duivel al lang bekend, al was het alleen maar
vanwege de diverse keren dat Jezus dit zelf aan Zijn discipelen probeerde duidelijk te maken. De logica van Jezus' dood
ging dwars tegen alles in wat een redelijk denkend mens aannemelijk acht. Daarom konden de discipelen er de noodzaak en
het nut ook niet bepaald van inzien. Het ging tegen alles in wat ze tot dan toe van Jezus hadden gezien en gehoord. In
Lucas 18:31-34 lezen we hierover: “Hij nam de twaalven terzijde en sprak tot hen: Zie,
wij gaan op naar Jeruzalem, en al wat door de profeten geschreven is, zal aan de Zoon des mensen volbracht worden. Want
Hij zal overgeleverd worden aan de heidenen en bespot en gesmaad en bespuwd worden, en zij zullen Hem geselen en doden,
en ten derden dage zal Hij opstaan. En zij begrepen niets van deze dingen en dit woord bleef hun duister en zij
wisten niet, waarvan gesproken werd”.
Het zal daarom geen verbazing wekken dat ook de overste van deze wereld dezelfde misrekening maakte en daardoor de
mening was toegedaan dat het allemaal bij voorbaat al een hopeloze zaak was waarvan de uitkomst, volgens hem, al vast
stond. Het was hem er dan ook alles aan gelegen om met die Zoon van God af te rekenen en met die “mythe”
waar Hij over sprak. Uiteindelijk kregen satan's handlangers, de tot razernij gedreven Joodse leiders, het voor elkaar
om Jezus door de Romeinen ter dood te laten veroordelen.
Voor een vollediger beeld is het goed om de nadruk te leggen op het gegeven dat Jezus vrijwillig dit
lijden op Zich nam. In Johannes 10:17 en 18 zegt Hij hierover: “Hierom
heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weder te nemen. Niemand ontneemt het Mij,
maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en macht het weder te nemen; dit gebod
heb Ik van mijn Vader ontvangen”. Wat Jezus deed, of beter gezegd, met Zich liet doen was Zijn
eigen keuze. Daarom zei Hij: “Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg”.
Dat het Zijn vrijwillige keuze was om deze lijdensweg te gaan maakte het voor Hem alleen maar moeilijker
waardoor het een voortdurende worsteling was om op de ingeslagen weg door te blijven gaan. Tegen Zijn
discipelen zei Hij daarom: “Ik moet gedoopt worden met een doop, en hoe beklemt het Mij,
totdat het volbracht is” (Lucas 12:50). De ongetwijfeld zwaarste worsteling
had Hij in Gethsémane, vlak voor Zijn gevangenneming (Matthéüs 26:36-46).
Om de sinds de zondeval ontstane situatie terug te kunnen draaien was een nieuwe overeenkomst noodzakelijk. En een
volgende ronde. En dit is één van de best verborgen geheimen van de hele lijdensgeschiedenis. Of beter
gezegd: één van de meest grondig verduisterde geheimen rond Jezus' kruisdood op Golgotha. De overste van deze
wereld heeft er alle belang bij gehad dat de ware toedracht rond Jezus' dood onopgemerkt zou blijven. En hij zou
zichzelf niet zijn als hij er niet iets anders voor in de plaats zou zetten om daarmee de aandacht af te leiden van de
werkelijke toedracht.
In Johannes 14:30 en 31 zegt Jezus tegen Zijn discipelen: “Niet veel zal
Ik meer met u spreken, want de overste der wereld komt en heeft aan Mij niets, maar de wereld
moet weten, dat Ik de Vader liefheb en zo doe, als Mij de Vader geboden heeft”. Nu kunnen we ons
hierbij afvragen: wat dacht de overste van deze wereld dan te kunnen vinden bij Jezus? Voor een antwoord
hierop moeten we ons in de eerste plaats realiseren dat de duivel nooit maar dan ook nooit(!) iets zal
doen waar hij geen voordeel uit zal kunnen behalen. Als we van Gods liefde lezen in 1
Cor. 13:5 dat zij zichzelf niet zoekt betekent dit dat als God liefde is, ditzelfde ook voor Hem
op gaat. Dit is de grondwet van het Koninkrijk Gods. De grondwet van het rijk van de duivel is daarvan
(het laat zich raden) het tegenovergestelde. Ieder wezen dat God haat en Hem vijandig gezind is zoekt
altijd zichzelf en is altijd uit op eigen voordeel.
Dus als Jezus over de overste van deze wereld zegt in Johannes 14:30 en 31 dat die komende is,
dan komt deze omdat hij er beter van denkt te worden en omdat hij gelooft dat er iets te halen is. Als Paulus schrijft
in 1 Tim. 2:5,6: “Want er is een God en ook een middelaar tussen God en mensen, de mens
Christus Jezus, die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen; en daarvan wordt getuigd te
juister tijd” dan maakt hij hiermee duidelijk dat er op Golgotha sprake was van een ruil. En dit was een ruil
waar de duivel maar al te graag op afkwam.
En dan de cruciale vraag: wat was de winst die de overste van deze wereld dacht te behalen op Golgotha?
De val van satan, met alles wat daarvan het gevolg is geweest, werd ooit ingeluid door de haat en ongehoorzaamheid
van satan tegenover de Schepper. Het was zijn Schepper waar zijn haat als eerste op was gericht. Het
is de Schepper geweest en gebleven waar satan zijn grootste haat tegen koestert. In Johannes
1:1-14 vinden we de beschrijving die de apostel Johannes geeft van het vleesgeworden woord, Jezus
Christus, door Wie deze wereld tot stand is gekomen. In vers 3 wordt dit zo
omschreven: “Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat
geworden is”. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het grootste ideaal van satan was om zijn Schepper
aan zichzelf te kunnen onderwerpen. Om zich daardoor boven zijn Schepper te kunnen plaatsen. In Jesaja
14:12-14 wordt in een spotlied op de koning van Babel zijn ondergang beschreven en dit is een
treffende beschrijving van het lot van de overweldiger der volken, satan himself.
We lezen daar: “Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads; hoe zijt
gij ter aarde geveld, overweldiger der volken! En gij overlegdet nog wel: Ik zal ten hemel opstijgen,
boven de sterren Gods mijn troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst ver in het noorden; ik
wil opstijgen boven de hoogten der wolken, mij aan de Allerhoogste gelijkstellen”.
Op Golgotha kreeg hij de kans om dit doel te bereiken. Want daar kwam uitgerekend Diegene aan een martelwerktuig
te hangen tegen wie hij zo'n grote haat koesterde. En dat alles vond plaats onder, voor Jezus, miserabele
omstandigheden en met niet de minste schijn van kans voor Jezus om daar ongeschonden en zondeloos doorheen
te komen. Het was voor de hele hel wel duidelijk dat als ze het voor elkaar konden krijgen dat ook Jezus
zou bezwijken voor de zonde, ook de laatste Adam, Jezus Christus, in de macht van satan was gekomen.
Hierbij komt nog dat het voor de Vader en Zijn Zoon de enige kans was om de macht van de overste van
deze wereld te verbreken. Anders gezegd: Jezus Christus was het eerste, enige en laatste antwoord van
de Vader op de machtsovername van satan in de hof van Eden.
Wat in het Christendom nooit voldoende is benadrukt is de reële mogelijkheid dat het allemaal ook
fout had kunnen gaan doordat Jezus onder de helse beproeving was bezweken of had toegegeven aan de verleiding
om voortijdig een eind aan de hele vertoning te maken. In dat geval was Hij ook zelf onder de macht van
satan gekomen. Tegen Zijn discipelen echter zei Jezus vlak voor Zijn gevangenneming: “Of meent
gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde
stellen? Hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die zeggen, dat het aldus moet geschieden?”
(Matthéüs 26:53,54). Dat Jezus onder deze omstandigheden had kunnen
bezwijken was zeer wel mogelijk en dat besefte de overste van deze wereld maar al te goed. Om die reden
dacht hij zichzelf alle kans van slagen toe.
![]() |
Golgotha onder vuur. |
![]() |
En dan de ontknoping. Er zijn sinds de eerste gemeenten tot op de dag van heden talloze pogingen gedaan door massa's
theologen, godloochenaars in allerlei soorten en maten, wetenschappers en diverse andere vijandig gezinde lieden om
Jezus' kruisdood van zijn betekenis te ontdoen. Om Jezus' kruisdood op Golgotha af te doen als een zielige vertoning
waar deze wereld toch waarachtig en werkelijk niet om verlegen zit. Waarmee ze Jezus afdoen als een hopeloos
achterhaald verzinsel van de eerste apostelen. Er is echter één die, ook al heeft hij het achter een enorme
berg leugens en maskers weggemoffeld, akelig goed beseft dat Jezus' kruisdood op Golgotha wel degelijk het begin van
zijn ondergang is geworden. En dat is niemand minder dan de overste van deze wereld zelf.
Hierboven is al gesteld dat God niet van Zijn principes afwijkt en ook geen eenmaal genomen besluiten terugdraait.
Jacobus 1:17 zegt hierover: “Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is,
daalt van boven neder, van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van
ommekeer”. Op die onveranderlijkheid van God had de overste van deze wereld gerekend en gewapend met die
kennis durfde hij het waagstuk aan om de mens in de hof van Eden ten val te brengen. En daarin had hij raak geschoten.
Maar op Golgotha schoot hij mis. Grandioos mis.
Uit alles wat de bijbel ons laat weten over de gebeurtenissen die rond de kruisiging plaatsvonden komt het beeld
naar voren van een bovennatuurlijke gebeurtenis. Hiervan was Pontius Pilatus al overtuigd geraakt en op het moment van
Jezus' overlijden moest ook zijn hoofdman, die voor de terechtstelling verantwoordelijk was, toegeven dat zojuist een
godenzoon de geest had gegeven. Marcus 15:39 beschrijft dit: “Toen de hoofdman, die
tegenover Hem stond, zag, dat Hij zo de geest gegeven had, zeide hij: Waarlijk, deze mens was een Zoon Gods”.
Vanaf het zesde uur tot het negende uur, zo lezen we in drie van de vier evangeliën, kwam er duisternis over het
hele land. Dat dit niet toevallig gebeurde, laat zich raden. Zoals David het in Psalm 22:12-21
beschreef, bevond Jezus Zich in het middelpunt van de legioenen die door de overste van deze wereld waren opgetrommeld
met de bedoeling om met zijn grootste vijand af te kunnen rekenen. Zou hem dit gelukt zijn dan had satan definitief de
macht over deze wereld in handen gekregen zonder dat daar van Gods kant nog iets aan gedaan had kunnen worden. Want
zoals in het voorgaande al is gesteld: Jezus Christus was Gods enige antwoord op de machtsovername van satan. Dat
besefte Jezus maar al te goed toen Hij kort voor Zijn gevangenneming in de hof van Gethsémane doodsangsten
uitstond. Die verantwoordelijkheid drukte als een ondraaglijk zware last op Zijn gemoed en die Hem in Matthéüs 26:38 tegen Zijn discipelen liet zeggen: “Mijn ziel is zeer bedroefd, tot
stervens toe; blijft hier en waakt met Mij”.
Jezus had een taak voor Zich liggen die ingrijpende gevolgen zou hebben. Ook voor Hemzelf waren de gevolgen ingrijpend
én aangrijpend. Wat bijvoorbeeld wordt beschreven in Hebr. 5:7,8: “Tijdens zijn
dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood
kon redden, en Hij is verhoord uit zijn angst, en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit
hetgeen Hij heeft geleden”. Er is hier sprake van de gehoorzaamheid die Jezus moest leren. Hoewel dit de schijn
wekt dat Jezus de gehoorzaamheid moest aanleren is dit niet de realiteit. Er wordt van Jezus getuigd in Hebr. 4:15: “Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar
een, die in alle dingen op gelijke wijze [als wij] is verzocht geweest, doch zonder te zondigen”. En als Jezus
niet gezondigd heeft is Hij ook nooit ongehoorzaam geweest aan het plan van de Vader. Jezus wist dus wat het is om
gehoorzaam te zijn en wie gehoorzaam is hoeft geen gehoorzaamheid aan te leren. Dat gaat alleen op voor de
ongehoorzamen. Maar ook al was Jezus gehoorzaam, Hij moest het desondanks wel bewijzen. Er moest voor het oog van satan
en zijn rijk bewezen worden dat Jezus gehoorzaam bleef aan de Vader. Die gehoorzaamheid leidde tot Zijn kruisdood. Hij
werd door de Vader prijs gegeven aan de helse machten uit satan's rijk en door Zijn gehoorzaamheid tot de dood verkreeg
Hij alle macht in hemel en op aarde (Matth. 28:18).
De strijd op Golgotha was voor beide partijen een strijd van alles of niets. Om zijn doel te bereiken gooide de overste van deze wereld al zijn beschikbare wapens in de strijd met als gevolg dat door de enorme concentratie van legioenen demonen er ook in de natuurlijke wereld ongewone verschijnselen plaatsvonden. Dit bovennatuurlijke gebeuren veroorzaakte de duisternis die in drie van de vier evangeliën wordt genoemd.
Vervolgens vindt er op het moment van Jezus' sterven een aardbeving plaats. Dit zou gezien kunnen worden als een
mogelijk eerste reactie van satan en zijn legioenen die hun prooi uit hun klauwen zagen glippen. Het is, met het
voorgaande in gedachten, niet zo moeilijk te begrijpen dat de overste van deze wereld op dat moment heeft geweten dat
hij verkeerd gegokt had. Dat zal ongetwijfeld een onvoorstelbare razernij bij hem teweeggebracht hebben. Zoals hij in
het paradijs wist dat zijn misbruik van Gods principes in zijn voordeel had gewerkt, zo besefte hij dat diezelfde
principes zich nu tegen hem gekeerd hadden. In de rechtstreekse confrontatie met zijn Schepper had hij gefaald in zijn
opzet en was hij de zwakkere gebleken. Waar hij slaagde in zijn list bij de eerste Adam, ging hij
jammerlijk ten onder bij zijn geweld tegen de tweede Adam, Jezus Christus. Hierin zien we het verschil
met de situatie in het paradijs waar satan nog geen geweld tegen de mens kon gebruiken omdat hij daar de macht niet toe
had en om die reden nam hij daar nog zijn toevlucht tot de verleiding tot zonde. Op Golgotha was de
situatie totaal anders en kon hij als overste van deze wereld met gruwelijk veel geweld tekeer gaan.
Toen Jezus de geest gaf en daardoor getrouw was tot in de dood, had hij getoond dat hij de sterkere
was, dat zijn gehoorzaamheid aan de Vader had gezegevierd over de wetteloosheid van satan en zijn legioenen. Zoals de
eerste Adam zich door ongehoorzaamheid aan Gods bevel had onderworpen aan satan, zo onderwierp de tweede Adam dezelfde
satan aan Zijn gezag. In 1 Corinthe 15:22 zien we staan: “Want evenals in Adam allen
sterven, zo zullen ook in Christus (de laatste Adam) allen levend gemaakt worden”. En even verder schrijft Paulus
in vers 45: “Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste
Adam een levendmakende geest”. In Romeinen 5:14 heeft Paulus het weer over de
laatste Adam als hij schrijft: “Toch heeft de dood als koning geheerst van Adam tot Mozes, ook over hen, die niet
gezondigd hadden op een gelijke wijze als Adam overtrad, die een beeld is van de komende
(Adam)”. En vervolgens in vers 17: “Want, indien door de overtreding van de ene (Adam) de dood als
koning is gaan heersen door die ene (Adam), veel meer zullen zij, die de overvloed van genade en van de gave
der gerechtigheid ontvangen, leven en als koningen heersen door de ene, Jezus Christus”.
De laatste Adam nam de macht van satan terug die satan door toedoen van de eerste Adam in handen had gekregen. Het
moment van Jezus' sterven is hiervoor het beslissende moment geweest.
Want daar ging het dan toch fout voor de overste van deze wereld. In zijn blinde razernij en haat
tegen zijn Schepper heeft hij nooit en te nimmer door gehad hoe ver hij was afgedwaald van de wijsheid
van God. De wijsheid die alles wat mensen en engelen kunnen voortbrengen te boven gaat en altijd het
laatste woord heeft. Paulus schrijft hierover in zijn brief aan de gemeente van Corinthe. Hierboven is
deze tekst al aangehaald maar voor de volledigheid is het goed dit hier nog eens te herhalen: “Toch
spreken wij wijsheid bij hen, die daarvoor rijp zijn, een wijsheid echter niet van deze eeuw, noch van
de beheersers dezer eeuw, wier macht teniet gaat, maar wat wij spreken, als een geheimenis, is de verborgen
wijsheid Gods, die God reeds van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid. En geen van
de beheersers dezer eeuw heeft van haar geweten, want indien zij van haar geweten hadden, zouden zij
de Here der heerlijkheid niet gekruisigd hebben” (1 Cor. 2:6-8).
Op Golgotha bleek uit te komen wat Paulus bedoelde te zeggen met de woorden: “Want het dwaze van God is wijzer
dan (de wijsheid van) de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen (1 Cor. 1:25).
Jezus was, in Zijn schijnbaar hopeloze situatie aan het kruis, het dwaze van God en het zwakke van God wat desondanks,
tegen alle logica en “wijsheid” van deze wereld in, wijzer en sterker bleek te zijn dan het koninkrijk van
de mensenmoordenaar van de beginne.
Waarom was het moment van Jezus' sterven het beslissende moment? In Rom. 8:3,4
schrijft Paulus: “Want wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees; God heeft,
door zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de
zonde veroordeeld in het vlees”. Paulus legt hier de nadruk op het feit dat Jezus in een
lichaam gelijk aan dat van de eerste Adam de zonde en daarmee de overste van deze wereld heeft veroordeeld.
De eerste Adam zondigde als mens en de tweede Adam hing in een lichaam aan dat van de eerste Adam gelijk
aan het kruis waardoor de situatie wat dit betreft voor beiden eender was. En waar satan slaagde om de
eerste Adam aan zich te onderwerpen daar faalde hij bij de tweede Adam. Deze overwinning van Jezus was
alleen mogelijk doordat Hij Zich bevond in een lichaam aan dat der zonde gelijk (dus sterfelijk) en doordat
Hij bewees dat Hij desondanks in staat was om de helse aanvallen van satan en zijn legioenen te trotseren.
Hierdoor werden de rollen omgedraaid en raakte satan zijn tot dan toe onaantastbare positie kwijt. Op
het beslissende moment van Jezus' sterven waren de kansen van satan om Jezus tot overgave te dwingen
voorgoed verleden tijd. En zo werd werkelijkheid wat Paulus schreef in Colossenzen
2:15: “Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over
hen gezegevierd”. Het moment waarop dit gebeurde vinden we in Hebreeën 2:14:
“Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deel
gekregen, opdat Hij door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen”.
Hier lezen we dus dat Jezus door Zijn dood, door Zijn sterven, op het moment dat de strijd gestreden
was, de duivel had onttroond. Toen Jezus vlak voor Zijn sterven uitriep: “Het is volbracht”
was de strijd gestreden en was Hij de overwinnaar die de machten en overheden van de hel had weerstaan.
In Johannes 12:24 zegt Jezus: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien de graankorrel niet
in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort”. Jezus
was de eerste graankorrel die stierf en die daardoor veel vrucht kon dragen.
Er is wel eens gesuggereerd dat na Zijn sterven de geest van Jezus naar het dodenrijk werd afgevoerd. Maar een
overwinnaar voert men nooit af. Dat gebeurt alleen met verliezers.
Waar bevond Jezus Zich tussen Zijn sterven en Zijn opstanding? Uit de eerste brief van Petrus weten we dat Hij actief
bezig was: “Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat
Hij u tot God zou brengen: Hij, die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de geest, in welke Hij ook
heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis, die eertijds ongehoorzaam geweest waren, toen
de lankmoedigheid Gods bleef afwachten, in de dagen van Noach, terwijl de ark in gereedheid werd gebracht, waarin
weinigen, dat is acht zielen, door het water heen gered werden” (1 Petrus 3:18-20). Of
deze geesten aan wie Jezus heeft gepredikt de geesten waren van demonen of de geesten van afvallige mensen of beide
doet in dit verband weinig ter zake. Het is in ieder geval wel aannemelijk dat Jezus Zijn overwinning heeft verkondigd
aan al die demonen die, samen met de mensen die zij destijds in hun greep hadden, in de afgrond (het dodenrijk) waren
verdwenen tijdens de massale sterfte van de zondvloed. Een deel van satan's legioenen werd daarmee opgeruimd doordat ze
niet meer actief deel konden nemen aan de terreur van satan. Van satan zelf zouden ze het nieuws van Jezus' overwinning
waarschijnlijk niet gehoord hebben, hij is een slechte verliezer die zijn nederlaag nooit vrijwillig zal toegeven.
De overste van deze wereld werd van zijn troon gestoten. Dit was hét keerpunt in de wereldgeschiedenis.
Toen Jezus stierf was de weg vrij gekomen om een nieuw Koninkrijk op aarde te vestigen. Door Zijn overwinning
op Golgotha ontving Jezus van de Vader de macht om dat Koninkrijk te vestigen. Zijn hele leven en sterven
wordt door Paulus samengevat in Filippenzen 2:6-9 waar we lezen: “die,
in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd
heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden
is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden
tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam
boven alle naam geschonken”.
We zien hier dat Jezus de naam boven alle naam geschonken werd. Om die reden kon Hij na Zijn opstanding tegen Zijn
discipelen getuigen wat we lezen in Matthéüs 28:18: “Mij is gegeven
alle macht in de hemel en op de aarde”.
De volgende opmerkelijke gebeurtenis, die in drie van de vier evangeliën wordt genoemd, is het
scheuren van het voorhangsel in de tempel op het moment van Jezus' sterven. Dit voorhangsel had tot op
dat ogenblik een scheiding gevormd tussen het heilige en het heilige der heiligen in de tempel en dit
heilige der heiligen symboliseerde tot dan toe de ontoegankelijkheid van God. Het is zeer onwaarschijnlijk
dat het openscheuren van het voorhangsel zomaar vanzelf had kunnen gebeuren. En dan ook nog uitgerekend
op het ogenblik van Jezus' sterven. Deze samenloop van omstandigheden laat zien dat het voorhangsel in
de tempel niet direct na Jezus' sterven van boven naar beneden scheurde doordat er toevallig een naadje
lossprong maar omdat God zelf een punt zette achter de bedeling van de schaduwen en daarmee een einde
maakte aan de oudtestamentische offerdienst. Omdat de werkelijkheid was gekomen. En die werkelijkheid
is Jezus Christus. Dit wordt door Paulus onder woorden gebracht in de in het voorgaande al aangehaalde
tekst uit Colossenzen 2:16 en 17: “Laat dan niemand u blijven oordelen
inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, dingen, die slechts
een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is”. Het scheuren
van het voorhangsel was daarom een definitieve afsluiting van alles wat naar Jezus Christus vooruit had
gewezen. Alle oudtestamentische wetten en de daarbij behorende offerdienst hadden voor God afgedaan.
In Hebreeën 10:5-7 wordt een gedeelte uit Psalm 40 (een Psalm
van David) aangehaald waar staat: “Daarom zegt Hij (Jezus) bij zijn komst in de wereld: Slachtoffer en offergave
hebt Gij (de Vader) niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid; in brandoffers en zondoffers hebt Gij
geen welbehagen gehad. Toen zeide Ik: zie, hier ben Ik, in de boekrol staat van Mij geschreven om uw
wil, o God, te doen”. Jezus kwam naar deze wereld om in een lichaam, aan het onze gelijk, de wil van de Vader te
doen en daarom was Hij gehoorzaam tot de dood aan het kruis. Aan al die talloze dierenoffers had de Vader geen behoefte
omdat die slechts dienden om vooruit te wijzen naar Jezus' offer van gehoorzaamheid op Golgotha.
De apostel Johannes brengt dit onder woorden als hij schrijft: “Want de (tijdelijke) wet is door Mozes gegeven,
de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen” (Joh. 1:17).
En in Galaten 3:24 schrijft Paulus: “De wet is dus een tuchtmeester
voor ons geweest tot Christus, opdat wij uit geloof gerechtvaardigd zouden worden”. De wet wordt
hier door Paulus een tuchtmeester genoemd. En een tuchtmeester heeft als doel de getuchtigde op het rechte pad te
brengen en te houden. Paulus maakt hier duidelijk dat de wet een tuchtmeester was totdat Christus kwam, wat
betekent dat de periode van de wet als tuchtmeester met Christus' komst was afgesloten. En met Christus' komst wordt in
het bijzonder bedoeld Zijn beslissende overwinning op Golgotha waarna Hij kon zeggen tegen Zijn discipelen: “Mij
is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde”.
Met het scheuren van het voorhangsel werd dus een nieuw Koninkrijk ingeluid. Dit kunnen we terug vinden in de woorden
van Paulus als hij zegt in Colossenzen 1:13,14: “Hij heeft ons verlost uit de macht der
duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde, in wie wij de verlossing
hebben, de vergeving der zonden”.
En in Hand. 13:38 en 39 zegt Paulus tegen zijn toehoorders: “Zo zij u
dan bekend, mannen broeders, dat door Hem (Jezus Christus) u vergeving van zonden verkondigd wordt; ook
van alles, waarvan gij niet gerechtvaardigd kon worden, door de wet van Mozes, wordt ieder, die
gelooft, gerechtvaardigd door Hem”. De rechtvaardiging van het oude verbond was niet voldoende
maar die van het nieuwe verbond was voor de Vader wel afdoende. En daarmee had het voorhangsel, dat in
de Joodse tempel de scheiding aangaf tussen God en mensen, zijn waarde voorgoed verloren.
Dit is nog zo'n struikelblok voor alle bijbelcritici die, nadat ze het met de noodzaak van Jezus' lijden al behoorlijk aan de stok hebben gekregen, aan de opstanding al helemaal geen boodschap hebben. Om welke reden ze bij hoog en bij laag blijven verkondigen dat het sprookje van de opstanding een achterhaald verzinsel is waar alleen onnozele halzen nog in kunnen geloven. Vlak na de Pinksterdag ondervonden de apostelen al de enorme tegenstand van de religieuze leiders die tot hun schrik moesten vaststellen dat ze nog steeds niet van die Jezus van Nazareth af waren. In Handelingen 4:1-3 is het volgende hierover te lezen: “En terwijl zij (Petrus en Johannes) tot het volk spraken, overvielen hen de priesters, de hoofdman van de tempel en de Sadduceeën, zeer verontwaardigd, omdat zij het volk leerden en in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden; en zij sloegen de handen aan hen en stelden hen in bewaring tot de volgende dag, want het was reeds avond”.
Wat de opstanding van Jezus betreft, daar kan ik heel kort over zijn. Geloof er alles van of geloof er niets van. Aanvaardt het evangelie zoals dat in de bijbel is te vinden of laat het totaal links liggen. Geloof dat de wonderen en de opwekkingen uit de dood die Jezus tijdens Zijn leven op aarde verrichtte werkelijk plaatsvonden maar geloof dan ook in Zijn eigen opstanding. Of geloof niets van dit alles.
Paulus moest over dit onderwerp kennelijk zijn hart eens luchten in 1 Corinthe 15:12-22
en dan met name in de verzen 19-22: “Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd
hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen. Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden,
als eersteling van hen, die ontslapen zijn. Want, dewijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding
der doden door een mens. Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus (de laatste Adam)
allen levend gemaakt worden”.
Ook Petrus heeft het over Jezus' opstanding in zijn toespraak op de Pinksterdag in Handelingen
2:24: “God evenwel heeft Hem opgewekt, want Hij verbrak de weeën van de dood, naardien het niet
mogelijk was, dat Hij door hem werd vastgehouden”. Bij Zijn overwinning op satan, de koning van de dood, door
wiens toedoen de dood zijn intrede deed in deze wereld, had Jezus ook de macht van de dood aan Zich onderworpen. En
zoals Petrus dit zijn toehoorders duidelijk maakte kon de dood Hem daardoor niet vasthouden. Wat aldus Jezus'
opstanding tot gevolg had.
De situatie is nu dat satan akelig goed beseft dat Gods principes Hem niet meer in de weg staan omdat de hele zaak
eerlijk gespeeld was en er om die reden geen hindernis meer bestaat die Hem ervan weerhoudt om voorgoed met Zijn
afvallige engel af te rekenen. Als we weten dat angst het klimaat is van het rijk der duisternis is het niet moeilijk
voor te stellen dat dit angstklimaat het klimaat is waarin de overste van deze wereld zich nu bevindt. De apostel
Jacobus vat dit samen in Jacobus 2:19: “Gij gelooft, dat God één is? Daaraan
doet gij wel, maar dat geloven de boze geesten ook en zij sidderen”. Satan weet wat hem te wachten staat.
In Hebreeën 10:31 lezen we: “Vreselijk is het, te vallen in de handen van de
levende God!” Als de boze geesten dus geloven dat God één is dan weten zij dat Hij, als een heilige
God, één van zin en één van streven is en niet in Zichzelf verdeeld is of tegenstrijdigheden kent.
Dus ja is ja en nee is nee. Van Zijn voornemen wijkt Hij niet meer af zodat dezelfde principes die in de hof van Eden
door satan werden uitgebuit nu de absolute garantie zijn dat het lot is bezegeld van alles wat zich tegen de Schepper
heeft gekeerd. Daar is geen ontkomen meer aan en dan heb je als satan inderdaad alle reden om te sidderen.
Openbaring 6:15-17 geeft hiervan al een aardige indruk. We lezen daar: “En de koningen
der aarde en de groten en de oversten over duizend en de rijken en de machtigen en iedere slaaf en vrije verborgen zich
in de holen en de rotsen der bergen; en zij zeiden tot de bergen en tot de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor het
aangezicht van Hem, die gezeten is op de troon, en voor de toorn van het Lam; want de grote dag
van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?”
En in Psalm 2, waar de komst van de Messias wordt aangekondigd, zien we staan in vers 12: “Kust de zoon, opdat hij niet toorne en gij onderweg niet te gronde gaat, want zeer licht ontbrandt zijn toorn. Welzalig allen die bij Hem schuilen!” Dat Zijn toorn zeer licht ontbrandt betekent dat niet alleen die zogenaamde grote zonden Zijn toorn oproepen maar ook alles wat door mensen maar al te vaak als onbetekenend wordt afgedaan. Die verborgen zonden die voor mensen zo onbelangrijk lijken te zijn en zo makkelijk weggewuifd worden. Voor een heilige God bestaan geen kleine zonden en om die reden wekken ook die zogenaamde kleine zonden Zijn toorn net zo snel op als al het andere wat niet met Zijn principes overeenkomt. Schipperen is er niet bij en huichelachtigheid valt genadeloos door de mand.
Het was te verwachten dat er sinds Jezus' kruisdood op Golgotha dikke rookgordijnen zouden worden gelegd om de smadelijke afgang van de overste van deze wereld aan het zicht te onttrekken. Hij is een slechte verliezer. Om die reden is door talloze lieden fanatiek gerotzooid aan de betekenis van Golgotha met het doel het unieke van Jezus' offer onzichtbaar te maken voor de zoekende mens. Ook zijn er verscheidene theologen geweest die, overigens terecht, het beeld van een woedende God die genoegdoening vindt door het lijden van Zijn eniggeboren Zoon beslist niet zien zitten. Zoals bijvoorbeeld de beruchte theologe Dorothee Sölle die radicaal af wil van de “sadomasochistische theo-ideologie van een vadergod als beul”. Dit beeld van de Vader is uit het evangelie van Jezus dan ook beslist niet op te maken. Dat deze theologische constructie (zie hierboven: het plaatsvervangingsmodel) desondanks ontstellend veel verwarring, onbegrip en onzekerheid heeft veroorzaakt is echter een triest gegeven. Aan wat deze Dorothee Sölle verder nog op haar naam heeft staan heb ik geen studie gewijd maar door wat ik er wel van weet is mijn stellige overtuiging dat het evangelie van Jezus Christus ook in haar theologische beschouwingen niet aan een grondige modernisering heeft kunnen ontkomen.
Dan hebben we daar ook nog explosievenexpert Harry Kuitert rondkrabbelen die er zijn levenswerk van
gemaakt schijnt te hebben om de verworven zekerheden van de gemiddelde man/vrouw in de kerkbank met veel
geweld op te blazen. Daar heeft hij in de loop der jaren al grote hoeveelheden theologisch dynamiet tegenaan
gesmeten. Met een uitspraak als: “Tot Jezus kun je niet bidden, dat is grove ketterij” geeft
hij ontegenzeggelijk blijk van een afkeer van Jezus Christus als Gods Zoon. In zijn visie is Jezus slechts
een Joodse profeet die, met goedvinden van meneer Kuitert, een brug mag zijn naar God. Als ik zijn gedachtegoed
bestudeer kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat er volgens Kuitert behalve deze brug nog vele andere
bruggen naar God zijn. Naar welke god, vraag ik me dan af. Het “niemand komt tot de Vader dan
door Mij” wordt met een dergelijke overtuiging hardhandig aan de kant gegooid.
En dan kun je nog zo'n gevierd theoloog zijn maar de hemelpoort kom je met zo'n opvatting niet binnen.
Ergens in het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw deed iemand uit mijn kennissenkring, die
Kuitert een tijdlang van nabij had meegemaakt, de uitspraak: “Pas op voor Kuitert!” In de
jaren daarna is die waarschuwing maar al te waar gebleken.
Dit overdenkend gaan mijn gedachten uit naar de gelijkenis van de ponden. Aan het eind van die gelijkenis
doet Jezus de uitspraak: “Doch die vijanden van mij, die niet wilden, dat ik over hen koning werd,
brengt hen hier en slacht ze voor mijn ogen” (Lucas 19:27). Dat
is een ernstige waarschuwing waar we niet te licht over mogen denken. Er is onder het kopje “de
angst van satan” al geschreven over de toorn van het Lam. Zoals Gods wijsheid altijd het laatste
woord heeft zo heeft ook het Lam van Golgotha het laatste woord. Aan het kruis was Hij het zwakke van
God dat sterker bleek dan satan. Als overwinnaar, die van de Vader het Koningschap heeft ontvangen en
nu bezig is om Zijn Koninkrijk op aarde te vestigen, is Hij zovele malen meer in staat om nu op Zijn
beurt af te rekenen met Zijn belagers. En onder die belagers worden ook diegenen gerekend die, zoals
ene theoloog Kuitert, af willen rekenen met de persoon en de positie van Jezus Christus.
Ene professor Cees Den Heyer had moeite met de vraag wat verzoening persoonlijk voor hem betekent. De reactie van de (voorheen) hoogleraar Nieuwe Testament(!) aan de Theologische Universiteit te Kampen was dat het antwoord op deze vraag niet gemakkelijk was, maar veel eerder een ingewikkelde zaak. De bijbel, als een verzameling boeken, kent volgens hem geen leer en daarom “is het dus heel moeilijk te zeggen wat de hoofdlijnen van het bijbelse getuigenis zijn”. Tja, als een hoogleraar Nieuwe Testament er al niet uit komt....
Het mag dan zo zijn dat de theologen Harry Kuitert, Cees Den Heyer en Dorothee Sölle ook geen brood zagen in de “satisfactieleer” maar ze hebben daarnaast met het badwater ook het kind (van Bethlehem) weggegooid met als argument: dat bloederige tafereel op Golgotha is voor ons een te zielige vertoning, daar halen wij onze neus voor op.
De theologische beschouwingen van de drie zojuist genoemde theologische kanonnen overziende is mijn overtuiging dat het evangelie voor hen eerder een wetenschap is geworden dan dat het nog een “kracht Gods is tot behoud voor een ieder die gelooft”. Het volgende is ongetwijfeld op hen en vele anderen van toepassing:
| Ze hebben wel de letter bestudeerd, maar niets van de boodschap geleerd. |
Of zoals Jezus het zei in Lucas 10:21: “Ik dank U, Vader, Heer des
hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan
kinderen geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U”.
En in Matth. 18:2 en 3 laat Jezus weten wie Hij met die kinderen bedoelt: “En
Hij riep een kind tot Zich, plaatste dat in hun midden, en zeide: Voorwaar, Ik zeg u, wanneer gij u niet
bekeert en wordt als de kinderen, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan”.
Met dit “niet binnengaan” bedoelde Jezus dat de geheimenissen van het Koninkrijk Gods verborgen
blijven voor ieder mens die niet met de nederigheid en ontvankelijkheid van een kind Gods voorwaarden
wil aanvaarden. Dan kan iemand door het leven gaan als een gevierd theoloog, die desondanks door God
tot de “wijzen en verstandigen” wordt gerekend voor wie de geheimenissen van het Koninkrijk
Gods verborgen worden gehouden.
Jesaja 44:24 en 25 laat hier evenmin twijfel over bestaan: “Zo zegt de
Here, uw Verlosser, en uw Formeerder van de moederschoot aan: Ik ben de Here, die alles gemaakt heb;
die de hemel heb uitgespannen, Ik alleen; die de aarde uitgebreid heb door eigen kracht; die de tekenen
der leugenprofeten tenietdoe en de waarzeggers als dwazen aan de kaak stel; die de wijzen doe
terugwijken en hun kennis tot dwaasheid maak”.
Paulus brengt het als volgt onder woorden in 2 Corinthe 3:6: “Die ons
ook bekwaam gemaakt heeft om dienaren te zijn van een nieuw verbond, niet van de letter, maar van de
Geest, want de letter doodt, maar de Geest maakt levend”. Als mensen zonder de hulp en uitleg van
de Heilige Geest blijven steken in het bestuderen van de bijbel zal de letter hen doden, zoals dat evenzo
het geval was met de schriftgeleerden in Jezus' dagen. In Johannes 65:39-43
zegt Hij daarom tegen hen: “Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te
hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen, en toch wilt gij niet tot Mij komen om leven te hebben.
Eer van mensen behoef Ik niet, maar Ik ken u: gij hebt de liefde Gods niet in uzelf. Ik ben gekomen
in de naam mijns Vaders en gij neemt Mij niet aan; indien een ander komt in zijn eigen naam, die zult
gij aannemen”. En daar wringt hem de schoen. De geestelijke leiders in Israël hadden geen
boodschap aan Jezus terwijl zij op de hoogte waren van Zijn afkomst en missie. Ook nu nog ziet het grijs
van de “geestelijke leiders” die zich op de een of andere wijze inspannen om het evangelie
van Jezus Christus aan te passen aan de eisen van deze tijd met al zijn normvervaging. Paulus heeft van
deze mensen een treffende beschrijving gegeven in 1 Corinthe 2:14: “Doch
een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en
hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is”.
Omdat we van dit soort lieden geen heil hebben te verwachten kunnen we maar beter zelf onderzoeken wat de bijbel ons
over zonde en verzoening heeft te zeggen.
Om te kunnen begrijpen wat verzoening inhoudt zullen we eerst moeten weten wat zonde is. Ik heb in het voorgaande al
aandacht besteed aan de beide koninkrijken die op de tegenwoordige wereld tegenover elkaar staan. Door de zonde van de
eerste Adam kwam de mens en daarmee ook de schepping onder het gezag van satan. Het koninkrijk van de dood had zich op
aarde gevestigd. Dit werd door God aan Adam meegedeeld met de woorden: “Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd
en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil
vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft” (Genesis 3:17).
Als er hier gezegd wordt dat de aardbodem vervloekt is houdt dat in dat er sprake is van een vloek en met deze vloek
werd het koninkrijk van satan bedoeld. Dus door de zonde kwam de mens in het koninkrijk van satan terecht. Er vond een
machtswisseling plaats. Zoals al is gesteld is deze machtswisseling de grote tragedie van Genesis
3. Door de zonde verwisselde de mens het Koninkrijk Gods voor het koninkrijk der duisternis. En dat rijk is het
rijk van de dood. In Romeinen 6:23 lezen we hierover: “Want het loon, dat de zonde
geeft, is de dood (het dodenrijk), maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze
Here”. Dit eeuwige leven is alleen te vinden in het Koninkrijk Gods.
En de enige weg via welke de mens dat Koninkrijk binnen kan komen is de verzoening door Jezus Christus. Het antwoord
van Jezus aan Zijn discipel Thomas in Johannes 14:5 en 6 laat hierover geen twijfel bestaan:
“Thomas zeide tot Hem: Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg? Jezus zeide tot hem: Ik
ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij”.
In de al genoemde woorden van Paulus in Colossenzen 1:13 wordt dit nog eens benadrukt:
“Hij (de Vader) heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de
Zoon zijner liefde”.
Dus:
Het drama van de zondeval herhaalt zich sinds het eerste mensenpaar ontelbare keren. De liefde die in het eerste
mensenpaar aanwezig was en die als de zon zijn licht uitstraalt werd 180 graden omgedraaid met als gevolg dat de mens
zelf ineens in de schijnwerpers kwam te staan. En als mensen in de schijnwerpers staan, staat men daar meestal omdat
men er bepaald niet vies van is. Het als God kunnen worden, wat op zo'n gemakkelijke manier binnen het bereik van de
mens leek te komen, is voor de mens die zichzelf zoekt een verleiding waaraan geen weerstand meer geboden kan worden.
Door te zondigen is de mens op zichzelf gericht, zoekt eigen voordeel, de weg van de minste weerstand en het gevolg is
dat de medemens buiten beeld staat. Behalve in die gevallen als die medemens gebruikt (misbruikt!) kan worden voor het
dienen van het eigen belang.
We kunnen hieruit leren dat:
Zonde is daarom het afwijken van Gods principes en dit heet ongehoorzaamheid. Wat hetzelfde is als gehoorzaamheid
aan de tegenstander van God, de satan. Om de macht van satan te breken was het daarentegen de gehoorzaamheid van Jezus
Christus aan de Vader waardoor het Koninkrijk Gods weer terug kwam op deze wereld.
Dat het volharden in deze gehoorzaamheid voor Hem niet zonder slag of stoot ging lazen we al in Hebreeën 5:7-10: “Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk
geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon redden, en Hij werd verhoord vanwege Zijn vroomheid, en zo
heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden, en toen
Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden, door God
aangesproken als hogepriester naar de ordening van Melchizédek”.
Er bestaat een nogal eens gehoorde definitie van de zonde die wordt verwoord in de spreuk: “zonde is je doel missen”. Hoewel hier wel wordt vastgesteld dat de zonde ons ergens van weerhoudt komt er niet in naar voren wat daar dan werkelijk de oorzaak van is. Het is een zaak van oorzaak en gevolg. Wat in deze dooddoener wordt beklemtoond is het gevolg van de zonde maar de oorzaak, de wortel daarvan komt niet aan de orde. Deze wortel van de zonde is, zoals ik zojuist heb willen aantonen, liefdeloosheid in wat voor vorm dan ook.
Door de zonde is de mens van God gescheiden en leeft hij/zij al in het dodenrijk ook al is het lichaam nog niet afgestorven. Wie dus beslist niet via Jezus Christus naar de Vader heeft terug willen keren is geestelijk dood. Zodra hij/zij bij het overlijden het lichaam verlaat wordt de verbinding met deze wereld via de zintuigen verbroken en blijft slechts datgene over waar zijn/haar geest zich al bevindt. Jezus' offer was de handreiking die de Vader deed in onze richting om de verzoening met Hem weer tot stand te kunnen brengen. Pas als de mens met berouw over zijn/haar zonden Jezus Christus door geloof aanvaardt als de enige weg naar de Vader, en daarmee als enige Middelaar tussen de Vader en ons, komt de verzoening tot stand. Verzoening is namelijk tweerichtingsverkeer. Het is een overeenkomst waarin beide partijen het eens zijn geworden. Dat betekent dat de schuldige (de mens) aan de voorwaarde van de schuldeiser (de Vader) heeft willen voldoen. Deze voorwaarde vinden we o.a. in Handelingen 2:38 waar Petrus, vervuld van de Heilige Geest, tegen zijn toehoorders zei: “Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave van de Heilige Geest ontvangen”. En Jezus zelf zei in Johannes 14:1: “Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij”. Maarten Luther had destijds begrepen dat het geloof in Jezus' offer en in Zijn evangelie de sleutel is die onze verzoening met God de vader tot stand brengt.
In 1 Johannes 2:1 en 2 lezen we: “Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld”. Johannes schrijft hier over Jezus Christus als een advocaat of ook wel pleitbezorger (Parakletos) die wij bij de Vader hebben.
Paulus schrijft in 1 Tim. 2:5,6: “Want er is een God en ook een middelaar tussen God
en mensen, de mens Christus Jezus, die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen; en daarvan
wordt getuigd te juister tijd”.
En ook de Hebreeënschrijver gebruikt in hoofdstuk 9:13-15 het woord middelaar
om de positie van Jezus te omschrijven: “Want als reeds het bloed van bokken en stieren en de besprenging
met de as der vaars hen, die verontreinigd zijn, heiligt, zodat zij naar het vlees gereinigd worden,
(de voorlopige reiniging van het oude verbond) hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de
eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons geweten (volgens de grondtekst)
reinigen van dode werken, om de levende God te dienen? En daarom is Hij de Middelaar van een nieuw
verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan, om te bevrijden van de overtredingen onder het eerste
verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden”.
Let op de woorden: “nu Hij de dood had ondergaan”. Het bloed dat vloeide op Golgotha is het bewijsmiddel
van Jezus' gehoorzaamheid tot de dood en daarmee voor de Vader het bewijs van de rechtsgeldigheid van Jezus' positie
als enige Middelaar. Met dit bloed wordt niet alleen het bloed bedoeld dat tijdens de kruisiging vloeide maar ook en
misschien wel vooral het bloed wat uit Zijn zijde kwam toen de Romeinse soldaten, om vast te stellen of Jezus inderdaad
was gestorven, met een speer in zijn zijde staken.
We vinden dit in Joh. 19:32-34 waar de apostel Johannes als ooggetuige verslag doet van wat
hij zag: “De soldaten dan kwamen en braken de benen van de eerste en van de andere, die met Hem gekruisigd waren;
maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen, dat Hij reeds gestorven was, braken zij zijn benen niet, maar een van
de soldaten stak met een speer in zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit”. De
combinatie van bloed en water ontstaat doordat na het intreden van de dood de bloedstroom tot stilstand komt en de rode
bloedlichaampjes en andere vaste bestanddelen gaan bezinken en zich aldus scheiden van het bloedplasma. Dit bloedplasma
is het water dat Johannes uit Jezus' zijde zag stromen. Het ultieme bewijs van Zijn dood was daarmee geleverd en
daardoor is Jezus' bloed het beeld geworden van de verzoening die door Jezus' lijden en sterven mogelijk werd.
In het Nieuwe Testament zijn nogal wat teksten te vinden waar van dit bloed wordt getuigd waaronder:
Er is in Hebreeën 9:13-15 ook nog sprake van een smetteloos offer. Met dit smetteloos
offer wordt Jezus' gehoorzaamheid bedoeld. Door deze gehoorzaamheid was Hij zondeloos en voldeed Hij aan de eisen en
het plan van de Vader. Jezus' offer aan God de Vader was daarom niet in de eerste plaats Zijn lijden en sterven maar
wel Zijn gehoorzaamheid en Zijn bereidheid om deze lijdensweg te gaan. Zoals Paulus dit onder woorden
brengt in de al aangehaalde tekst uit Filippenzen 2:8 en 9: “En in zijn uiterlijk als
een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des
kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken”.
Als Middelaar van een nieuw verbond is Jezus degene die door Zijn lijden en sterven dat nieuwe verbond
tot stand heeft gebracht en is Hij ook verantwoordelijk voor de uitvoering ervan. Daarvoor heeft Hij
de volmacht van de Vader ontvangen. Dit is een zaak van recht. Door Zijn vrijwillig lijden en sterven
verkreeg Jezus het recht om Middelaar te zijn. Om die reden kon Hij na Zijn opstanding tegen Zijn discipelen
zeggen: “Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde” (Matth.
28:18).
In de al aangehaalde tekst uit Hebreeën 5:7-10 wordt Jezus door de Vader aangesproken
als Hogepriester. Deze tekst eindigt met: “en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem
gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden, door God aangesproken als hogepriester naar de ordening van
Melchizédek”. Naar de ordening van Melchizédek betekent: op dezelfde wijze als Melchizédek. Deze
Melchizédek was priester én koning zoals we vinden in Hebreeën 7:1: “Want
deze Melchizédek, koning van Salem, priester van de allerhoogste God, die
Abraham bij zijn terugkeer na het verslaan van de koningen tegemoet kwam en hem zegende...”.
In hoofdstuk 2:17 beschrijft de Hebreeënschrijver aan welke voorwaarden
Jezus moest voldoen om Hogepriester te kunnen worden: “Daarom moest Hij in alle opzichten aan
zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God,
om de zonden van het volk te verzoenen”. Voor Jezus als Hogepriester was het voldoende om eenmaal
de verzoening tot stand te brengen. Dit lezen we in Hebreeën 9:28: “zo
zal ook Christus, nadat Hij Zich eenmaal geofferd heeft om veler zonden op Zich te nemen, ten tweeden
male zonder zonde aanschouwd worden door hen, die Hem tot hun heil verwachten”. Zijn positie als
Hogepriester is eeuwig.
Hebreeën 5:5 en 6 zegt hierover: “Zo heeft ook Christus Zichzelf nie