![]() |
Inleiding.
Uit de diverse reacties die ik al heb ontvangen naar aanleiding van het onderwerp drie-eenheid (en de andere
onderwerpen op deze site) is mij gebleken dat de bijbelkennis van de gemiddelde christen nogal eens flink te wensen
overlaat. Met als gevolg dat men meer dan eens geneigd is om gewillig na te pruimen wat anderen al hebben voorgekauwd,
ook als de bijbel iets heel anders leert. Naast de positieve reacties op dit onderwerp kreeg ik dan ook, het was te
verwachten, knallende kritiek. Waarbij de toon van het verhaal zich ergens bevond tussen een ordinaire scheldpartij en
vroom gezwets. Daarnaast bleek dat men nogal eens
geneigd is om de uitleg op deze pagina te bestempelen als een ontkenning van het bestaan van de Heilige Geest en dit is
voor mij een aanwijzing dat men, met de stekels overeind, al bij voorbaat reageert zonder het hele onderwerp eerst
grondig te hebben bestudeerd. Dat laatste werd me weer eens heel duidelijk toen ik op één van de vele forums
het volgende commentaar op mijn website las: “Deze site wijst Jezus af als God.... ik wil niet heel naar doen...
maar dat is je reinste ketterij (geloof je me niet? Kijk maar eens onder kopje de drie-eenheid wat is er mis mee?),
moet je de rest dan geloofwaardig noemen?” Einde citaat. Wie deze pagina gelezen heeft zal echter moeten
erkennen dat hier aan de goddelijkheid van Jezus absoluut niet wordt gesleuteld. Dat is dan ook beslist niet het
onderwerp van deze pagina. Op twee andere pagina's van deze site wordt
daarentegen de goddelijkheid van Jezus vanuit de bijbel aangetoond en worden een aantal ontkenningen van Jezus'
goddelijkheid aan de schandpaal gespijkerd. De zojuist genoemde kritiek: “deze site wijst Jezus af als God”
doet het sterke vermoeden rijzen dat de persoon in kwestie die andere twee pagina's helemaal niet heeft gelezen en van
deze pagina slechts de titel. Alsof het allemaal veel te veel moeite kost om een pagina als deze helemaal door te
spitten terwijl men er desondanks vanuit de losse pols een geloofwaardig oordeel over denkt te kunnen geven. Snel
oordelen is zo gemakkelijk! Dus lezer: lees het eerst maar eens, denk er een poosje over na en reageer desgewenst
daarna pas.
Wat mij is opgevallen bij het bestuderen van de uitleggingen die op grond van veel bijbelteksten zouden moeten aantonen dat de leer van de drie-eenheid wel degelijk bijbels is, is het opmerkelijke feit dat er wordt voorbijgegaan aan het conflict dat bestaat tussen deze leer en het evangelie van Jezus Christus zoals ons dat in het Nieuwe Testament wordt verklaard, terwijl ook Jezus' eigen uitspraken worden genegeerd. In plaats daarvan wil men ons met veel kunst en vliegwerk onder andere doen geloven dat uit de grammatica van de diverse teksten is op te maken dat daarin wel degelijk het fundament gevonden kan worden voor het drie-eenheiddogma. Dit soort twijfelachtige verklaringen lokken alleen maar schemerige welles nietes conflicten uit. Voor alle volledigheid: het wel of niet aanhangen van of geloven in een drie-eenheid heeft niets te maken met het wel of niet behouden zijn. Anders gezegd: het feit dat iemand in de drie-eenheid gelooft betekent niet dat zijn behoudenis daardoor op het spel staat maar wel dat er een hindernis is opgeworpen die de mens ervan kan weerhouden om de waarheid van het evangelie, zoals Jezus dit bracht, te gaan zien. De behoudenis is daarom ook beslist niet het onderwerp van deze pagina.
Het werkelijke doel van het drie-eenheiddogma, zoals dat het christendom is binnengesmokkeld, is
de aandacht af te leiden van die ene Naam door wie wij behouden kunnen worden, Jezus Christus. Door die Naam te
vervangen door een “Goddelijke drie-eenheid” die aanbeden behoort te worden, is het hart uit evangelie
van Jezus weggesneden. En dáár gaat mijn uitleg dus in werkelijkheid over! Met als doel de aandacht te
vestigen op de sluipmoordenaar die achter dit geraffineerde dogma schuilgaat.
Er zijn in de loop der eeuwen vele struikelblokken op de weg van Gods volk gegooid die het christendom tot op de dag
van vandaag kreupel en krachteloos hebben gemaakt. Zoals de eeuwenlang aanvaarde leringen die zowel in het Rooms
Katholieke als in het Protestantse kamp hun duizenden hebben verslagen en aan de ketting hebben gelegd. Het huidige
christendom staat namelijk bol van de “heilige” huisjes en deze huisjes belemmeren de toegang tot het
werkelijke evangelie van Jezus Christus. Daarom hoop ik met dit artikel te bereiken dat de ogen van de lezer daarvoor
mogen opengaan. Er is al veel te lang afgeweken van het evangelie dat Jezus aan Zijn discipelen leerde. Dat is dan ook
de reden geweest dat ik de stoute schoenen heb aangetrokken om de leer van de drie-eenheid, waarbij ik sowieso al
vele jaren mijn vraagtekens heb gehad, grondig onder de loep te nemen en te ontmaskeren.
Om te beginnen heb ik de nodige achtergrondinformatie bij elkaar geveegd om zodoende de oorsprong van het drie-eenheiddogma nader te kunnen bekijken en de wijze waarop dit dogma aan al die andere dogma's binnen het “christendom” is toegevoegd. Daaraan heb ik dan ook in de eerste helft van deze pagina aandacht besteed. Daaropvolgend heb ik de nadruk echter vooral gelegd op het bestuderen van wat de bijbel ons heeft te zeggen omdat uitsluitend de boodschap van het evangelie van Jezus het laatste woord hierover heeft.
In het bijbelboek Openbaring wordt veel aandacht besteed aan de grote stad Babylon, de grote hoer. Dit is de benaming voor de valse kerk die in de eindtijd tegenover de ware gemeente van Jezus Christus staat. De geestelijke oorsprong van dit Babylon ligt in het oude Babylon dat ooit door de achterkleinzoon van Noach werd gesticht, namelijk ene Nimrod. Met de oorsprong van het hedendaagse Babylon doel ik op de opkomst van het occultisme en de tovenarij tijdens de periode vlak na de zondvloed in het door Nimrod gestichte Babylon. Deze ontwikkeling liep uit op de torenbouw van Babel maar door Gods ingrijpen door middel van de Babylonische spraakverwarring werden de occultisten van Babel verstrooid over de hele aarde, zoals we kunnen lezen in Genesis 11:8: “Zo verstrooide de Here hen vandaar over de gehele aarde, en zij staakten de bouw van de stad”. Het occultisme van het oude Babylon verspreidde zich sindsdien over de hele aarde en is ook terug te vinden in het Babylon van nu, de valse kerk, waarover we lezen in het bijbelboek Openbaring. Dit occultisme is zo vervlochten met de leer van het hedendaagse Babylon dat tot in alle hoeken en gaten ervan de geestelijke erfenis van het oude Babylon aanwezig is. Een onderdeel van die erfenis is de leer van de drie-eenheid.
Van de stichter van het oude Babylon, Nimrod, wordt in Genesis 10:8 gezegd: “Deze was de eerste machthebber op de aarde”. Naar het schijnt was hij getrouwd met zijn moeder, genaamd Semiramis. Deze vrouw was een tovenares die na de dood van Nimrod een zoon kreeg. Deze kreeg de naam Tammuz. Ze kreeg het voor elkaar om het goedgelovige volk te doen geloven dat deze uit hoererij geboren zoon Nimrod's zoon was. Volgens haar zeggen was Nimrod als geest teruggekeerd en had hij bij haar nieuw leven verwekt. Merk de treffende gelijkenis op met het geboorteverhaal van Jezus. Ze kreeg het ook voor elkaar dat Nimrod als zodanig als een god werd vereerd die voortleefde in zijn “zoon” terwijl zij zelf als godin vereerd wilde worden. In het bijbelboek Jeremia wordt melding gemaakt van het feit dat het volk Israël zich bezighoudt met de verering van deze “hemelkoningin”. Dat vinden we terug in bijvoorbeeld Jer. 44:16-19 waar staat: “Wat het woord betreft, dat gij (Jeremia) tot ons in de naam des Heren gesproken hebt, wij zullen niet naar u luisteren; maar wij zullen voorzeker doen alles wat wij uitgesproken hebben, en offers ontsteken voor de koningin des hemels en haar plengoffers brengen, zoals wij gedaan hebben, wij en onze vaderen, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem”. Deze afvallige Joden bleven hardnekkig al de waarschuwingen negeren die al door diverse profeten waren geuit. Dezelfde hardnekkigheid is er de oorzaak van dat ook nu nog massaal wordt afgeweken van het evangelie van Jezus.
In deze vorm zag de eerste drie-eenheid het levenslicht, namelijk in het trio: Nimrod-Semiramis-Tammuz. Het is opvallend dat het volk Israël, zo blijkt uit het voorgaande tekstgedeelte, zich hoofdzakelijk bezighield met de verering van het vrouwelijke deel van deze drie-eenheid, dus met deze hemelkoningin Semiramis, die bovendien in de loop der geschiedenis onder verscheidene namen telkens weer is terug te vinden in heel wat heidense religies. Dat ondervond ook de apostel Paulus in Handelingen 19. Paulus probeerde daar het evangelie over te brengen op de Efeziërs maar die wensten geen concurrentie voor hun godin, zoals blijkt uit vers 33 en 34: “En uit de schare gaf men inlichtingen aan Alexander, die de Joden naar voren geschoven hadden, en Alexander wenkte met de hand en wilde een verdedigingsrede houden voor het volk. Maar toen zij bemerkten, dat hij een Jood was, ging er een geroep van allen op, wel twee uren lang: Groot is de Artemis der Efeziërs!” Ook heden wordt in de Rooms Katholieke kerk deze hemelkoningin nog aanbeden, al gebeurt dat nu wel onder de naam Maria. Waarover verderop meer.
In het verdere verloop van de geschiedenis kreeg deze heidense drie-eenheid andere namen. In Egypte komen we het drietal weer tegen in de vorm van Osiris-Isis-Horus. In de Egyptische mythologie is Osiris de held die overleed, Isis zijn vrouw en Horus het kind dat na Osiris' dood werd geboren. Ook hier vinden wij weer, wat betreft de “maagdelijke” geboorte, een overeenkomst met het geboorteverhaal van Jezus.
De geschiedenis leert ons dat Egypte rond het begin van onze jaartelling was ingelijfd in het Romeinse rijk. Uit de gegevens die bekend zijn over de cultuur en de religies van de Romeinen in de eerste vier eeuwen van onze jaartelling weten we dat in dit Romeinse rijk een aantal religies wedijverden om de gunst van het volk. Dit waren o.a. het christendom en de uit Egypte geïmporteerde Osiris-Isis-Horus mythe. Door keizer Caligula werd in het jaar 38 in Rome een Isis-tempel geopend. Daarmee werd de verering van de Egyptische godin Isis in het Romeinse rijk een feit. Toen in de vierde eeuw keizer Constantijn zich tot het christendom “bekeerde” maakte hij het christendom tot staatsgodsdienst waardoor de andere religies van het toneel verdwenen. Tenminste, zo leek het. In werkelijkheid werden er diverse elementen uit deze heidense religies, die in die tijd het Romeinse leven beheersten, geruisloos overgenomen door het opkomende Rooms Katholicisme en ingelijfd in de Roomse leer.
Tijdens het Concilie van Nicea in het jaar 325 werd de basis gelegd voor de drie-eenheid zoals deze in het christendom gestalte zou krijgen. Dit Concilie van Nicea werd bijeengeroepen door de al genoemde keizer Constantijn die zich, naar men beweert, tot het “christendom” zou hebben bekeerd terwijl hij (zoals wordt aangenomen) tot zijn dood gelijktijdig (hoge)priester van een heidense religie bleef. Zijn bedoeling was om kerk en staat tot een eenheid te maken om op die manier de kerk als een instrument te kunnen gebruiken voor het bereiken van de eenheid binnen het Romeinse keizerrijk. Om daardoor zijn eigen macht als keizer zeker te kunnen stellen. Tijdens dit Concilie werd de twee-eenheid vastgelegd en werd eveneens de Jodenhaat aangewakkerd. In zo'n klimaat worden maar al te gauw besluiten genomen die voor God een gruwel zijn. Door dit feit alleen al wordt de religieuze waarde van een dergelijke bijeenkomst zeer twijfelachtig!! Op het Concilie van Constantinopel in het jaar 381 werd deze twee-eenheid uitgebreid naar de drie-eenheid doordat de Heilige Geest er aan werd toegevoegd. En zo werd het trio Vader-Zoon-Heilige Geest compleet. Een trio dat naast het al genoemde trio Nimrod-Semiramis-Tammuz zijn plaats had gekregen in de Roomse leer, terwijl dit laatste trio nu bekend is onder de namen Heilige Geest-Maria-Jezus. Er is dus geen sprake van één maar van twee drieëenheden. Waarover verderop meer.
Zo rond de tijd van keizer Constantijn had het christendom de andere religies in het Romeinse rijk verdrongen, of misschien beter gezegd: ingelijfd. Op dit punt aangekomen moeten we vaststellen dat er fanatiek werd gerotzooid en gesleuteld aan het evangelie van Jezus, dat daardoor uiteindelijk beslist niet meer overeen kwam met het evangelie dat Jezus ooit aan Zijn discipelen leerde. De aangepaste religie die ervoor in de plaats kwam werd in elkaar geschroefd door mensen die zich voornamelijk druk maakten om hun eigen machtspositie en dat terwijl Jezus toch aan Zijn discipelen duidelijk maakte dat wie onder hen de eerste wilde zijn, bereid moest zijn om te dienen. Dat vinden we in Matth. 20:25-27: “Doch Jezus riep hen tot Zich en zeide: Gij weet, dat de regeerders der volken heerschappij over hen voeren en de rijksgroten oefenen macht over hen. Zo is het onder u niet. Maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn”. Dat laatste kan van ene keizer Constantijn beslist niet gezegd worden. Men zou zich daarom terecht kunnen buigen over de vraag of het “christendom” door zijn toedoen het Romeinse staatsbestel binnendrong of dat in werkelijkheid de heidense Romeinse staat bij het “christendom” werd ingelijfd. Dit laatste is namelijk het geval, met alle rampzalige gevolgen van dien. In feite hebben we dus te maken met de Romeins Katholieke kerk! Dit feit wordt enigszins verdoezeld door te spreken van de Rooms Katholieke kerk. De realiteit is echter dat de Rooms Katholieke leer honderd procent heidendom is, met een “christelijk” kleurtje. Volgen we de ontwikkelingen die sindsdien hebben plaatsgevonden dan is de conclusie daaruit dat het van oorsprong heidense dogma van de drie-eenheid ook tijdens de reformatie als een computervirus geruisloos is mee gekopieerd zodat ook in de protestantse kerken tot en met de pinkstergemeenten en het “volle evangelie” tot op de dag van vandaag deze misleiding wordt geloofd.
Er wordt door verdedigers van de “christelijke drie-eenheid” als argument aangevoerd dat de heidense volken sinds mensenheugenis het idee van een goddelijke drie-eenheid vereerden omdat dit een restant zou zijn van hun verloren kennis van de enige God uit wie de mensheid is voortgekomen. Maar zoals de apostel Paulus scheef in Efeze 4:17-18 is een mogelijk restant van deze kennis uitgesloten. Hij schrijft daar: “Dit zeg ik dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken, verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart”. Wat Paulus hier stelt is dat de kennis van God en van Zijn wezen en karakter bij de heidenen niet meer terug te vinden is. In 1 Cor. 12:2 doet hij er nog een schepje bovenop als hij schrijft: “Gij weet, dat gij, toen gij nog heidenen waart, u blindelings naar de stomme afgoden liet heen drijven”. Als mensen zo diep zijn gezonken dat ze als vee naar hun bestemming worden gedreven zijn ze in een situatie beland waarin ze niet zelf meer keuzes maken maar waarin die keuzes voor hen worden gemaakt. Het is niet moeilijk te vatten dat de overste van deze wereld in zo'n situatie de touwtjes al stevig in handen heeft. En wij hoeven er absoluut niet op te rekenen dat die zijn best zal doen om die heidenen de kennis van hun Schepper bij te brengen. Veeleer zal hij zich tot het uiterste inspannen om de nog aanwezige restanten aan kennis die de Schepper in de mens heeft gelegd systematisch weg te vegen. Dit wordt nog eens bevestigd door wat Paulus hierover schreef in 2 Cor. 4:3-4: “Indien dan nog ons evangelie bedekt is, is het bedekt bij hen, die verloren gaan, ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is”.
Het is desondanks wel zo dat de mens door de ingeschapen behoefte aan het goddelijke van nature openstaat voor de bovennatuurlijke zaken waardoor er een voortdurende zoektocht blijft bestaan naar de geestenwereld en de daar aanwezige “goden”. En er zijn werkelijk (af)goden in menigte. Waardoor de mens regelrecht in de armen loopt van de grote tegenstander, zolang de kennis van de ware God verborgen blijft. En één van die verborgenheden was het wezen en de oorsprong van de Zoon. Die kennis werd pas door Johannes de Doper bekend gemaakt toen hij riep dat het Koninkrijk Gods was nabij gekomen, namelijk in de persoon van Jezus Christus. Het geloof in een nog aanwezig restant van de kennis over een “drie-eenheid” is daarom op grond van de bijbel niet hard te maken. Sterker nog: het is complete onzin en een camouflagetruc om de duistere praktijken van de Roomse kerk voor het daglicht te verbergen. Deze religie heeft systematisch het evangelie van Jezus vervangen door heidense tradities en dogma's waaronder de leer van een “goddelijke drie-eenheid” die aanbeden dient te worden.
Verbazingwekkend genoeg is daarentegen in de voorbije eeuwen wel gebleken dat er bij nogal wat heidense volken kennis aanwezig was over de allerhoogste God, de Schepper van deze wereld. Verscheidene zendelingen kwamen er tot hun stomme verbazing achter dat deze volken al eeuwenlang op de boodschappers van deze “God in de lucht” hadden gewacht. Soms wisten zij zelfs al dat die allerhoogste God Zijn Zoon had gegeven voor de redding van de zondaren! Hun overtuiging en hun geloof vormden dan ook een schril contrast met die van de hun omringende heidense volken, die gaandeweg werden opgeslokt door satanische religies zoals het Boeddhisme en die zich “blindelings naar de stomme afgoden lieten heen drijven”. Wat de genoemde zendelingen overigens beslist niet aantroffen was een geloof in een schemerige en ongrijpbare drie-eenheid. Meer hierover vind je op de pagina: “Altaar voor een onbekende god”.
Er is nog meer aan de hand. Het was te verwachten. Zoals we in de bijbel kunnen lezen had het volk Israël het
tot een hardnekkige gewoonte gemaakt om af te wijken van de God die hen uit het land Egypte had geleid. In Deuteronomium 31:29 lezen we: “De Here zeide tot Mozes: Zie, gij gaat bij uw vaderen te ruste en dit
volk zal overspelig de vreemde goden gaan nalopen van het land, waarin het komt; zij zullen Mij verlaten en mijn
verbond verbreken, dat Ik met hen gesloten heb”. Dit kreeg Mozes aan het eind van zijn leven van God te horen na
al die (veertig) jaren waarin hij dat tegenstribbelende volk door de woestijn had meegezeuld. Ik kan het me heel goed
voorstellen dat hij bij zichzelf gedacht moet hebben: “Waar heb ik het in 's hemelsnaam allemaal voor
gedaan??”
De verdere geschiedenis laat ons zien dat deze voorspelling maar al te waar is gebleken want in Marcus 7:9 zegt Jezus tegen de religieuze leiders van het volk Israël: “Het gebod Gods stelt
gij wel fraai buiten werking om úw overlevering in stand te houden!” En ook in Lucas
11:46 was het weer eens raak: “want gij legt de mensen ondraaglijke lasten op en zelf raakt gij die lasten
niet met één uwer vingers aan”.
Wat die overlevering betreft: tot op de dag van vandaag is de meest opvallende daarvan de Kabbalah. Deze kan het best
omschreven worden als een mysterieleer waarin allerlei vergezochte theorieën over het ontstaan van het universum
worden geleerd met daarbij nog een hele vracht aan vergezochte en religieus getinte dogma's en andere zwamverhalen.
Uit de bijbel leren we dat ook Paulus en de andere apostelen er al geregeld mee te maken kregen. Aan
Timótheüs schreef Paulus: “O Timótheüs, bewaar wat u is toevertrouwd, houd u buiten het
bereik van de onheilige, holle klanken en de tegenstellingen der ten onrechte zo genoemde kennis. Sommigen, die
woordvoerders daarvan zijn, zijn het spoor des geloofs bijster geraakt”. (1 Tim.
6:20-21).
Voor de volledigheid volgen hier nog een paar van dit soort waarschuwingen zoals we die in de brieven van de apostelen
kunnen lezen:
Het ligt voor de hand dat Jezus Christus als enige Middelaar tussen de Vader en ons mensen in het geheel niet aan
bod komt in de occulte leer van de Kabbalah die, naar het schijnt, zijn eigenlijke oorsprong heeft in Egypte. Waar is
die hele uittocht dan toch eigenlijk goed voor geweest?? Deze Kabbalah is een bron van inspiratie geweest voor allerlei
occulte en met geheimzinnigheid omgeven orden zoals de Rozenkruisers, het Theosofische Genootschap, de Antroposofie, de
Tempeliers, de Vrijmetselarij, de Illuminatie en het hele zooitje.
Wat al dit soort griezels beweren kunnen we samenvatten onder de naam New Age. “Wat is er dan zo nieuw aan die
'New' Age?” vraagt een redelijk denkend mens zich terecht af. Nou, eigenlijk niets dus. Het is dezelfde slang met
slechts een ander huidje.
Als we ons verdiepen in de Kabbalah en de New Age dan vinden we daarin onder andere driehoeksverhoudingen,
trinities, drieëenheden, triades én: tirades van hen die al deze bagger te vuur en te zwaard denken te moeten
verdedigen. Beperken we ons nu tot de Kabbalah dan komen we daarin de volgende opvallende gelijkenis tegen met de
“traditionele” drie-eenheid zoals die door het christendom wordt vereerd.
Opmerking vooraf: er is over de leer van de Kabbalah veel te zeggen en te schrijven, met name over de ingewikkelde
constructies die de Joden hebben bedacht om hun gedachtespinsels een gezicht te kunnen geven, daar waren ze trouwens in
Jezus' dagen al goed in getuige Jezus' waarschuwingen aan hun adres, maar daar ga ik hier niet verder op in en ik
beperk deze uiteenzetting daarom tot de kern van het onderwerp. De Kabbalah is dus niet het onderwerp van deze
pagina!
Er is in de Kabbalah sprake van een schepper-God uit wie het heelal is voortgekomen, Kether genaamd, die
overeenkomsten vertoont met God de Vader, zoals we die uit de bijbel kennen. Vervolgens zitten wij volgens de
Kabbalisten nog met een wereldvader en een wereldmoeder opgescheept. De laatste heeft een positie die
overeenkomt met die van de Heilige Geest en deze wereldmoeder is, zoals de naam al doet vermoeden, vrouwelijk volgens
de Kabbalah (tja, je moet er maar op komen).
Dan komen we bij de al genoemde wereldvader. Het is frappant dat de Vrijmetselarij die, zoals hierboven al is
aangetipt, veel (occulte) overeenkomsten met de Kabbalah vertoont daarnaast veel waarde hecht aan Johannes 1:1-5 waar het Woord, Jezus Christus, naar voren komt als de bron van ons bestaan, getuige vers
3: “Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is”.
Daar moet echter wel bij vermeld worden dat het volgens de Vrijmetselarij in dit bijbelgedeelte beslist niet gaat over
de persoon Jezus Christus. Er wordt door de Vrijmetselaars wel geloofd in een “christusgeest” maar deze
geest is in hun visie niet dezelfde als Jezus van Nazareth, de Jezus van de bijbel. Keren we nu weer terug naar de (net
zo occulte) Kabbalah dan blijkt dat deze zelfde “christusgeest” ook past in het beeld van de wereldvader
zoals dat door de Kabbalah wordt neergezet. En dat niet alleen: deze “Zoon-geest van Christus” is volgens
de Kabbalisten in het Nieuwe Testament de vervanging van de “Vadergeest van Jahweh”, uit het Oude
Testament. Let wel: hier bedoelen de Kabbalisten dus ook niet Jezus van Nazareth mee maar een “goddelijke
geest” die drie jaar in Jezus van Nazareth gewoond zou hebben en die Hem bij Zijn sterven weer verliet.
Voor een goed overzicht is het voorgaande in de onderstaande afbeelding aanschouwelijk gemaakt. In dit niet al te
ingewikkelde schema is de gelijkenis tussen de “christelijke” drie-eenheid Vader-Zoon-Heilige
Geest en de hierboven behandelde drie-eenheid van de Kabbalah treffend, zoniet overduidelijk.
En dan rest ons nog slechts de vraag: waar zou de Roomse clerus het idee van een drie-eenheid toch vandaan gehaald
kunnen hebben?? Gezien de van heidendom doordrenkte oorsprong van deze Romeinse religie hoeven we voor het
antwoord op deze vraag niet ver te zoeken.
Beweeg de muisaanwijzer over de onderstaande driehoek voor het zichtbaar maken van de drie-eenheid die onder andere door de Vrijmetselarij wordt vereerd en let op de overeenkomsten met de drie-eenheid van de Kabbalah.

We kunnen gerust stellen dat in het occultisme driehoeksverhoudingen, triades, trinities en drieëenheden een
belangrijke plaats innemen. Dit in tegenstelling tot het evangelie van Jezus Christus waarin grote nadruk wordt gelegd
op de twee-eenheid, zoals we dit ook terug vinden in het huwelijk; wat een beeld is van het huwelijk tussen Jezus
Christus en Zijn gemeente en dát is nou precies waar het hele evangelie om draait, zoals we lezen in Efeze 5:32: “Dit geheimenis is groot, doch ik spreek met het oog op Christus en op de
gemeente”. En wij weten allemaal dat, wanneer er in een huwelijk een derde partner bij komt er sprake is van
overspel en daar is deze, door de duivel beheerste, wereld vol van.
We zouden er goed aan doen om voortdurend te beseffen dat de duivel constant en consequent bezig is om alles wat
waarheid is te verdraaien en te vervangen door dat wat wel veel op de waarheid kan lijken maar uiteindelijk toch een
masker blijkt te zijn. De verzamelnaam voor dit masker is “New Age”. Als dit masker wordt afgerukt wordt
werkelijkheid wat we vinden in Jesaja 44:24-25: “Ik ben de Here, die alles gemaakt heb;
die de hemel heb uitgespannen, Ik alleen; die de aarde uitgebreid heb door eigen kracht; die de tekenen der
leugenprofeten tenietdoe en de waarzeggers als dwazen aan de kaak stel; die de wijzen doe terugwijken en
hun kennis tot dwaasheid maak”.
Het voorgaande laat ons zien dat het verzet tegen de Messias tot op de dag van heden nog is terug te vinden in
hetzelfde volk dat onze Messias heeft voortgebracht maar waaruit ook een (doorontwikkelde) occulte leer als de Kabbalah
ontstond. Zodat de voorspelde ongehoorzaamheid uit Deuteronomium 31:29 nog steeds een trieste
werkelijkheid blijkt te zijn. Deze Kabbalah is een absoluut Jezus Christus-vijandige leer die voor diverse
anti-christelijke en mysterieuze sekten en orden een inspiratiebron is geweest. Of zoals Paulus het omschrijft in
2 Thessalonicenzen 2:7: “Want het geheimenis(!) der wetteloosheid is reeds in
werking....”. Daarom gaf Paulus in Efeze 5:11 de dringende raad: “En neemt geen
deel aan de onvruchtbare werken der duisternis, maar ontmaskert ze veeleer”.
En vandaar deze hele uiteenzetting over een verchristelijkte drie-eenheid.
Keren we terug naar de Roomse leer dan zien we daar dus nog een andere drie-eenheid die, zo lijkt het wel, als
drie-eenheid veel minder aandacht krijgt. Dat is het al aangehaalde trio Heilige Geest-Maria-Jezus. Bij deze
drie-eenheid is de overeenkomst met de al genoemde trio's uit Babylon en Egypte treffend.
Om het allemaal iets overzichtelijker te maken is het één en ander hieronder in tabelvorm weergegeven,
aangevuld met nog een zesde drie-eenheid uit de Oud-Egyptische mythologie. Dit overzicht dient tevens om de
overeenkomst tussen de diverse drieëenheden in beeld te brengen en om duidelijk te maken tegen welke achtergrond
de “christelijke” drie-eenheid gezien moet worden waarbij vooral in het oog springt dat het
verschijnsel drie-eenheid in de heidense religies gemeengoed is. Let op de overeenkomst tussen de
vader-moeder-kind relatie bij de nummers 1, 2, en 3.
| Nr. | Oorsprong | De bijbehorende drieëenheden. | ||
|---|---|---|---|---|
| 1 | Babylon | Nimrod (vader) | Semiramis (moeder) | Tammuz (kind) |
| 2 | Egypte | Osiris (vader) | Isis (moeder) | Horus (kind) |
| 3 | Rooms Katholicisme | Heilige Geest (vader) | Maria (moeder) | Jezus (kind) |
| 4 | Rooms Katholicisme | God de Vader | God de Heilige Geest | God de Zoon |
| 5 | Kabbalah | Kether | Wereldmoeder | Wereldvader |
| 6 | Egypte | God (afgod!) | Ka-Mutef | Farao |
De bovenstaande lijst zou nog aangevuld kunnen worden met drieëenheden die o.a. in Japan en in India de aandacht opeisen van veel misleide stervelingen. En wie weet hoeveel meer heidense religies er nog zijn waarin de één of andere drie-eenheid een centrale plaats inneemt. Ik laat het echter maar bij de genoemde opsomming in de hoop dat het de lezer zal kunnen overtuigen van de bestaande link tussen de “christelijke” drieëenheden en de overige varianten. Daarbij wil ik wel beslist nog benadrukken dat: van wat voor oorsprong er ook maar sprake mag zijn (daar zou men verhitte discussies aan kunnen wijden), de realiteit is dat het drie-eenheidsprincipe absoluut in strijd is met wat de bijbel leert. Dit feit zal verderop in de tekst belicht worden. Maar eerst nog even een overzichtje van wat Rome er van gebakken heeft, te beginnen met:
De drie-eenheid Heilige Geest-Maria-Jezus, zie nr. 3 in het overzicht hierboven, werd door wijlen paus
Johannes Paulus II onder de aandacht gebracht in een toespraak die hij hield in 1998 ter gelegenheid van de dertiende
Wereldjongerendag. In deze toespraak noemde hij Maria de bruid van de Heilige Geest. Als we de bijbel bestuderen komen
we echter tot de conclusie dat er nergens(!) sprake is van een bruid van de Heilige Geest. We lezen wel dat de
gemeente de bruid van Jezus Christus genoemd wordt. Wat de paus beweerde is daarom niet op de bijbelse boodschap
gebaseerd. Het heeft meer weg van een religieuze aardverschuiving waarin de rol en de positie van Jezus naar de
achtergrond zijn verschoven en de Heilige Geest onevenredig veel aandacht heeft gekregen. En dat is nu precies waar
satan op uit is. Zijn grootste vijand is Jezus Christus. Die heeft hem op Golgotha in zijn hemd gezet en dat kan satan
bepaald niet waarderen om welke reden hij zich tot het uiterste inspant om op vele manieren en langs vele omwegen de
aandacht van Jezus af te leiden en die te richten op, in dit geval, de Heilige Geest en Maria. Hiermee bereikt hij dat
de kern uit het evangelie wordt weggehakt! Uiteindelijk zal toch blijken dat die “Heilige Geest” van de
paus een héél andere geest is, waarover verderop meer.
Nog zo'n opmerkelijke uitspraak van de paus in diezelfde toespraak. Hij bidt tot Maria: “Ik bid tot u, gezegende
Maagd, dat ik Jezus mag ontvangen van de Geest van wie ook uzelf Jezus hebt ontvangen”. Dit laat zien dat hij
zich hier direct tot Maria wendt en daarmee Jezus omzeilt. Hij bidt niet tót Jezus maar over Jezus. Naast het feit
dat de bijbel nergens ook maar één aanwijzing geeft met betrekking tot het aanbidden van Maria wordt Maria
hier ook nog eens als moeder aangesproken terwijl het gaat over haar zoon. Alsof die zoon zelf nog niet mondig genoeg
zou zijn om zijn zegje te kunnen doen. Jezus wordt hier dus als kind behandeld, om welke reden men zich dan maar tot
zijn moeder wendt. In een interview met de schrijver Gerard Reve, waarin hij o.a. sprak over zijn Roomse achtergrond,
deed hij de nu volgende uitspraak over de “Jezus” van de Roomse kerk: “Die zoon heeft geen moer te
vertellen want zijn moeder maakt de dienst uit”. Waarmee hij zeer kernachtig weergaf waar die afgodische,
heidense Mariaverering in werkelijkheid om draait.
Het is dan ook geen toeval dat de Jezus van het Rooms Katholicisme óf als kind óf als gekruisigde wordt
afgebeeld. In beide gevallen dus als iemand die niet als een serieuze gesprekspartner wordt beschouwd.
In plaats daarvan heeft Zijn moeder Maria Zijn plaats ingenomen en trekt daardoor alle aandacht naar zich toe. Zo lijkt
het tenminste, want feitelijk is het de occulte erfenis van de tovenares Semiramis die, in de vorm van de
Mariaverering, al het andere overheerst in het bolwerk van de paus. De Vader-Zoon-Heilige Geest
drie-eenheid werd overigens op het Concilie van Constantinopel in het jaar 381 tot dogma verheven en de
Maria-cultus, de verchristelijkte Semiramis aanbidding, werd tijdens het Concilie van Efeze in het jaar 431 bij de
Roomse leer ingelijfd.
Nog een uitspraak van deze voormalige paus uit het jaar 1998:
“Ik wens dat alle leden van de Kerk erfgenamen blijven van het geloof dat van de Apostelen ontvangen is, dat
waardig en trouw gevierd wordt in de heilige mysteries met vurigheid en schoonheid, opdat in toenemende mate genade
ontvangen wordt en zij zullen leven in een diepe en innige relatie met de goddelijke drie-eenheid”. Merk op
dat de paus hier het geloof van de apostelen noemde als basis van “de Kerk”. Het is echter uitsluitend het
evangelie van Jezus Christus waar ons leven vol van hoort te zijn en dat de enige basis is van de gemeente van Jezus
Christus. Feitelijk werd Jezus door de paus terzijde geschoven terwijl de apostelen daarentegen op een voetstuk worden
gezet. De apostelen waren echter slechts doorgevers van het evangelie of zoals Jezus het omschreef in Lucas 17:10: onnutte slaven, die niet hun eigen eer maar de eer van hun zender zoeken. Deze overtuiging
van de paus is overigens niet zo verrassend als men bedenkt dat iedere paus een opvolger meent te zijn van
één van hen (Petrus). En daarnaast ook nog eens wil doorgaan voor de plaatsvervanger van Christus op aarde.
Als ik echter de foto links bekijk dan geeft de uitstraling van deze voormalige paus mij toch echt niet de overtuiging
dat de mysteries van de Roomse leer hem de blijdschap van het Koninkrijk Gods hadden gebracht. Wat we hier daarentegen
wel zien is het gezicht van een afgeleefde, oude man dat door de zonde is getekend. De zonde van het jarenlang negeren
van het evangelie van Jezus door dit te vervangen door mysteries als de drie-eenheid. Waardoor ook het gezicht van
de Messias is vervangen door het gezicht van een oude zondaar die zijn krachten heeft gegeven aan een instituut dat in
Openbaring 17:5 niet zonder reden wordt genoemd: “een geheimenis: het grote Babylon,
moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde(!)”
En daarom had de paus het in zijn rede over “heilige mysteries”. Want als er één is die van het evangelie een mysterie wil maken is dat de grote tegenstander, de overste van deze wereld. En die heeft er alle belang bij dat het evangelie én het wezen van Jezus in nevelen en mysteries gehuld blijven. In Openbaring 17:5 is namelijk sprake van een geheimenis en dat is een ander woord voor mysterie. Feitelijk zijn dus de “heilige mysteries” van Rome gelijk aan het mysterie = geheimenis van het grote Babylon. En dit Babylon heeft talloze gruwelen op haar geweten. Één van die gruwelen is de martelende onzekerheid over het wel of niet behouden zijn die de Roomse dwaling tot gevolg heeft in het denken van Rooms Katholieken. En dat beperkt zich beslist niet tot de “gewone” Roomse gelovigen want ook in de hoogste kringen rond de paus bestaat deze onzekerheid. Dat werd me meer dan ooit duidelijk toen ik de Nederlandse kardinaal Simonis in een interview hoorde zeggen dat hij er absoluut niet zeker van was of hij wel in de hemel mocht komen. Ook na herhaaldelijk vragen naar aanleiding van deze ontboezeming bleef zijn antwoord: “Ik ben er niet zeker van dat ik in de hemel mag komen”. Wat heeft de leer van Rome dus eigenlijk te bieden? Niets! Slechts gebakken lucht, religieuze tijdverspilling en een leven dat beheerst wordt door een altijd aanwezige en beklemmende onzekerheid. Dat doet een mens leven met de dood in de schoenen!
Het evangelie van Jezus bestaat echter niet uit mysteries voor een ieder die zich door de Geest van Christus wil
laten gezeggen en leiden. Dat liet Jezus duidelijk blijken in Joh. 14:21 waar Hij zegt:
“Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd
worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren”. En waar sprake is van openbaren,
daar worden geheimen ontsluierd. Dus niks mysteries!
Als we het over mysteries hebben zijn we aangeland bij één van de sterkste anti-Jezus wapens van de Roomse
leer in de voorbije eeuwen. Daaruit kwam namelijk ook het motief voort om eeuwenlang de bijbel voor het “gewone
volk” onbereikbaar te houden onder andere d.m.v. het wapen van het analfabetisme zodat het echte evangelie voor
de man van de straat een mysterie bleef. In die traditie werd ook het wezen van de Vader en de Zoon door middel van een
ongrijpbaar en niet te doorgronden drie-eenheidmysterie verborgen gehouden voor het “gewone” volk.
Één van mijn ontdekkingen na
bestudering van de leer van dit Babylon is dat er nog een mysterie in verborgen zit en dat is het feit dat hetgeen in
de Roomse leer nog van de verering van Jezus Christus is te vinden slechts een voortzetting is van de verering van
Tammuz (zie het overzicht hierboven), het kind dat in de Babylonische drie-eenheid geen speciale plaats had maar
een onderdeel was van het grotere geheel: de drie-eenheid Nimrod-Semiramis-Tammuz. Zoals ook in de Roomse
leer Jezus (de verchristelijkte Tammuz) een onderdeel is van de verchristelijkte drie-eenheid, en daarmee doel ik
op de drie-eenheid: Heilige Geest-Maria-Jezus. Waaraan ik nog kan toevoegen dat de tovenares Semiramis na
de geboorte van Tammuz beweerde nog maagd te zijn, wat we terugvinden in de Roomse overtuiging dat Maria de eeuwige
maagd is. Vatten we het evangelie van Rome samen dan is de uitkomst: Nimrod-Semiramis-Tammuz =
Heilige Geest-Maria-Jezus. Waaruit blijkt dat Jezus Christus, als de verchristelijkte Tammuz, in het
denken van de Roomse clerus een onderdeel is van de heidense drie-eenheid uit Babylon die nog steeds door hen wordt
vereerd(!!) maar die wel een aangepaste “christelijke” vermomming heeft gekregen in de vorm van de
drie-eenheid Heilige Geest-Maria-Jezus. Om daarmee een rookgordijn op te kunnen trekken waarachter
de werkelijke leer van Rome zich schuilhoudt.
Op de hierbij getoonde afbeelding zien we het “Christuskind” dat tijdens de kerstnachtdienst in de Sint
Pieter te Rome duidelijk zichtbaar in het zonnetje(!) wordt gezet. Uit het hoofd van deze Tammuz komen namelijk
de zonnestralen die de eigenlijke identiteit van deze zonnegod symboliseren. In de diverse zonnegodreligies (in
Perzië heette deze zonnegod Mithras) werd de geboorte van deze zonnegod gevierd op 25 december. Dat was de eerste
dag waarop destijds het weer langer worden van de dagen gemeten kon worden, en daarmee de terugkeer van de
zon(!). Deze zonnegodverering is omgedoopt tot het “christelijke” kerstfeest zodat we moeten
vaststellen dat die hele kerstviering in de Sint Pieter feitelijk niets anders is dan een puur heidense afgodsverering.
Met de afgod Tammuz als voorwerp van verering. Over deze Tammuz lezen we in Ezech. 8:14-15:
“Daarop bracht Hij mij naar de ingang der poort van het huis des Heren aan de noordzijde; en zie, daar zaten
vrouwen, die Tammuz beweenden. Hij zeide tot mij: Hebt gij dat gezien, mensenkind? Nog grotere gruwelen dan deze
zult gij zien”. Het afvallige volk Israël maakte zich destijds al schuldig aan deze afgodsverering, een
gruwel die door de moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde wordt voortgezet.
De wereldse gezindheid van dit Babylon komt ook sterk naar voren bij het bestuderen van de achtergronden en de motieven die leidden tot het bouwen van de vele kathedralen en bedevaartsoorden die Europa “rijk” is. Keer op keer blijken deze bedevaartsoorden te zijn opgericht ter ere van een zoveelste “heilige” die het voorrecht genoot om zijn of haar beenderen achter te mogen laten in één van de vele graftomben waar steevast weer massa's pelgrims op afkwamen. Die pelgrims brachten uiteraard de gewenste financiële bijdragen met zich mee. Dat geeft mij wel zo'n grijs vermoeden dat de bijkomende motieven voor dit hele religieuze circus niets met bedevaart maar wel alles met bedelvaart te maken hebben. Want tenslotte is dit alles niets anders dan een heidense dodenverering met opvallend welkome financiële voordelen. En dit was een van die misstanden waar Maarten Luther destijds op afknapte. Maar zolang Jezus, als de verchristelijkte Tammuz, maar netjes op schoot blijft zitten óf zwijgend vanaf een kruis blijft toekijken zal het de wolven van het Vaticaan een zorg zijn op welke manieren de kas van de paus wordt gevuld.
En dan nu de grote klapper: de paus noemde in zijn toespraak de “innige relatie met de goddelijke drie-eenheid”. Als we nu nog niet begrijpen waar Rome zich druk om maakt krijgen we het nooit meer door. Want ook hiermee wordt de positie van Jezus gecamoufleerd. Er wordt hardnekkig en fanatiek afgeweken van wat de bijbel zelf over Jezus zegt. In Hand. 4:12 lezen we dat Petrus (vervuld met de Heilige Geest) tegenover de religieuze leiders beleed: “En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden”. En deze naam is Jezus Christus, dus geen Heilige Geest, geen God de Vader en beslist geen “goddelijke drie-eenheid”. Als Jezus zei: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op de aarde” (Matth. 28:18) dan is Hij Degene bij wie wij moeten aankloppen.
Daarmee is niet gezegd dat wij niet tot de Vader zouden mogen bidden maar wel dat de Vader aan onze
gebeden geen enkele boodschap heeft zolang wij Jezus niet willen aanvaarden als de enige weg tot de Vader. Het is
uiteraard op zichzelf niet verkeerd om tot de Vader te bidden maar.... de praktijk heeft maar al te vaak laten
zien dat deze gewoonte bij kinderen Gods tot gevolg heeft dat ongemerkt de aandacht voor Jezus in de verdrukking komt.
Terwijl het hele evangelie nu juist om Jezus Christus draait en om niemand anders want Hij is voor ons het
centrale punt van aandacht en Hij hoort dat ook te blijven. Als ons hele leven daarvan doordrongen is eren wij pas echt
de Vader zoals de Vader het wil. Wat op dit punt Zijn wil is heeft de Vader dan ook onmiskenbaar laten weten in
Matth. 17:5: “Terwijl hij (Petrus) nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een lichtende
wolk, en zie, een stem uit de wolk zeide: Deze is Mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik Mijn welbehagen heb; hoort naar
Hem!” We zullen dus onze aandacht moeten vestigen op Jezus en op Zijn boodschap, want dat is wat de Vader
hier bedoelde te zeggen. Doen we dat, dan eren wij pas echt de Vader omdat we gehoor geven aan Zijn opdracht. Jezus
heeft hierover zelf ook een veelzeggende uitspraak gedaan in Joh. 5:22-23: “Want ook de
Vader oordeelt niemand, maar heeft het gehele oordeel aan de Zoon gegeven, opdat allen de Zoon eren gelijk zij
de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet, die Hem gezonden heeft”. Let hier vooral op
deze laatste zin!
Als men dus de Vader wil eren zal dat nooit buiten de Zoon om mogelijk zijn. Daar doet Jezus nog eens een schep bovenop
in Joh. 14:13-14: “....en wat gij ook vraagt in Mijn naam, Ik zal het doen, opdat de
Vader in de Zoon verheerlijkt worde. Indien gij Mij iets vraagt in Mijn naam, Ik zal het doen”. Hiermee laat
Jezus ons weten dat we met onze gebeden terecht kunnen bij de Zoon. Bovendien lezen we hier dat we horen te bidden in
Jezus' Naam en dat op zichzelf duidt al aan dat deze Naam hoort te worden gebruikt omdat deze het hoogste gezag
vertegenwoordigt waar wij direct mee hebben te maken. En dat komt weer helemaal overeen met Matth.
28:18 waar Jezus van Zichzelf getuigt: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op de
aarde”. Want wie alle macht heeft, vertegenwoordigt het hoogste gezag. Daar kan men lang en breed over
discussiëren maar daar valt simpelweg niet aan te ontkomen! Want als Jezus alle macht heeft ontvangen dan
blijft er voor alle andere afgoden geen macht over om nog te verdelen. God de Vader heeft Jezus alle volmacht
gegeven om het reddingsplan voor deze wereld uit te voeren en af te maken en daarmee heeft de Vader bewust en
overduidelijk een stap terug gedaan ten gunste van Zijn Zoon!! Dan is daar ook nog het getuigenis van Jezus tegenover
de Samaritaanse vrouw in Joh. 4:23: “Maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige
aanbidders de Vader aanbidden zullen in Geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders”. Waardoor
wordt de Vader geëerd? Doordat we in de (Heilige) Geest bidden. En van die Heilige Geest zegt Jezus in
Joh. 16:14: “Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en
het u verkondigen”. Wie dus bidt in Geest en in waarheid wordt geleid door die Geest en wordt als gevolg daarvan
bepaald bij de persoon Jezus Christus en bij Diens woorden. Wie dus zo bidt is, door de Heilige Geest geleid, bezig de
Zoon te verheerlijken en wie dat doet verheerlijkt daarmee ook de Vader. Het zal dan ook onze vaste overtuiging moeten
zijn dat dit de manier is waarop de Vader aanbeden wil worden.
Het is daarom een niet te ontkennen feit dat de Heilige Geest onze aandacht niet op Zichzelf vestigt maar uitsluitend op Jezus Christus en op Diens evangelie. En als de Heilige Geest in ons aan het werk is dan is Jezus Christus, als Diegene die alle macht heeft, aan het werk.
Samengevat: zowel de Heilige Geest als God de Vader verwijzen ons door naar onze Verlosser Jezus Christus. Het dogma van de drie-eenheid leidt daar onze aandacht juist van af. Als we bij een “goddelijke drie-eenheid” aankloppen staan we beslist voor het verkeerde (gesloten) loket. En dat is nou precies wat de duivel wilde bereiken!
Zoals er dogma's en dwalingen in menigte zijn die Jezus Christus naar de achtergrond schuiven, zo is dit ook het
geval met de leer van de drie-eenheid Vader-Zoon-Heilige Geest. De titel van één van de pagina's van deze
site is: “De afgewezen Messias”. Naast afwijzen is het ook mogelijk om iemand te negeren of de aandacht van
hem af te leiden. Wat dit betreft is de Rooms-katholieke leer een meester in het wegmoffelen van de persoon Jezus
Christus en van de positie die Hij van de Vader heeft ontvangen. Kijken we naar de Maria verering, die niets anders
blijkt te zijn dan de verchristelijkte versie van de verering van de tovenares Semiramis die in het oude Babylon al
werd vereerd als de hemelkoningin, en naar alle andere nepheiligen waarvan de beelden in tijden van tegenspoed van stal
worden gehaald om in processies te worden rondgezeuld, dan is de conclusie die we hieruit kunnen trekken dat Jezus
Christus er amper aan te pas komt of slechts als kindje Jezus wordt behandeld en als zodanig, inclusief Zijn kribbe, op
stal mag blijven staan. En waar dit kindje Jezus wel onder de aandacht wordt gebracht zoals tijdens de, in het
voorgaande al genoemde, kerstnachtdienst in Rome blijkt het om niets anders te gaan dan om de Roomse versie van de
zonnegod Tammuz.
Zoals Paulus al vaststelde in 1 Cor. 8:5-6: “Want al zijn er zogenaamde goden, hetzij in
de hemel, hetzij op de aarde - en werkelijk zijn er (af)goden in menigte en heren in menigte - voor ons nochtans is er
maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn, én een Here, Jezus Christus, door
wie alle dingen zijn, en wij door Hem. Maar niet bij allen is die kennis”. En daarom worden er (af)goden in
menigte aangeroepen, terwijl Jezus slechts als kind of als gekruisigde mag toekijken. Als we vervolgens de aandacht
vestigen op het feit dat in deze anti-Jezus sfeer de drie-eenheidleer werd ingelijfd in het
“christendom” dan kunnen we er van op aan dat er een behoorlijke hoeveelheid viezigheid aan kleeft. Zoals
gebruikelijk zijn waarheid en leugen weer eens flink door elkaar geroerd. Lezen we bijvoorbeeld in het, door het
Protestantse christendom overgenomen, geloofsbelijdenis van Nicea over de Heilige Geest: “die samen met de Vader
en de Zoon aangebeden en verheerlijkt wordt...” dan komt dat er feitelijk op neer dat ook de Heilige Geest als
een God wordt aanbeden.
En daar zit hem nou net dat geniepige addertje onder het gras. Terwijl Jezus toch zei over de Heilige Geest:
“Hij zal Mij verheerlijken want Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen” (Joh.16:14). Waarmee Jezus bedoelde te zeggen dat de Heilige Geest niets heeft toe te voegen aan het
evangelie dat Jezus aan Zijn discipelen leerde maar alleen en uitsluitend de aandacht vestigt op wat Jezus bracht.
Zoals we ook kunnen lezen in vers 13 van Joh. 16: “want Hij zal niet uit Zichzelf
spreken maar al wat Hij hoort zal Hij spreken...”. Hier zien we duidelijk dat de Heilige Geest niet de aandacht
op Zichzelf vestigt maar uitsluitend op Jezus Christus en op Zijn evangelie. Maar omdat de duivel er alle belang bij
heeft dat Jezus, inclusief Zijn evangelie, in de afvalbak verdwijnt is er een heidense drie-eenheidleer ingelijfd
die dienst doet als een stuk verpakkingspapier. Het mag dan wel een vroom kleurtje hebben maar het effect ervan is wel dat Jezus daardoor tussen een
“goddelijke” sandwich is geplakt en daarom niet die speciale aandacht krijgt die Hij verdient. Net zoals
Hij ook al door de (heidense!) Maria-cultus is verdrongen (in die andere drie-eenheid, zie hierboven).
In het bijbelboek Genesis vanaf hoofdstuk 37 vinden we de geschiedenis van Jozef die door toedoen van zijn jaloerse
broers als slaaf in Egypte terechtkwam. Zijn hele levensverhaal is een schaduwbeeld van het leven van Jezus Christus.
Jozef kwam uiteindelijk in de gevangenis waar hij verscheidene jaren doorbracht totdat hij door de Farao als
onderkoning werd aangesteld. In Genesis 41:40 lezen we de beslissing van Farao: “Gij
zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal mijn gehele huis zich voeden; alleen door de troon zal ik boven u
staan”. Na een onterechte beschuldiging van overspel en na een jarenlange lijdensweg in de gevangenis werd hij
door Farao over het land Egypte gesteld met alleen deze beperking: hij was alleen nog aan Farao verantwoording
schuldig.
Als we kijken naar de weg die Jezus ging zien we een treffende gelijkenis met de levensloop van Jozef. Ook Jezus kwam
na een lijdensweg van smaad en vervolging en na verscheidene pogingen om Hem om te brengen op Golgotha aan Zijn einde.
Althans aan het einde van Zijn tijdelijke leven op deze wereld. Toen Hij na Zijn opstanding tegen Zijn discipelen zei:
“Mij is gegeven alle macht in hemel en op de aarde” (Matth. 28:18) verklaarde Hij
daarmee dat Hij van Zijn Vader alle volmacht had gekregen om het verlossingsplan voor deze wereld uit te voeren. Zoals
in het geval van Jozef niemand buiten Jozef om iets kon regelen zo is ook nu niemand in staat om in het Koninkrijk Gods
iets te ondernemen zonder Jezus of buiten Jezus om. Alleen God de Vader staat boven Hem zoals Farao als enige boven
Jozef stond en aan wie Jozef verantwoording verschuldigd was. En we hoeven er beslist niet op te rekenen dat in het
Egypte van Jozef ook maar iemand in staat was om op eigen houtje en buiten Jozef om iets te regelen. Een onderhands
regelingetje en/of wat steekpenningen hier en daar waren uitgesloten.
Als we nu in onze wereld rondkijken én terugkijken op bijna 2000 jaar kerkgeschiedenis moeten we met het
schaamrood op de kaken vaststellen dat er in die periode massaal is onderhandeld en gerotzooid zonder dat Jezus
Christus er als enige machthebber bij betrokken werd. Maar zoals het in Jozef's dagen niet mogelijk was om buiten hem
om iets voor elkaar te krijgen zo is ook nu iedere poging om buiten Jezus om het Koninkrijk Gods binnen te dringen
illegaal en daarom gedoemd te mislukken. Het inlijven van een heidens drie-eenheiddogma is namelijk zo'n illegale
praktijk want het omzeilt de machtspositie en status van Jezus als redder der wereld.
Wat als gevolg van het dogma van de drie-eenheid eeuwenlang voor lief is aangenomen door de
“christenheid” is uit de bijbel niet op te maken, en daarmee bedoel ik de algemeen aanvaarde overtuiging
dat de Heilige Geest naast God de Vader en God de Zoon een derde God is die wij zouden moeten aanbidden (zie het
voorgaande). In Joh. 14:26 lezen we iets waaruit schijnbaar een aanwijzing voor die derde God
gehaald zou kunnen worden: “Maar de Trooster, de Heilige Geest, die de Vader zenden zal in Mijn naam, die zal u
alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb”. Het lijkt alsof Jezus hier over een derde God spreekt
maar in Joël 2:28 spreekt Jahweh echter:
“Ik zal Mijn Geest uitstorten op al wat leeft,” en met deze Heilige Geest bedoelt Hij Zijn eigen Geest en
spreekt Hij dus over Zichzelf en niet over een andere God.
De enige andere God die naast God de Vader wel in de bijbel met naam en toenaam wordt genoemd is de God die als de mens
Jezus Christus in de wereld kwam: de eniggeboren Zoon van God, die Zich in het Oude Testament aan het volk Israël
openbaarde als Jahweh. In feite spreekt Jezus in Joh. 14:26 dus ook over Zichzelf in Zijn rol
als Trooster.
In Joh. 14:18-19 komt dat heel sterk naar voren als Hij zegt: “Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u. Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult leven”. De discipelen werden niet als wezen achtergelaten want niet lang na Jezus' terugkeer naar de Vader ontvingen zij die andere Trooster die Jezus hun in vers 16 en 17 had beloofd: “En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn”. Terwijl Jezus die komende Trooster (de Heilige Geest) aankondigt doet Hij dit met de woorden: “Ik kom tot u”. Hij laat er dus geen twijfel over bestaan dat Hij er zelf direct bij betrokken is. Dus ook Jezus is de beloofde Trooster.
Dat blijkt nog eens uit Joh. 14:23 waar Hij zegt: “Indien iemand Mij liefheeft, zal
hij Mijn woord bewaren en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen”. Zo
lezen we ook hier dat Jezus tot ons komt als de Heilige Geest, wat betekent dat God de Vader en Zijn Zoon als de
Heilige Geest in ons leven willen komen. En nog eens verwoordt Jezus Zijn eigen rol als Trooster in vers 21 van Joh. 14 waar Hij zegt: “Wie mijn geboden heeft en ze bewaart,
die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben
en Mijzelf(!) aan hem openbaren”. Deze nauwe samenwerking tussen de Vader en de Zoon komt ook even ter
sprake als Jezus tegenover de vijandige Joden belijdt in Johannes 10:30: “Ik en de Vader
zijn één”. Waarmee Hij aanduidde dat ze op één lijn zitten, één van zin zijn en
één van streven en naar hetzelfde doel toewerken. En waarom? Omdat hun wezen, aard en karakter aan elkaar
gelijk zijn.
Ook uit bestudering van de Griekse grondtekst van vers 30 blijkt dat het in de grondtekst
gebruikte woord voor één niet betekent dat Jezus en de Vader één persoon zijn. Er wordt
echter wel hun eensgezindheid mee aangeduid.
Uit hetgeen Jezus zelf over de Heilige Geest bekend heeft gemaakt kunnen wij opmaken dat de Heilige Geest een verschijningsvorm is van God de Vader en van Zijn Zoon en geen derde God. Omdat ik naar aanleiding van het begrip verschijningsvorm van meerdere lezers vragen heb ontvangen waaruit me bleek dat dit woord voor verwarring kan zorgen wil ik eerst uitleggen wat ik met dit woord bedoel aan te geven. En wat ik met dit woord probeer te omschrijven is eigenlijk simpelweg: de manier waarop Jezus Zich aan de mens openbaart en contact met de mens onderhoudt, en dus de manier waarop Hij aan de mens verschijnt. Dat deed Hij als de mens Jezus Christus op de ons welbekende wijze: in de vorm van mens tot mens contact. Deze vorm van contact maken heeft echter zijn beperkingen. Hij kon Zich daarom in Zijn verschijningsvorm als mens slechts tot een beperkt aantal discipelen richten. In Zijn verschijningsvorm als Heilige Geest kent Hij deze beperking niet. Daar staat echter tegenover dat Hij als Heilige Geest voor de wereld (de onbekeerde mensen) onzichtbaar is. Voor de discipelen die de Heilige Geest hebben ontvangen is Hij wel zichtbaar, echter niet voor hun natuurlijke ogen maar voor de ogen van hun hart. Dit zichtbaar/onzichtbaar zijn gaf Jezus aan in Joh. 14:18-20: “Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u. Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult leven. Te dien dage zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u”. Ook in de laatste zin van deze tekst spreekt Jezus weer over de nauwe samenwerking tussen Hem en de Vader met de woorden: “...dat Ik in mijn Vader ben...”.
De mens heeft een geest, ziel en een lichaam. Over de begrippen geest en ziel volgt nu eerst een
kleine toelichting. Het lichaam is dat deel van ons dat in deze zichtbare wereld functioneert en waarmee wij voor de
medemens zichtbaar zijn. Onze geest en ziel, die samen onze persoonlijkheid vormen functioneren daarentegen in de
geestelijke wereld en blijven voor de medemens verborgen. Onze persoonlijkheid, gedachten, meningen en beslissingen
worden echter wel zichtbaar gemaakt in onze handel en wandel. En die handel en wandel is voor anderen zichtbaar dankzij
ons lichaam. Over de geest en de ziel van de mens heb ik in de loop der jaren al de meest uiteenlopende theorieën
gehoord en gelezen. De kennis hierover blijft, zeker voor de onbekeerde en natuurlijk denkende (wetenschaps)mens, een
moeilijk begaanbaar terrein. Het is dan ook heel moeilijk om een exacte en bewijsbare grens te trekken tussen wat geest
en wat ziel is omdat ze beiden een deel van dezelfde persoon zijn. Het is mijzelf zowel uit de praktijk als uit de
informatie hierover in de bijbel wel duidelijk geworden dat onze geest contact zoekt met, zich
concentreert op en zich bezighoudt met de geestelijke wereld. Terwijl onze ziel vrijwel uitsluitend
rekening houdt met wat onze lichamelijke zintuigen ons vertellen en daarom (zwaar) beïnvloed wordt door de
natuurlijke omstandigheden, situaties en gebeurtenissen. Een discipel van Jezus behoort tijdens zijn geestelijke groei
te leren dat zijn/haar geest altijd de leiding zal moeten behouden, wat betekent dat ons geloof, een functie van onze
geest, zich in alle omstandigheden blijft richten op de dingen die boven zijn en op de beloften en zekerheden van het
Koninkrijk Gods. Zodat uiteindelijk zal gebeuren wat de apostel Johannes al schreef in 1 Johannes
5:4: “want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld
overwonnen heeft; ons geloof”. Dit geloof laat zich namelijk niet intimideren door wat er in de zichtbare
wereld op een discipel van Jezus afkomt aan omstandigheden en vervolgingen. Als een mens echter keer op keer, lettend
op wat zijn zintuigen hem vertellen, uit zijn evenwicht raakt en door paniek en onzekerheid gekweld Gods woorden
vergeet heeft niet zijn geest maar zijn ziel de leiding. En die ziel houdt geen rekening met de dingen die boven zijn.
Zo iemand staat geestelijk op zijn kop. Ik ben dit verschijnsel vele malen tegengekomen bij (onbekeerde) mensen die het
alleen maar vreselijk druk hebben met de dingen van deze wereld, met hun “carrière”, hun bankrekening,
hun dure auto en al het andere dat de aandacht van een mens alleen maar afhoudt van de dingen die echt belangrijk zijn,
en dat is alles dat eeuwigheidswaarde heeft. Zodra de zaken niet lopen zoals ze dat graag willen, gaan ze tegen de
vlakte en zijn compleet in beslag genomen door de zorgen van deze wereld met alle bijkomende wrijvingen en irritaties.
Deze natuurlijk denkende mensen worden beschreven in 1 Cor. 2:14: “Doch een ongeestelijk
mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat
het slechts geestelijk te beoordelen is”. Een discipel van Jezus hoort echter rekening te houden met de dingen
die boven zijn, waar Christus is, en hoort zich met zijn geest te richten op Gods woorden. Met als resultaat: een
evenwichtig karakter dat zich door de omgang met Gods Geest steeds verder ontwikkelt, waardoor het geloof van zijn
geest hem behoedt voor alle struikelblokken die door satan op zijn levensweg gegooid worden.
Het voorgaande wordt zeer kernachtig weergegeven in 1 Cor. 15:45-47: “Aldus staat er ook
geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest. Doch
het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke, en daarna het geestelijke. De eerste mens is uit de
aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel”. De natuurlijke mens Adam leefde in de natuurlijke
wereld en zijn ziel zag vóór de zondeval alleen maar een mooie wereld want zijn lichamelijke zintuigen
vertelden hem alleen maar mooie dingen en er was dus niets dat hem uit zijn evenwicht bracht. De tweede Adam, Jezus
Christus, had daarentegen een onvergelijkbaar andere taak te vervullen. Hij stond in Zijn leven tegenover de legermacht
van satan en als de man van smarten had zijn ziel in de natuurlijke wereld maar weinig waar Hij Zich aan kon optrekken.
Doordat Zijn geest de leiding bleef houden en Hij door Zijn gehoorzaamheid aan de Vader Zijn geloof in de goede afloop
niet verloor overwon Hij de helse tegenstand van satan's legers. Jezus' geest bleef aan de leiding en daarmee gaf Hij
een voorbeeld aan al Zijn (toekomstige) discipelen en werd Hij voor ons de oorzaak van eeuwig heil. Dat lezen we in
Hebreeën 5:9: “en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem
gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden”. Omdat Hij door Zijn lijden en overwinnen voor ons de weg
vanuit de dood tot het eeuwige leven heeft geopend is Jezus een levendmakende geest, wat ook nog eens in
Col. 3:4 wordt bevestigd: “Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult
ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid”. Hij heeft ons uit de (geestelijke) dood doen opstaan en ons eeuwig
leven gegeven. Tot zover deze toelichting over het verschil tussen de geest en de ziel.
Sinds de dood bij de zondeval zijn intrede in deze wereld heeft gedaan is het menselijk lichaam sterfelijk geworden. Met als onvermijdelijk gevolg dat het lichaam bij het sterven gescheiden wordt van onze geest en ziel. Onze geest en ziel daarentegen blijven verder functioneren in de geestelijke wereld maar kunnen zich niet meer in deze wereld zichtbaar en kenbaar maken. De verbinding met deze natuurlijke wereld is dan weggenomen. Anders gezegd: als wij sterven is onze inwendige mens zijn verschijningsvorm kwijt waardoor wij niet meer met de achtergeblevenen kunnen communiceren en wij voor hen niet meer zichtbaar zijn. Meer dan eens heb ik vastgesteld dat wanneer men een poging doet om het dogma van de drie-eenheid te verdedigen het voorbeeld van de vermeende “menselijke drie-eenheid” geest, ziel en lichaam in de strijd wordt geworpen. Waarmee bewezen zou zijn dat ook de goddelijke drie-eenheid geen loos verzinsel is. De mens is echter geen drie-eenheid maar een twee-eenheid. Geest en ziel zijn namelijk een ondeelbare eenheid en die is niet te scheiden. Er is echter wel van een definitieve scheiding sprake als de mens bij het sterven zijn stervelijke lichaam verlaat, waarbij de twee-eenheid geest en ziel de tijdelijke aardse tent verlaat. Het stervelijke lichaam is daarom geen deel van een drie-eenheid maar is slechts een woning voor deze geestelijke twee-eenheid. De mens is dus een twee-eenheid die in een tijdelijk lichaam woont. Via dat lichaam communiceert de mens met anderen. En juist in deze mogelijkheid tot communiceren vinden wij de overeenkomst met het wezen van de Heilige Geest. Zoals ons lichaam in deze wereld onze verschijningsvorm is zo is de Heilige Geest voor Jezus en de Vader de verschijningsvorm waardoor zij zich aan ons kunnen openbaren. Daarom zei Jezus in Joh. 16:7: “Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen”. Hij moest eerst zelf terug gaan naar de Vader en Zijn plaats aan Gods rechterhand innemen als Overwinnaar zodat Hij in Zijn verschijningsvorm als Heilige Geest, en daarmee als Trooster, tot ons kon komen.
Jezus had na Zijn opstanding een geestelijk opstandingslichaam wat niet aan natuurwetten was gebonden zodat Hij onverwacht aan Zijn discipelen kon verschijnen terwijl deuren en ramen van hun onderkomen waren gesloten. Met dit geestelijke lichaam voer Hij ten hemel om als Heilige Geest weer terug te keren. In Joh. 20:16-17 doet Jezus een uitspraak die hier nog meer licht op werpt: “Jezus zeide tot haar: Maria! Zij keerde zich om en zeide tot Hem in het Hebreeuws: Rabboeni, dat wil zeggen: Meester! Jezus zeide tot haar: Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader; maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God”. Jezus bevond Zich tijdens de periode tussen Zijn opstanding en hemelvaart in een soort tussenstadium. De beperkingen van zijn sterfelijke, menselijke lichaam had hij al achter Zich gelaten maar Zijn definitieve bestemming aan de rechterhand van de Vader lag nog voor Hem. Toen Maria van Magdala Hem vastgreep, liep zij vooruit op wat nog komen moest. Maria rekende er ongetwijfeld op Jezus voor de rest van haar leven bij zich te kunnen houden nu Hij weer in levende lijve voor haar stond. Jezus liet echter weten dat Hij iets beters voor haar en de anderen had nadat Hij naar de Vader zou zijn teruggekeerd. Iets wat eeuwig zou blijven. Dat betere was onder andere de belofte van de Trooster die, zo had Hij hen al beloofd, tot in eeuwigheid bij hen zou zijn. En die Trooster kon pas komen nadat Jezus Zijn plaats in het Koninkrijk Gods had ingenomen, zoals we al lazen in Joh. 16:7. Maria moest Hem dus eerst weer laten gaan om Hem daarna, voor eeuwig, als de Trooster weer terug te kunnen krijgen.
In de al aangehaalde tekst uit Joh. 16:13 vinden we: “want Hij zal niet uit Zichzelf
spreken maar al wat Hij hoort zal Hij spreken”. Zoals wij mensen ons lichaam gebruiken om onze gedachten kenbaar
te maken aan anderen zo geeft de Heilige Geest de gedachten van Jezus aan ons door en heeft Hij er zelf niets aan toe
te voegen. Hij is niet de bron maar de doorgever van deze gedachten. Gedachten die oorspronkelijk van de Vader komen.
De bron van alles is en blijft dus God de Vader zodat Jezus in Matth. 24:36 tegenover Zijn
discipelen moest bekennen: “Doch van die dag en van die ure weet niemand, ook de engelen der hemelen niet, ook
de Zoon niet, maar de Vader alleen”. In het Oude Testament was Jezus als Jahweh al de
woordvoerder van de Vader en om die reden wordt Hij door de apostel Johannes in Joh. 1:1-18
genoemd als het Woord Gods dat bij God was en in de wereld kwam. (“In den beginne was het Woord en het Woord was
bij God en het Woord was God”.)
Na Zijn komst in de wereld bad Hij in Johannes 17:8 tot de Vader: “want de woorden,
die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in waarheid erkend, dat Ik van U ben
uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt”. En in Johannes 12:49
brengt Hij het als volgt onder woorden: “Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader, die Mij
heeft gezonden, heeft zelf Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen en spreken moet”.
Ook na Jezus' terugkeer naar de Vader is deze situatie onveranderd gebleven zoals blijkt uit Openbaring 1:1 waar we lezen: “Openbaring van Jezus Christus, welke God (de Vader) Hem
gegeven heeft om Zijn dienstknechten te tonen hetgeen weldra moet geschieden, en welke Hij door de zending van
zijn engel aan Zijn dienstknecht Johannes heeft te kennen gegeven”. God de vader is Diegene die spreekt en Jezus
is Degene die er naar hoort en vervolgens (als het “Woord Gods”) die woorden doorgeeft. Als de Heilige
Geest (de Geest van Jezus, zie verderop) dus zal spreken “al wat Hij hoort” (Joh.
16:13) is dat hetgeen Hij van de Vader heeft gehoord. Daarom vervolgt Jezus met deze woorden in Joh. 16 vers 14-15: “Hij (de Heilige Geest) zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne
nemen en het u verkondigen. Al wat de Vader heeft, is het mijne; daarom zeide Ik: Hij neemt uit het Mijne en zal het u
verkondigen”. De Heilige Geest neemt dus uit het evangelie wat Jezus heeft gehoord en ontvangen van de Vader en
wat Jezus op Zijn beurt weer aan Zijn discipelen doorgaf.
We moeten hierbij ook bedenken dat als Jezus zei in Matth. 28:18: “Mij is gegeven alle
macht in de hemel en op de aarde,” het ondenkbaar is dat Jezus geen enkele bemoeienis zou hebben met de gang van
zaken op deze wereld. Dat kwam ene Saulus te weten toen hij op zijn rooftocht naar Damascus werd onderschept en op zijn
vraag: “Wie zijt Gij Here?” te horen kreeg: “Ik ben Jezus, die gij vervolgt”
(Hand. 9:5). Als Heilige Geest kan Jezus iedere verschijningsvorm aannemen die Hij wil en in
dit geval was dat het felle licht dat voor de ogen van de zondaar Saulus te veel van het goede bleek te zijn, met als
gevolg zijn (tijdelijke) blindheid.
Als Jezus spreekt over “horen” dringt zich de vraag op waarom de Geest van de Vader zou moeten “horen” wat de Vader zelf te zeggen heeft. Dat lijkt nogal overbodig. Het is mijn persoonlijke overtuiging dat als Jezus dit hele geheimenis in een mensentaal begrijpelijk maakte met de begrippen “horen en verkondigen” Hij hiermee eigenlijk de volgorde aangaf, dus vanaf de bron van het evangelie (de Vader) tot aan de hoorders ervan (de mens), met als tussenschakels: Jezus, die het evangelie doorgaf aan Zijn discipelen en na Hem Zijn Heilige Geest, die ditzelfde evangelie nu aan ons doorgeeft.
Als we de bijbel bestuderen blijkt dat de Heilige Geest nooit met een naam wordt genoemd. In het Oude Testament heeft de God van de Israëlieten verschillende namen waaronder: Jahweh en El Shaddai. Jezus heeft behalve Zijn “aardse” naam ook nog de naam: Immanuël, wat betekent: God met ons. Maar waar sprake is van de Heilige Geest wordt Hij nooit met een naam aangeduid. Als Jezus de Heilige Geest aankondigt noemt Hij Hem de Trooster (Joh. 14:15-17). Dit geeft dus Zijn taak aan. Ook het “Geest der waarheid” in Joh. 14:17 geeft aan wat Zijn taak is: het onderwijzen in de waarheid. In Joël 2:23 wordt Hij de leraar ter gerechtigheid genoemd. Ook dit duidt Zijn functie aan. Als de bijbel dus spreekt over Gods Geest dan gaat het over God (zowel de Vader als de Zoon) die Geest is en dat duidt op de Vader en de Zoon in hun verschijningsvorm als Heilige Geest.
Als Jezus zegt in Joh. 10:30: “Ik en de Vader zijn één (van zin en één van streven)” wijst Hij op hun eensgezindheid. Telkens als Jezus spreekt over Zijn innige relatie met God spreekt Hij slechts over de Vader en Hemzelf. Een eventuele derde persoon in die nauwe relatie wordt nergens in de bijbel door Jezus genoemd. Als er inderdaad een derde persoon bij deze “drie-eenheid” betrokken zou zijn geweest, zou Jezus daar ongetwijfeld over gesproken hebben en zou Hij de Heilige Geest als de derde persoon bij deze nauwe relatie hebben betrokken. Wanneer Jezus wel met Zijn discipelen spreekt over de Heilige Geest, terwijl Hij deze als de beloofde Trooster aankondigt, is het onderwerp van gesprek daarentegen: de plaatsvervangende taak van de Trooster en niet Zijn “lidmaatschap” van een drie-eenheid.
Uit reacties is me gebleken dat men uit de manier waarop Jezus spreekt over de Heilige Geest meent te kunnen afleiden dat Jezus wel degelijk over een andere persoon spreekt. Maar er wordt, zo is mijn algemene indruk, nogal eens vergeten dat Jezus de status die Hij voorheen had bij Zijn menswording heeft afgelegd. Hij was dus echt mens en als mens sprak Hij over de Heilige Geest. Waarmee ik wil aanduiden dat de mens Jezus sprak over de God Jezus. Dezelfde God die de Joden in het Oude Testament kenden als Jahweh. Hij liet Zijn discipelen meermalen blijken dat Hij, na Zijn taak op aarde te hebben volbracht, terug zou keren naar Zijn Vader en dat Hij daarmee Zijn menszijn weer zou afleggen. Het gaat dus om het grote verschil tussen Jezus als mens en Zijn status als God. Als de mens Jezus dus sprak over de Heilige Geest sprak Hij over de Geest van Zijn Vader én over Zichzelf, en wel over Zichzelf in Zijn verworven positie na het afleggen van Zijn (tijdelijke) menselijke status.
Ook wordt er op sommige plaatsen in het Nieuwe Testament de indruk gewekt dat de Heilige Geest, omdat Hij Jezus leidde, naast de Vader een zelfstandig handelend persoon is maar feitelijk was er sprake van een nauwe samenwerking en eensgezindheid tussen de Zoon en de Vader. In Johannes 5:19 zegt Jezus zelfs: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de Zoon kan niets doen van Zichzelf, of Hij moet het de Vader zien doen; want wat deze doet, dat doet ook de Zoon evenzo”. Dat laat Hij in andere woorden nog eens blijken in Johannes 8:42: “Jezus zeide tot hen: Indien God uw Vader was, zoudt gij Mij liefhebben, want Ik ben van God uitgegaan en gekomen; want Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden”. Toen Jezus door de Geest naar de woestijn werd geleid om verzocht te worden (Matth. 4:1) was het daarom de Geest van Zijn Vader die Hem daarheen leidde. En met de Geest van de Vader wordt de Vader zelf bedoeld, geen eventuele toegevoegde “plaatsvervanger” zoals de leer van de drie-eenheid feitelijk leert. Jezus richtte in de hof van Gethsémane Zijn gebeden en smeekbeden dan ook rechtstreeks tot de Vader, er was dus geen sprake van de tussenkomst van een derde persoon.
Jezus' woorden in Matthéüs 12:31-32 worden door menigeen aangegrepen om te kunnen verkondigen dat het zondigen tegen de Heilige Geest aanduidt dat Jezus onderscheid maakte tussen Hemzelf, de Vader en de Heilige Geest. Hij zegt daar namelijk: “Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden, maar de lastering van de Geest zal niet vergeven worden. Spreekt iemand een woord tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar spreekt iemand tegen de Heilige Geest, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende”. Los van het gegeven dat deze uitspraak te pas en te onpas is misbruikt om hel en verdoemenis uit te spreken over andersdenkenden meent men hieruit ook op te kunnen maken dat die Heilige Geest kennelijk een speciale positie inneemt in de “drie-eenheid”. Een positie waar niet mee valt te spotten. Wat Jezus echter bedoelde te zeggen is dat ieder mens die aan Gods reddingsplan geen boodschap heeft en Jezus Christus niet als Messias aanvaardt (“wie de Zoon niet heeft, heeft het leven niet”) zich daarmee verzet tegen het werk van de Heilige Geest. In Johannes 16:8 zegt Jezus namelijk over de Heilige Geest: “En als Hij komt, zal Hij de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel”. Wie dit reddingsplan toch aan de kant gooit en zich niet wil laten overtuigen heeft daardoor zichzelf veroordeeld tot de eeuwige dood en heeft zich schuldig gemaakt aan de zonde tegen de Heilige Geest. Een sprekend voorbeeld daarvan komen we tegen in Handelingen 7:51 waar Stefanus de hardnekkige Joden onder handen neemt met de woorden: “Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij verzet u altijd tegen de Heilige Geest; gelijk uw vaderen, zo ook gij”. Het is dus niet zo dat het lasteren van de Heilige Geest slechts bestaat uit wat kwaaie woorden of een verdwaalde scheldpartij, bijvoorbeeld tijdens een depressieve periode waarin er van alles uit wordt gegooid en waarvan we later weer berouw krijgen. Zonde tegen de Heilige Geest is een blijvend verzet tegen het werk van de Heilige Geest en dát maakt vergeving onmogelijk!
De uitspraak van Jezus uit Joh. 14:23, waar Hij spreekt over de Vader en over Zichzelf, wordt bevestigd als we een aantal teksten uit het Nieuwe Testament met elkaar vergelijken. In de eerste vier teksten in de onderstaande opsomming voorspelt Jezus de verdrukkingen die Zijn volgelingen zullen overkomen als gevolg van hun geloof in Jezus. Hij belooft Zijn discipelen dat ze zich echter niet bezorgd moeten maken over de woorden die ze tot verdediging zullen spreken omdat deze woorden hen op dat ogenblik ingegeven zullen worden. Maar als Degene die hen deze woorden ingeeft wordt niet telkens dezelfde persoon genoemd. Voor alle duidelijkheid volgen hier de betreffende tekstgedeelten:
In deze opsomming is 1 Petrus 1:11 een tekst die nog iets meer licht werpt op de vraag wie Jezus werkelijk is. Petrus schrijft daar namelijk: “Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna”. Met deze Geest van Christus werd door Petrus de Geest van God aangeduid en, om in de taal van het Oude Testament te blijven, de Geest van Jahweh.
Tijdens de jaren dat de discipelen met Jezus optrokken en Hem dagelijks hoorden spreken over de dingen van Zijn Koninkrijk zal de Heilige Geest ongetwijfeld meer dan eens ter sprake zijn gekomen. Als we bedenken dat de evangeliën verscheidene jaren na Jezus' hemelvaart zijn geschreven en dus geen letterlijk verslag zijn, is het niet onwaarschijnlijk dat de schrijvers van de evangeliën in de genoemde tekstgedeelten verschillende benamingen hebben gebruikt omdat ze er van op de hoogte waren dat Jezus met de Heilige Geest zowel Zichzelf als de Vader bedoelde (zie Joh. 14:23).
Ook Paulus heeft ons over dit onderwerp een paar uitspraken nagelaten in Rom. 8:9 en Gal. 4:6. In Rom. 8:9 zien we staan: “Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe”. Waarmee hij niet bedoelde te zeggen dat zo iemand voor eeuwig verloren is maar dat hij/zij zonder de Heilige Geest geen inzicht kan hebben in het wezen van het evangelie van Christus. Dit is echt alleen en uitsluitend mogelijk door de inwoning van de Heilige Geest. We zien hier dat Paulus in één adem de Geest Gods en de Geest van Christus noemt. In beide gevallen heeft hij het over de Heilige Geest. En in Galaten 4:6 lezen we: “En, dat gij zonen zijt, God heeft de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader”.
Er kan nog aan toegevoegd worden dat ook in onze tijd kinderen Gods aanwijzingen ontvangen over de aard van de Heilige Geest. Hierbij denk ik aan de bijzonder indringende getuigenis van Bill Wiese, over de gruwelijkheid van het lot van hen die verloren gaan. Op een nacht, in 1998, nadat hij tijdens zijn slaap opeens zijn lichaam verliet en gedurende 23 minuten de hel had ervaren had hij een ontmoeting met Jezus die hem de opdracht gaf om de mensen te vertellen wat de ongelovigen, die het evangelie zeer bewust afwijzen, te wachten staat. Terwijl hij zich vertwijfeld afvroeg of de mensen zijn getuigenis wel zouden willen geloven gaf Jezus hem als antwoord: “Het is niet jouw taak om hun hart te overtuigen, dat is de taak van de Heilige Geest. Het is jouw taak om hen hierover te vertellen en Ik overtuig hun hart”. In een zin sprak Jezus over de Heilige Geest terwijl Hij overduidelijk sprak over Zichzelf. Dat sluit helemaal aan op wat Jezus aan Zijn discipelen vertelde over de Heilige Geest in Johannes 14 en 16. En daarom kan zondermeer gesteld worden dat het complete dogma van de drie-eenheid geen deel is van het evangelie wat Jezus bracht. Hij heeft zelf geen derde God met naam en toenaam genoemd en Hij heeft ons ook niet opgedragen om de Heilige Geest te vereren. De enige Goden die Hij wel heeft genoemd zijn de Vader en Zichzelf.
Samenvattend kunnen we stellen dat alle aandacht die er wordt gevestigd op de drie-eenheid niet overeenkomt met wat Jezus zelf leerde en daarom is dit eens te meer een reden om het hele drie-eenheiddogma af te wijzen. Het leidt de aandacht af van het evangelie van Jezus, van de positie die Jezus van de Vader heeft ontvangen en van het feit dat God Hem ook uitermate heeft verhoogd en Hem de naam boven alle naam heeft geschonken (Filippenzen 2:9). Uiteindelijk is de Heilige Geest gewoon de Geest van Jezus en de Geest van de Vader.
Een voorbeeld van een tekstgedeelte waar al heel wat over te doen is geweest vinden we in Matth.
28:19. Het betreft hier de veel gebruikte “trinitarische” doopformule. Er is aangetoond dat er met
de tekst van dit vers is geknoeid en dat de “doopformule” achteraf is toegevoegd. Het betreft de zinsnede:
“en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes”. Over dit toevoegen verderop
meer. Het probleem waar men mee te maken krijgt zodra men zich waagt aan het wijzigen van tekstgedeelten is dat er
onopgemerkt conflicten kunnen ontstaan met andere plaatsen in diezelfde tekst. Er kunnen dus als gevolg van de
aangebrachte wijziging(en) tegenstrijdigheden ontstaan.
We lezen in Matth. 28:19: “Gaat dan henen, maakt al de volken tot Mijn discipelen en
doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen
heb”. De meest opvallende tegenstrijdigheid die we hier tegenkomen vinden we in vers 19 zelf.
Maar eerst de tegenstrijdigheid met vers 18. In dit voorgaande vers lezen we het volgende: “En Jezus trad
naderbij en sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde”. Zoals in het
voorgaande al is gesteld heeft Jezus van de Vader alle volmacht gekregen om het reddingsplan voor deze wereld uit te
voeren. Dat is precies wat Hij met deze woorden wilde zeggen. Als gevolg daarvan is Jezus de hoogste autoriteit waar
wij direct mee te maken hebben en aan wie wij verantwoording zijn verschuldigd voor al onze woorden en daden. Dit is
dus wat Petrus beleed in Hand. 4:12 tegenover de vijanden van het evangelie van Jezus:
“En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven,
waardoor wij moeten behouden worden”. En deze naam is Jezus Christus. Dat is de Naam waar alles om
draait.
Kijken we nu naar de inhoud van vers 19 zoals die in onze bijbel wordt weergegeven dan worden daar ineens twee namen
aan toegevoegd. Terwijl Jezus in het begin van vers 19 aan Zijn apostelen de opdracht geeft om alle volken tot
Zijn(!) discipelen te maken, krijgen de apostelen vervolgens de opdracht om in de Naam van de Vader
én van de Zoon én van de Heilige Geest te handelen. Dit is een tegenstrijdigheid die nog eens
wordt benadrukt door de uitspraak van Jezus in vers 18: “Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de
aarde”.
Zowel in vers 18 als in vers 19 wordt om die reden de “doopformule” in vers 19 ongeloofwaardig gemaakt. Het
is uitgesloten dat Jezus aan Zijn discipelen zo'n tegenstrijdige en met zichzelf in conflict zijnde opdracht zou hebben
gegeven.
Daar komt nog bij dat Matth. 28:19 de enige plaats in de bijbel is waar deze formule wordt
genoemd. Op alle andere plaatsen waar sprake is van het handelen in naam van de hoogste autoriteit wordt de Naam van
Jezus genoemd. Ook in de andere drie evangeliën wordt in de zendingsopdracht aan de apostelen van deze formule
geen melding gemaakt.
Het is in dit verband zinvol om de al aangehaalde uitspraak van Petrus in Hand. 4:12 nog
eens onder de aandacht te brengen. Kort daarvoor hadden de apostelen de Heilige Geest ontvangen en wat Petrus beleed in
deze uitspraak zei hij daarom gedreven door de Heilige Geest. Hier gebeurde precies wat Jezus over de Heilige Geest had
voorzegd in Joh. 16:14: “Hij zal Mij verheerlijken want Hij zal het uit het Mijne
nemen en het u verkondigen”. Gedreven door die Heilige Geest beleed Petrus daarom dat er buiten Jezus Christus
geen andere naam was aan wie wij ons behoud hebben te danken. De Heilige Geest liet Petrus bekend maken dat
alleen Jezus Christus die Naam draagt, dus niet de Heilige Geest, niet God de Vader en niet een
“goddelijke drie-eenheid”. Met deze uitspraak verheerlijkte de Heilige Geest Jezus Christus. Een schril
contrast hiermee vormt de rammelende “doopformule” in Matth. 28:19.
De echte doopformule zoals die door Petrus werd gebruikt vinden we in Hand. 2:38, dat was dus
vrij kort nadat de apostelen van Jezus de zendingsopdracht hadden ontvangen. We lezen daar: “En Petrus antwoordde
hun: Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en
gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen”. Ook hier was Petrus vervuld van de Heilige Geest en ook hier
liet de Heilige Geest Petrus zeggen met welke Naam wij werkelijk rekening hebben te houden.
Kijken we nu naar de bewijzen voor het toevoegen van de “doopformule” in vers 19 dan wordt duidelijk dat
in de eerste periode na Jezus' zendingsopdracht waarin de boeken van het Nieuwe Testament werden geschreven de tekst
van Matth. 28:19 in de toen in omloop zijnde kopieën van het boek Matthéüs
zonder de “doopformule” voorkwam.
In de geschriften van de kerkhistoricus Eusebius (260-340), die behoorlijk wat schrijfwerk op zijn naam heeft staan,
waaronder dat betreffende de kerkgeschiedenis van de eerste eeuwen, komen diverse citaten voor uit de toenmalig bekende
geschriften zoals die van Flavius Josephus, de Joodse geschiedschrijver. Ook uit de brieven van de apostelen en uit de
evangeliën haalt hij diverse tekstgedeelten aan. Deze Eusebius had toegang tot de grootste Christelijke
bibliotheek van zijn tijd die zich bevond in Caesarea en waar zeer waarschijnlijk alle nieuwtestamentische geschriften
aanwezig waren. Gebrek aan informatie had hij dus bepaald niet.
Een overzicht van de feiten:
Opgemerkt moet worden dat bij het bestuderen van de studies die over dit onderwerp zijn gemaakt er enige kleine afwijkingen van de hier genoemde aantallen opduiken maar die doen niets af aan het overtuigende bewijs dat we hier wel degelijk te maken hebben met schriftvervalsing door het aanpassen van de oorspronkelijke tekst aan de “kerkelijke leer”.
Als we de kerkgeschiedenis in duiken halen we daar op diverse plaatsen beweringen boven water die eeuwenlang het kerkvolk van de wieg tot aan het graf hebben begeleid. En dat zowel voor als na de reformatie.
We komen dan onder andere de geloofsbelijdenis van Athanasius tegen. Over de herkomst ervan schijnt nogal
onduidelijkheid te bestaan maar dat is bijzaak. Belangrijker is dat deze “belijdenis” al vele generaties op
een dwaalspoor heeft gezet. Om hier niet al te ver over uit te hoeven weiden heb ik er een opvallend detail uit
opgevist. Het betreft de volgende stelling: “Wie dus behouden wil worden, moet wat betreft de
drie-eenheid deze overtuiging hebben” waarmee, vrij vertaald, bedoeld werd dat de gewone sterveling het
niet hoeft te wagen om de leer van de drie-eenheid in twijfel te trekken want anders.... zijn hel en verdoemenis
zijn deel. Is dit een dreigement of is dit intimidatie? Het opvallende hieraan is dat er een heidense erfenis (zie het
voorgaande) wordt gebruikt om de argeloze kerkganger het mes op de keel te kunnen zetten door zijn ziel en zaligheid
“ter discussie te stellen” zodra die arme drommel het waagt om het gelijk van de religieuze beleidsmakers
in twijfel te trekken.
Om het nog eens extra te benadrukken wordt eveneens gesteld: “Dit is het algemeen geloof. Wie dit niet oprecht en
standvastig gelooft, zal niet behouden kunnen worden”. Waarmee gezegd zou kunnen zijn: “En als de Roomse
inquisitie je dan niet te grazen heeft kunnen nemen dan krijgen wij je wel op de knieën!!!”
Nog zo'n stukje orakeltaal: “Het algemeen geloof nu is dit, dat wij de ene God in de Drieheid en de Drieheid in
de Eenheid vereren”. Dus ook al zijn we niet in staat om te begrijpen wat hier nou precies mee wordt bedoeld, we
doen er toch maar beter aan om deze kolder voor zoete koek te slikken, willen we onze zaligheid niet op het spel
zetten...
Wat me keer op keer weer kan verbazen is dat er in de bijbel op diverse plaatsen op nogal wat vragen antwoorden zijn
te vinden die door het misleide kerkvolk en zijn geestelijke leiders totaal worden genegeerd. En zodra men de waarheid
van het evangelie aan de kant schuift moet het ontstane gat vervolgens opgevuld worden met één of meerdere
leugens. In de geloofsbelijdenis van Athanasius vinden we daar onder andere het volgende voorbeeld van: “En in
deze drie-eenheid is geen sprake van eerder of later, noch van meer of minder, maar alle drie Personen zijn
aan elkaar gelijk in eeuwigheid en in hoedanigheid”.
In Joh. 14:28 zegt Jezus daarentegen: “Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb; Ik ga
heen en kom tot u. Indien gij Mij liefhadt, zoudt gij u verblijd hebben, omdat Ik tot de Vader ga, want de Vader is
meer dan Ik”. Jezus geeft hiermee duidelijk aan dat de Vader een hogere status heeft dan de Zoon.
Nu is het te verwachten dat men, om de eigen overlevering toch aannemelijk te maken, hier tegenover stelt dat Jezus
slechts sprak over Zijn mens-zijn en in die hoedanigheid moest erkennen dat God de Vader Zijn meerdere is. En
inderdaad, ook dat lezen we over Jezus in de geloofsbelijdenis van Athanasius: “gelijk aan de Vader naar zijn
goddelijke natuur, minder dan de Vader naar zijn menselijke natuur”. Jezus' uitspraak in Joh. 14:28 zou volgens deze logica dus gezien moeten worden alsof de mens Jezus spreekt over
God (de Vader) die groter is. Echter, de apostel Johannes schrijft in Joh. 1:18:
“Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen
kennen”. Hier wordt gemeld dat God de vader nooit door mensen is gezien. Dat is met Jezus, door Zijn menswording,
wel het geval. De onzichtbare Vader die in een ontoegankelijk licht woont (1 Tim.
6:13-16) is aan de mensen bekend gemaakt door de Zoon die Zich, in tegenstelling tot de Vader, onder de mensen
begaf. Jezus was dus naar Zijn goddelijke natuur niet onzichtbaar of voor de mens ontoegankelijk. Alleen al het feit
dat Hij mens werd terwijl de grote God en Vader in een ontoegankelijk licht woont geeft een niet te ontkennen verschil
aan tussen de goddelijke status van de Vader en die van de Zoon. Het ligt voor de hand dat Jezus, die zich in de
allereerste plaats bezighield met de dingen die boven zijn, hierover sprak in Joh. 14:28 en
niet over Zijn positie als de mens Jezus Christus.
Als er in de geloofsbelijdenis van Athanasius dus glashard wordt verkondigd dat er geen sprake is van: meer of
minder en dat alle drie Personen aan elkaar gelijk zijn in eeuwigheid en in hoedanigheid, wordt aan Jezus'
uitspraak voorbij gegaan en wordt de boodschap die Hij over wilde brengen compleet genegeerd.
In de Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 8 wordt ons op het hart gedrukt: “de Heilige Geest is de eeuwige
kracht en macht, die uitgaat van de Vader en van de Zoon. Uit dit onderscheid volgt echter niet dat God in drieën
gedeeld is. Want de Heilige Schrift leert ons dat de Vader en de Zoon en de Heilige Geest wel ieder hun eigen
zelfstandigheid hebben, onderscheiden door haar eigenschappen, maar toch zo, dat deze drie Personen slechts
één God zijn”.
Weer zo'n stukje orakeltaal. Let op de woorden: “maar toch zo”. Hoe zo? Zijn het er nou drie of toch
één?
Met zo'n schemerige en ongrijpbare definitie blijft het wezen van God zeker in nevelen gehuld. Wie de bijbel met zijn
hart leest en verlicht wordt door de inwoning van de Heilige Geest weet dat het één God zijn waar de bijbel
over spreekt betekent: “God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis”. Dat houdt in dat in Hem
licht en duisternis, recht en onrecht, goed en kwaad, waarheid en leugen niet samengaan. Daaruit kunnen we afleiden dat
Hij een ondeelbare eenheid is, of anders gezegd: een ondeelbare persoonlijkheid. Zonder tegenstrijdigheden. Als er in
Hebr. 1:3 staat dat Jezus de afdruk van Gods wezen is betekent dit dat Jezus in alles op God
de Vader lijkt zoals Hij getuigde tegen Filippus: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien”
(Joh. 14:9). Daarom kon Jezus van zichzelf zeggen: “Ik en de Vader zijn
één” (Joh. 10:30). Ze hebben dezelfde persoonlijkheid, hetzelfde karakter,
dezelfde aard. Ze zijn één van zin en één van streven en hebben hetzelfde doel voor ogen, dus ook
daarin zijn ze één. Maar ze zijn wel twee personen. Waarbij de één (de Vader) liet weten:
“Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik Mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!” En dan zijn
allerlei ongrijpbare constructies om een rammelende drie-eenheid in elkaar te kunnen sleutelen, waarin Jezus
Christus slechts een deel van het geheel is, niets anders dan opstandigheid tegenover dit gebod van de Vader. Met als
gevolg dat hetgeen de Zoon te zeggen heeft ondergesneeuwd raakt en plaats moet maken voor een verering van een
schimmige drie-eenheid die in wezen de afstand tussen God en mensen alleen maar groter maakt.
Dan komen we nog zo'n onbijbelse bewering tegen in artikel 8 van de Nederlandse geloofsbelijdenis: “De Vader is nooit zonder de Zoon en nooit zonder zijn Heilige Geest geweest, want Zij zijn alle drie even eeuwig in eenzelfde wezen. Er is geen eerste of laatste, want Zij zijn alle drie één in waarheid, in macht, in goedheid en barmhartigheid”. In de cursief geplaatste zin wordt met zoveel woorden gesteld dat er geen onderscheid is tussen de Vader en de Zoon. Eenzelfde bewering kwamen we in de geloofsbelijdenis van Athanasius ook al tegen en als antwoord daarop volgt ook hier Jezus' uitspraak uit Johannes 14:28: “Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb; Ik ga heen en kom tot u. Indien gij Mij liefhadt, zoudt gij u verblijd hebben, omdat Ik tot de Vader ga, want de Vader is meer dan Ik”.
De zojuist aangehaalde leerstellingen zijn in een grijs verleden door toedoen van “vrome” leergeesten in
de strijd geworpen maar in onze moderne tijd kunnen ze er ook wat van. En nog een beetje meer dan dat zelfs. Volgens de
bekende Amerikaanse “evangelist” Benny Hinn is de Heilige Geest een persoon met wie je kunt praten, met wie
je zelfs samen een wandeling zou kunnen maken. En hij staat met zijn visie niet alleen. Een Koreaanse voorganger met de
naam Paul Yongghi Cho beweerde hetzelfde. Voor alle duidelijkheid: wat deze heren beweren is geen beschrijving van een
geestelijke levenswandel waarbij de omgang met Gods Geest het doen en laten van de mens beïnvloedt, maar een puur
natuurlijke voorstelling van zaken waarin de Heilige Geest wordt voorgesteld als een mens van vlees en bloed. Met een
onbijbelse bewering als deze wordt de aandacht juist afgeleid van de werkelijke (geestelijke) boodschap van het
evangelie. En daar is het de duivel nu precies om te doen!
In de samenkomsten van Benny Hinn kan het gebeuren dat hij door met zijn jasje te zwaaien mensen laat neervallen
“in de kracht van de Geest”. Volgens een aantal mensen die hem van nabij hebben gevolgd en hem persoonlijk
kennen is wat hij laat zien in zijn samenkomsten niet veel anders dan hypnose. Niet bepaald onwaarschijnlijk. Hij
blijkt namelijk geregeld het graf te bezoeken van ene Kathryn Kuhlman (1907-1976), die destijds ook een spectaculaire
“genezingsbediening” had. Het bezoeken van haar graf doet hij met de bedoeling weer een nieuwe
“zalving” te ontvangen. Volgens een aantal beter ingelichte christenen die zijn gaan en staan al jaren
hebben gevolgd heeft dit allemaal verdacht veel weg van het contact zoeken met de doden.... En dáárover
vinden we in de bijbel heel duidelijke taal. In Lucas 24:5 bijvoorbeeld kregen de vrouwen die
Jezus vergeefs zochten in Zijn lege graf van de engelen deze raad: “Wat zoekt gij de levende bij de
doden?” De opgestane Jezus die van Zichzelf kon zeggen: “Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de
aarde” bevindt Zich niet in een graf, niet bij een graf, niet naast een graf en niet op een graf maar aan de
rechterhand van de Vader. Voor een nieuwe zalving zullen we in Geest en in waarheid Zijn aangezicht moeten zoeken. Als
Benny Hinn zijn “zalving” dan toch bij het graf van een dode Kathryn Kuhlman denkt te moeten vinden heeft
de goede raad van de engelen bij het lege graf van Jezus op hem geen indruk kunnen maken. En dat is een kwalijke zaak.
Letten we dan ook nog eens op de geldinzamelingsactiviteiten (geldklopperijen!!) waarmee zijn wel erg dure levensstijl in stand wordt gehouden dan is het verbijsterend
dat er desondanks telkens weer drommen mensen zijn die zich door deze en dergelijke misleiders laten betoveren.
Dat Benny Hinn zelf ook betoverd is bleek weer eens toen ik vernam dat hij vanwege de dood van paus Johannes Paulus II via zijn contacten in het Vaticaan een uitnodiging had ontvangen om een speciale mis bij te wonen in de Sint Pieter basiliek ter ere van de overleden paus. Slechts enkele meters van de opgebaarde paus staande nam hij zodoende deel aan deze mis, samen met de naaste medewerkers van deze paus. Tijdens een interview met Hinn op CNN kwam terloops nog even ter sprake dat hij ooit tweemaal een ontmoeting met de paus heeft gehad, in 1987 en in 1995. Als iemand bij de paus op audiëntie mag verschijnen, en dat ook nog eens ondanks het feit dat deze persoon een “protestants” evangelist van naam is, dan begeeft deze persoon zich op het terrein van de vijanden van het evangelie en dat is in dit geval alleen mogelijk als hij er zelf deel van uit maakt en de Roomse zaak goede diensten heeft bewezen. Het is bovendien zo dat wie bij de paus op audiëntie mag verschijnen een verplichte buiging moet maken waarmee de status van de paus wordt erkend als zijnde de vertegenwoordiger van Jezus Christus op aarde. De enige echte vertegenwoordiger van Jezus is echter de gemeente van Jezus Christus. Dat gaat beslist niet op voor het hoofd van een occult en anti-christelijk instituut, wat het Vaticaan in feite is. Wie dus zo'n buiging maakt pleegt daarmee verraad aan het evangelie van Jezus. Als tegenprestatie ontvangt deze persoon een speciale zegen van de paus. Een “zegen” die, volgens de Roomse wetten, door de paus alleen mag worden gegeven aan personen die de paus daadwerkelijk erkennen als de plaatsvervanger van Christus.
Het moge duidelijk zijn dat de banden tussen Hinn en het Vaticaan behoorlijk “close” zijn, waarmee is aangetoond dat zijn bezigheden als “evangelist” de goedkeuring hebben van dit door en door occulte instituut in Rome en dat zegt genoeg. Dat de waardering wederzijds is bleek vervolgens uit het antwoord van Benny Hinn op een vraag naar de invloed van de overleden paus op het christendom in zijn algemeenheid. Zijn overtuiging was “dat de overleden paus werd geleid door een liefde voor Jezus Christus en dat zijn nalatenschap zal worden gekenmerkt door een intense passie voor evangelisatie”. Van die zogenaamde liefde van deze paus voor Jezus Christus hoeven we ons echter niet al te veel voor te stellen omdat die totaal was ondergesneeuwd door zijn fanatieke en afgodische Mariaverering (= Semiramis!!). Terwijl de “evangelisatie” van deze paus in werkelijkheid grotendeels bestond uit zijn inspanningen om met de andere wereldreligies tot een eenheid te komen. Om die eenheid te bereiken bleek deze paus er in juli 1980 ook geen probleem mee te hebben dat bijvoorbeeld Afrikaanse, occulte Voodoo praktijken in de Roomse kerk werden toegelaten, zolang ze maar konden worden gebruikt om het “evangelie” te verkondigen. Als dit de evangelisatie is waar deze paus volgens meneer Hinn zo'n passie voor had dan heeft deze handlanger van Rome met zijn mening en zijn goedkeuring bewezen zelf ook een occultist te zijn!! Het leven van de overleden paus heeft dus hoofdzakelijk in dienst gestaan van het bedrog van een éénwereldreligie. Een heidense religie waarbinnen voor het evangelie van Jezus geen plaats zal zijn.
Dat meneer Hinn door zijn uitspraken en ontmoetingen laat blijken zich desondanks met de overtuigingen van de overleden paus verbonden te voelen, laat zien dat hij zelf ook deel uitmaakt van deze heidense kliek. En dat daarom zijn wilde fantasieën over het wezen van de Heilige Geest gezien moeten worden als een onderdeel van de Roomse inspanningen om het protestantse/evangelische kamp op een dwaalspoor te brengen.
Ditzelfde was eveneens het geval met de al genoemde Kathryn Kuhlman die op zeer goede voet stond met het Vaticaan, hét bolwerk van het religieus getinte anti-evangelie, en die zelf ook haar onderonsjes met de paus heeft gekend. Ze was een Roomse infiltrant in de evangelische en pinkstergemeenten en werd door een insider ooit beschreven als een meesteres in hypnose, met grote occulte krachten. Tijdens haar genezingscampagnes gingen de mensen door haar handoplegging massaal tegen de vlakte terwijl haar “evangelie” grotendeels neerkwam op de boodschap dat er met de Roomse kerk niets mis was. Zodat de christenheid er volgens haar dus maar goed aan zou doen om met de Roomse kerk tot een eenheid te komen, een “eenheid” waarover in het voorgaande al het nodige is gezegd. Ze wordt daarom ook wel beschreven als een van de grote leidsters van de Charismatische beweging. Dat is een beweging die zich uitsluitend voortbeweegt richting de Roomse afgrond en door de Roomse strategen speciaal is bedoeld om de Pinksterbeweging in hun macht te krijgen. Het is dan ook niet zo vreemd dat Benny Hinn zijn occulte zalving zoekt bij het graf van deze occulte tante en dat ook in zijn campagnes massaal de vloer wordt aangeveegd met al die mensen die onder deze “zalving” tegen de grond slaan. Kennelijk is dit verschijnsel in de loop der jaren bij zovelen in de smaak gevallen dat men het in de vorm van een Toronto blessing nog eens dunnetjes over dacht te moeten doen.... En zo zijn er meer bekende namen in het evangelische circuit die doorgaan voor rechtzinnig maar achter de schermen nauwe banden onderhouden met de lange arm van het Vaticaan, zoals bijvoorbeeld:
Want dit gaat ook op voor “de bekende en zo geliefde Billy Graham” (wat stond te lezen op de
cover van één van zijn boeken) die, zo blijkt, jarenlang een regelmatige gast van de paus was. Daar zullen
verscheidene buigingen aan vooraf zijn gegaan.... Nu is het dus zo dat alleen personen die het Vaticaan goede diensten
hebben bewezen bij de paus mogen aankloppen. Dit feit komt opvallend genoeg overeen met Billy's jarenlange sympathie
voor het Vaticaan. Ik heb er voor de zekerheid maar eens een boek van Billy Graham uit het jaar 1970 bij gepakt en
helemaal doorgespit en waarachtig, diverse keren kwam ik uitspraken tegen die de paus wel boven zijn bed zou durven
hangen. Als we dan ook nog eens bedenken dat het woord Vaticaan is afgeleid van “Vaticanus” wat betekent:
“heuvel (of huis) van de waarzeggerij” dan moeten we ons realiseren dat niemand(!) zomaar
vrijblijvend dit heidense bolwerk kan betreden.
Dan wil ik nog iets kwijt in verband met wat ik las op de cover van één van Billy Graham's boeken en daarmee
bedoel ik de zin: “de bekende en zo geliefde Billy Graham”. Een dergelijke formulering doet
mij onwillekeurig denken aan de woorden van Jezus uit
Lucas 6:26: “Wee u, wanneer alle mensen wel van u spreken; immers, op dezelfde
wijze hebben hun vaderen met de valse profeten gehandeld!” Hoe men dat in onze tijd aanpakt laat de foto
links zien. Daarop zien we de naam van deze verdacht populaire evangelist “vereeuwigd” op