![]() |
Inleiding.
Met de uiteenzetting op deze pagina beoog ik duidelijk te maken waarom de leer van de alverzoening een
ondermijning is van het evangelie van Jezus Christus. Deze leer is één van de vele leringen
die de waarheid en de boodschap van Jezus' evangelie geweld aandoen en het is gelijktijdig ook een masker
dat dient om de ware aard en bedoeling van deze leer te verbergen. Uit ondervinding weet ik dat de fanatieke
aanhangers van de alverzoening voor geen enkele reden vatbaar zijn. Ik verwacht dan ook niet dat ik hen
met de inhoud van deze pagina tot andere gedachten kan brengen, wat ik overigens niet bij voorbaat uitsluit,
maar mijn hoop is in ieder geval wel dat het bij de twijfelaars de ogen mag openen. Een discussie zal
ik er desondanks niet aan wijden. Wat mijn bevindingen zijn staat hieronder duidelijk weergegeven en
als men zich daar niet in kan vinden is mijn advies: zoek je heil in dat geval ergens anders. Het Internet
is groot genoeg.
Op een forum van één van de alverzoeningsgoeroe's kwam ik (als een reactie op deze pagina)
de volgende opmerking tegen: “nou ja 'studie'... de link die je doorgeeft lijkt meer een uitzinnige
tirade. Veel geschreeuw, weinig (lees: geen) wol”. Men zou hieruit (met een beetje fantasie uiteraard)
kunnen afleiden dat ik tijdens het schrijven van deze pagina toch wel minstens drie computers door het
raam heb gesmeten. Afgezien van het feit dat ik er, wat mijn lichamelijke kracht betreft, wel minstens
tien tegelijk door het raam zou kunnen gooien lijkt een dergelijke manier van teksten schrijven me toch
niet de meest zinvolle. Ik bedoel er maar mee te zeggen dat ik me absoluut niet druk kan maken om al
die alverzoenertjes en dat hun manier van religie bedrijven voor honderd procent hun eigen keuze is.
Het onderstaande is dan ook geen tirade maar een oprechte poging om het evangelie van Jezus recht
te doen. Dat dit hier en daar in de vorm van redelijk gespierde taal gebeurt komt wellicht door het
inspirerende voorbeeld dat Jezus zelf gaf in bijvoorbeeld Matth. 23. Wie voor
zichzelf desondanks een ander evangelie in elkaar gespijkerd blijkt te hebben neemt, zoals al gezegd,
dan maar zijn toevlucht tot de rest van het Internet. De zojuist geciteerde opmerking over die “tirade”
heeft trouwens wel als consequentie dat wie een dergelijke modderspuit hanteert achteraf goed zijn handen
moet (laten) wassen. En wellicht zijn hart ook.....
Om het allemaal direct maar in het juiste perspectief te plaatsen heb ik hieronder twee teksten geplaatst die elk op zich een wereld vertegenwoordigen. En daartussen zit een wereld van verschil. Zolang men zich bevindt in de wereld van de tweede tekst is men totaal overgeleverd aan datgene waar de apostel Paulus al voor waarschuwde in 1 Timótheüs 4:1: “Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen”. Deze leringen van boze geesten zijn er in vele soorten en maten. Dat er zovele dwaalleringen zijn is bepaald niet zo verbazingwekkend. Het zal de duivel namelijk een rotzorg zijn met wat voor vrome leer dan ook hij de mens in zijn greep kan houden. Zolang het maar een leugen is. De twee bedoelde teksten zijn:
In de eerste tekst belooft Jezus Zijn discipelen de Trooster, de Heilige Geest. Voor Zijn hemelvaart
gaf Hij hen de opdracht om in Jeruzalem te blijven wachten totdat ze deze Heilige Geest zouden ontvangen
(Luc. 24:49). Hier kunnen we uit opmaken dat het zonder deze Heilige Geest voor
hen niet mogelijk was om aan Jezus' zendingsopdracht te gehoorzamen. Het ontvangen van de Heilige Geest
was en is een absolute noodzaak. En juist deze noodzaak is eeuwenlang door de “Christenheid”
verwaarloosd. Of men geloofde dat een kind van God deze Heilige Geest ontvangt bij zijn bekering als
onderdeel van een soort “standaardpakket”. Als we de woorden van Jezus lezen in de vier evangeliën
of de uitwerking ervan in de Handelingen der apostelen dan kan een objectieve lezer zich zeker niet aan
de indruk onttrekken dat er toch echt sprake is van een speciale doop in de Heilige Geest. In Hand.
19:2 lezen we de vraag van Paulus aan de discipelen in Efeze: “Hebben jullie de Heilige
Geest ontvangen toen jullie tot het geloof kwamen?” Het antwoord is opmerkelijk: “Wij hebben
zelfs niet gehoord dat er een Heilige Geest is”. Hoeveel kinderen Gods zouden er nu zijn, twintig
eeuwen later, die iets dergelijks zouden moeten erkennen? Ook in Hand. 8:14-17
lezen we over een dergelijke situatie: “Toen nu de apostelen te Jeruzalem hoorden, dat Samaria
het woord Gods had aanvaard, zonden zij tot hen Petrus en Johannes, die, daar aangekomen, voor hen baden,
dat zij de Heilige Geest mochten ontvangen. Want deze was nog over niemand van hen gekomen, maar zij
waren alleen gedoopt in de naam van de Here Jezus. Toen legden zij hun de handen op en zij ontvingen
de Heilige Geest”.
Deze doop is slechts het begin van een relatie met Jezus zoals blijkt uit de boven aan deze pagina al
aangehaalde tekst uit Joh. 16:12-15. Deze doop hoort te volgen op de wedergeboorte.
Christenen die er steeds weer op wijzen dat ze wel degelijk wedergeboren zijn moeten echter beseffen
dat (weder)geboren zijn geen “garantiebewijs” of een “diploma” is maar slechts(!)
het begin van een langdurig en moeizaam groeiproces. Toen wij als pasgeborene in deze wereld kwamen was
dat met de bedoeling om volwassen te worden en niet om kind te blijven. Voor een kind van God geldt hetzelfde,
daarom sprak Jezus ook over een wedergeboorte omdat ook op die geboorte een groeiproces hoort
te volgen. In Joh. 3:3 zegt Jezus tegen Nicodemus: “Voorwaar, voorwaar,
Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het koninkrijk Gods niet zien”. Wat Jezus
hier antwoordt aan Nicodemus heeft niet in de eerste plaats te maken met behouden zijn of niet behouden
zijn maar met het leren kennen van Jezus zoals Hij in werkelijkheid is en met het leren verstaan waar
Zijn evangelie werkelijk over gaat. Dat evangelie beperkt zich namelijk niet tot de behoudenis, de eeuwige
bestemming van de mens, maar het leert ons ook dat Jezus hier en nu een leven van ons verwacht waarin
onze relatie met Hem centraal staat. Al het andere in ons leven hoort daaraan ondergeschikt te zijn.
Iedere leer die hier geen aandacht aan schenkt is een lering van boze geesten. De omgang van een
kind van God met de Heilige Geest staat of valt met de oprechtheid waarmee hij/zij met de aanwijzingen
van de Heilige Geest omgaat. Zelfs al heeft iemand deze Geest ontvangen dan is het nog mogelijk dat hij
die omgang verwaarloost waardoor hij/zij uiteindelijk weer gerekend moet worden tot die mensen waarop
1 Cor. 2:14 doelt (zie hierboven). Eenmaal in die situatie terechtgekomen is
de mens overgeleverd aan de leringen van de boze geesten. Één van die leringen is de leer van
de alverzoening.
Terugkijkend op de geschiedenis van het Christendom moeten we vaststellen dat deze doop in de Heilige Geest is verwaarloosd met als resultaat dat er vele kinderen Gods rondlopen die we onder de tweede tekst bovenaan deze pagina (1 Cor. 2:14) kunnen rekenen. Met als gevolg dat de grote tegenstander alle gelegenheid heeft gekregen om zijn sluwe leugens te verspreiden onder Gods kinderen. Iemand die geen echte omgang heeft met Gods Geest is weerloos tegenover deze listen en is bovendien makkelijk te gebruiken door de boze leergeesten om satan's leugens verder te verspreiden. Waarmee niet is gezegd dat wie zoiets doet voor eeuwig verloren is maar wel dat hij/zij blind is voor de verleugeningen die dagelijks op ons af stormen.
Één van deze leugens is de leer die ons onder de naam “alverzoening” wil doen
geloven dat liefde blind maakt waardoor de Vader in Zijn grote liefde een generaal pardon zou hebben
afgekondigd voor ieder levend wezen dat Hem heeft afgewezen. Deze leer maakt misbruik van de angst van
de mens voor een eindeloze straf waarin, volgens de uitverkiezingsleer, ook diegenen terecht zullen komen
die door God niet gewenst zijn. Ook zij die nooit een eerlijke kans gekregen hebben om een keuze voor
hun schepper te maken. Denken we daarbij alleen al aan de vele miljoenen kinderen die sinds het begin
der mensheid voor of niet lang na hun geboorte al het leven lieten en aan de vele mensen die nooit het
evangelie van Jezus hebben gehoord omdat niemand hun dit wilde vertellen, en zouden al dezen uitgesloten
worden van het komende heil dan
blijft er van de hele mensheid inderdaad uiteindelijk maar een klein deel over.
Een klein deel van de mensheid dat de eindeloze straf zal ontlopen. Zou dit inderdaad het geval zijn
dan wekt dit besef de indruk alsof wij mensen rechtvaardiger zouden zijn dan God zelf. Onder andere zij
die gebukt gaan onder het juk van deze satanische uitverkiezingsleer zijn vanwege deze onterechte
angsten ontvankelijk voor de leer van de alverzoening.
De bedoeling van deze geraffineerde leugenleer is echter: de heiligheid van God aan te tasten en de ernst van onze zonden en onze eigen verantwoordelijkheid te verdoezelen. Om op die manier God voor te stellen als een god die naar willekeur doet wat Hem het beste uitkomt. Die om die reden zowel het goede als het kwade in deze schepping heeft gebracht. Met de bedoeling om dit kwade om te kunnen buigen naar het goede. Zodat dankzij zwart, wit beter opvalt. Waar het de bedenkers van de alverzoening ook om is te doen, is de noodzaak van bekering weg te redeneren terwijl de bijbel over de noodzaak daarvan geen twijfel laat bestaan. De naam “alverzoening” is daarom ook niet meer dan een vroom masker waar zich een monster achter schuil houdt. Een monster dat de opdracht heeft gekregen om mensen op een dwaalspoor te brengen en te verleiden tot een leer die wel het vrome vlees streelt maar Jezus' opdracht tot levensheiliging verloochent. In 1 Joh. 4:3 wordt dit monster met naam en toenaam genoemd: de geest van de antichrist. Johannes voegt er dan nog aan toe: “....en hij is nu reeds in de wereld”. Wel, twintig eeuwen kerkgeschiedenis hebben dit alleen maar bevestigd. In Openbaring 13 wordt ditzelfde monster door Johannes “het beest uit de zee” genoemd.
Een belangrijke pijler waar dit verwarrende gedachtespinsel op rust is het gebruik van de term “aionen” (tijdperken) waar een hele theorie aan wordt opgehangen, die men vervolgens meent te kunnen bewijzen door het verwijzen naar de grondtekst van de bijbel, waarmee zou zijn aan te tonen dat de eindeloze straf van Jezus' vijanden niet eindeloos is. Deze aionen komen verderop nog ter sprake. Hun probleem is echter dat diezelfde bijbel op verschillende plaatsen bewijst dat de theorie van de aionen vol tegenstrijdige beweringen zit. De misleiding begint al bij het begrip “dood” zoals we dat vinden in Genesis 2:17: “Want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven”. Hieraan wordt verderop meer aandacht besteed.
Het is ook opvallend dat in de alverzoeningsleer vrijwel geen aandacht wordt geschonken aan wat Jezus Zijn discipelen leerde. In plaats daarvan worden een aantal uitspraken van Paulus gebruikt en uit hun verband gehaald om daar vervolgens een hele leer aan op te hangen. Er wordt vrijwel uitsluitend gehamerd op de behoudenis van de mens terwijl de zonde wordt weggepoetst, ondanks dat dezelfde Paulus in 2 Tim. 2:19 schrijft: “Een ieder, die de Naam des Heren noemt, breke met de ongerechtigheid”. Wat betekent dat Jezus meer van ons verwacht dan dat we ons alleen maar verschrikkelijk druk lopen te maken over ons behoud. Dat laatste dan in de geest van: als mijn behoudenis maar geregeld is, dan zal de rest van het evangelie mij verder een zorg zijn!
Nog zoiets waar de alverzoeningsleer ons in wil doen geloven is: een louteringsproces waarin de ongelovigen gereinigd zouden moeten worden van hun zonden. Het bewijs hiervoor zou in Marcus 9:47-49 te vinden zijn. Daar zegt Jezus: “En indien uw oog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit. Het is beter, dat gij met een oog het Koninkrijk Gods binnengaat, dan dat gij met twee ogen in de hel geworpen wordt, waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust. Want een ieder zal met vuur gezouten worden”.
Het met vuur gezouten worden is echter een beeld wat Jezus ontleende aan wat we in Leviticus 2:13 kunnen lezen. Daar staat namelijk: “En elke offergave van uw spijsoffer zult gij zouten, gij zult het zout van het verbond uws Gods aan uw spijsoffer niet laten ontbreken; bij al uw offergaven zult gij zout voegen”. Het volk Israël gebruikte daarvoor uiteraard echt zout maar het zout waar Jezus over spreekt in Marcus 9:49 is het vuur van beproeving en vervolging dat de discipel van Jezus ondergaat tijdens dit leven. Dat is namelijk het nieuwtestamentische offer van gehoorzaamheid zoals ook Jezus zelf dat bracht, tot en met Zijn lijden en sterven op Golgotha. Over dit lijden vanwege het geloof in Christus is het evangelie van Jezus duidelijk genoeg, bijvoorbeeld in Johannes 15:20: “Gedenkt het woord, dat Ik tot u gesproken heb: Een slaaf staat niet boven zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren”. En in Lucas 12:49-51 zegt Jezus: “Vuur ben Ik komen werpen op de aarde en wat is mijn wil, als het reeds ontstoken is? Ik moet gedoopt worden met een doop, en hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is. Meent gij, dat Ik gekomen ben om vrede op aarde te brengen? Neen, zeg Ik u, veeleer verdeeldheid”. Jezus geeft hier aan dat ook Hijzelf deze vuurdoop moest ondergaan, inclusief Gethsémane en Golgotha. Bovendien laat het woord verdeeldheid al zien dat de scheiding tussen de goeden en de kwaden hier op aarde al plaats vindt. Hun eeuwig lot wordt hier beslist en deze scheiding zal daarna niet meer worden opgeheven.
Ook de apostel Petrus schrijft over dit louteringsproces in 1 Petrus 4:12-18: “Geliefden, laat de vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwame. Integendeel, verblijdt u naarmate gij deel hebt aan het lijden van Christus, opdat gij u ook met vreugde zult mogen verblijden bij de openbaring Zijner heerlijkheid. Indien gij door de naam van Christus smaad lijdt, zijt gij zalig, daar de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods op u rust. Laat dus niemand uwer moeten lijden als moordenaar, of dief, of boosdoener, of als een bemoeial. Indien hij echter als Christen lijdt, dan schame hij zich niet, maar verheerlijke God onder die naam. Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods? En indien de rechtvaardige ternauwernood behouden wordt, waar zal dan de goddeloze en zondaar verschijnen?” Ook Petrus brengt hiermee dus al meteen een scheiding aan tussen hen die behouden worden en hen die daarbuiten vallen. En dus niet behouden worden.
Het vuur waarvan in Marcus 9:49 dus sprake is heeft niets te maken met een louteringsproces zoals dat bijvoorbeeld ook in de Rooms Katholieke leer wordt verkondigd onder het begrip vagevuur. Er wordt in Marcus 9:48 dan ook niet voor niets gesproken over een vuur dat niet zal worden uitgeblust en dat laat al zien dat dit onuitblusbare vuur op een situatie duidt waarin beslist geen verandering meer zal komen. Het is definitief.
Bovendien wordt door de alverzoeners met deze dwaling compleet voorbij gegaan aan het simpele feit dat de behoudenis alleen bewerkt kan worden via Jezus Christus. Daar is geen vervanging voor, dus ook geen “louteringsproces” achteraf. De bijbel laat duidelijk blijken dat de mens beoordeeld zal worden op wat hij/zij in dit leven, in dit lichaam, heeft gedaan (of nagelaten). Zoals we kunnen lezen in 2 Corinthiërs 5:10: “Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad”. Op die beoordeling volgt dan ook de eeuwige beloning of de eeuwige straf. En daarmee de eeuwige en eindeloze scheiding tussen goed en kwaad.
De alverzoening wordt gebracht alsof het een brug zou zijn tussen God de Vader en de mens. Het is
echter wel een gammele brug. Hieronder staan, in een willekeurige volgorde, de wankele pijlers van deze
gammele brug, zoals ze door de aanhangers van de alverzoening overeind worden gehouden. Er moet nog wel
bij vermeld worden dat een aantal van de hier genoemde punten, zoals de leer van de zieleslaap, niet
direct een onderdeel vormen van de alverzoeningsleer maar desondanks wel veel aanhang vinden bij hen
die de alverzoening aanprijzen. Dat is de reden waarom ik ook die punten hierbij heb geplaatst. Uiteindelijk
vormen al deze beweringen stuk voor stuk een aanval op het evangelie van Jezus Christus.
Bij het ontmaskeren van de vele leugens die de grote tegenstander heeft verspreid komt het er op
neer de ware bedoeling van deze leugens te achterhalen. Zoals geheime berichten die via het
Internet verzonden worden zijn versleuteld met een geheime code, zo zijn satan's leugens ook
dikwijls verborgen in geheime codes die een leugenleer kunnen verhullen zonder dat de ware aard
ervan wordt ontdekt, waardoor de leugen onontdekt zijn kwalijke werk kan blijven doen. Het kraken
van zulke geheime codes is zonder de hulp van de Heilige Geest en dus ook zonder het verstaan van
de bijbelse boodschap onmogelijk.
De rode tekstgedeelten in de onderstaande opsomming zijn (door mij) toegevoegde opmerkingen.
Om te beginnen heb ik de bedoelingen die achter de alverzoeningsleer schuil gaan in de juiste volgorde geplaatst:
In deze 7 punten is de wortel van de alverzoening blootgelegd. Alle 41 in de eerste opsomming genoemde beweringen hebben als doel het evangelie van Jezus Christus te verhullen op de manier zoals die in de 7 hierboven genoemde punten is samengevat. In het nu volgende heb ik deze 41 beweringen van mijn commentaar voorzien. Een aantal keren heb ik, om praktische redenen, gelijksoortige beweringen bij elkaar gevoegd.
1. Uiteindelijk zullen alle mensen samen met de duivel en zijn rijk met God verzoend
worden.
2. Alle knie zal zich vrijwillig buigen voor God.
3. God wil dat alle mensen gered worden en omdat niemand Zijn wil kan weerstaan zal dit ook gebeuren.
Mijn commentaar: De woorden uit 1 Tim. 2:4 waar staat:
“die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen,” worden als
een garantie gezien dat dit ook inderdaad zal gebeuren. Romeinen 9:19 wordt
hiervoor als bewijs aangehaald: “Want wie wederstaat Zijn wil?” Hieruit wordt geconcludeerd
dat Zijn wil altijd gebeurt. Het probleem wat hiervoor echter omzeild moet worden is de logische conclusie
dat een God die alle mensen wil behouden er niet op uit is om mensen in het (eindeloze) onheil te storten.
En omdat die goede God volgens bewering 3 een wil heeft die niet gedwarsboomd kan worden zou Hij er logischerwijze
in de eerste plaats al voor gezorgd hebben dat er geen zondeval zou hebben plaatsgevonden. Die zondeval
heeft dus duidelijk wel plaatsgevonden waarmee is aangetoond dat het wel degelijk mogelijk is voor de
mens om Zijn wil te dwarsbomen (waarbij gezegd moet worden dat God uiteindelijk toch altijd het laatste
woord heeft). Hieruit blijkt dat het godsbeeld dat ons door de alverzoening wordt voorgeschilderd een
luchtspiegeling is. Om hier een oplossing voor te vinden hebben de uitvinders van de alverzoeningsleer
van God een tegenstrijdig Opperwezen gemaakt (waarover verderop meer) dat zowel het goede als het kwade
heeft bedacht om Zijn liefde beter uit te laten komen(!) zodat men wel moet gaan geloven dat deze zondeval
daarom ook door God zelf in scène is gezet.
Wat zou de bijbel hier over te zeggen hebben? Laten we eerst eens enkele teksten op een rijtje zetten:
In 1 Cor. 13: 6 schrijft Paulus over Gods liefde en daarmee over Gods wezen
(karakter): “Zij is niet blij over ongerechtigheid, maar zij is blij met de waarheid”. Als
de liefde niet blij is met ongerechtigheid dan bewerkt ze die ook niet! In Rom. 13:10
laat Paulus weten: “De liefde doet de naaste geen kwaad”. Een God die liefde is, is er niet
op uit om de zonde en de daarmee gepaard gaande ellende in de wereld te brengen. Zoiets te beweren is
zwartmakerij.
Om de woorden van Job 2:10 te gebruiken voor het “bewijs” dat God
zowel het goede als het kwade bewerkt is een steunen op de inzichten van iemand die in de tijd leefde
dat de Heilige Geest nog niet als leraar ter gerechtigheid in deze wereld was gekomen zodat mensen als
Job geen inzicht hadden in de werkelijke toedracht van goed en kwaad. Hierover verderop meer. Dat inzicht
had Job bovendien tegen het einde van het boek Job wel toen hij uiteindelijk in Job
42:5,6 beleed: “Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U
aanschouwd. Daarom herroep ik en doe boete in stof en as”.
De woorden uit Rom. 5:18 worden door de alverzoeners gebruikt om aan te tonen
dat alle mensen behouden worden. Er staat: “Dus, zoals het door één daad van overtreding
tot veroordeling van alle mensen is gekomen, zo is ook door toedoen van één daad van rechtvaardiging
de rechtvaardiging ten leven tot alle mensen gekomen” (vertaling uit de grondtekst). De vraag die
hier eerst gesteld moet worden is: waarom kwam het tot een veroordeling van alle mensen? Omdat in navolging
van Adam ook alle mensen kozen voor de zonde!! Dit wordt door Paulus bevestigd in Rom.
3:23 waar we lezen: “Allen hebben namelijk gezondigd en zijn verstoken van de heerlijkheid
van God” (vertaling uit de grondtekst). In de tweede helft van Rom. 5:18 komt de rechtvaardiging vervolgens tot alle mensen. Tot welke mensen? Tot die
mensen die net als in de eerste helft van Rom. 5:18 een keuze maken;
alleen hebben deze laatsten gekozen voor Jezus als hun Verzoener.
Zal alle knie zich vrijwillig buigen voor God, zoals dit in bewering 2 wordt gezegd? In Jes. 45:23 vinden we: “Want Ik heb gezworen bij Mij zelf, waarheid is uit Mijn mond uitgegaan, een woord dat niet zal worden herroepen: dat voor Mij elke knie zich zal buigen, dat bij Mij elke tong zal zweren”. Hier lezen we dat Jahweh zweert en zweren is een manier om een uitspraak te bekrachtigen en dit bekrachtigen is noodzakelijk als een uitspraak onwaarschijnlijk lijkt of op grote weerstand stuit. Door dit te zweren heeft Jahweh echter de garantie gegeven dat inderdaad zal gebeuren wat Hij heeft voorspeld. De reden dat Jahweh hier bij Zichzelf zweert is daarom: omdat niet iedere knie zich vrijwillig zal buigen maakt Jahweh hier duidelijk dat deze knieën wel degelijk zullen buigen ook al is het niet vrijwillig. Ieder schepsel zal uiteindelijk moeten erkennen dat de Schepper het laatste woord heeft en alle eer toekomt.
Samengevat:
De mens is wel degelijk in staat om de wil van de heilige God te weerstaan, getuige de zondeval.
God heeft echter wel altijd het laatste woord. Hij is een heilig God en dus niet de bedenker van
het kwade (lees: zondeval). De claim dat 1 Tim. 2:4: (“die wil, dat
alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen”) het bewijs zou zijn voor
de alverzoening is gebaseerd op een godsbeeld wat zichzelf onmogelijk maakt. Een God namelijk die,
volgens de alverzoeners, wil dat alle mensen behouden worden en dit ook kan waarmaken, zou
daardoor een God zijn die de zondeval niet zou hebben toegelaten! Dat het in Genesis allemaal toch
anders is gelopen leert ons dat het godsbeeld van de alverzoeningsleer een fabel is en in strijd
met wat de bijbel ons over het wezen van God leert.
4. De dood zal als laatste vijand worden tenietgedaan waarna God alles in allen
zal zijn.
5. De eerste dood is de lichamelijke dood.
Mijn commentaar: Over het begrip dood heeft al sinds het begin der mensheid
verwarring en onbegrip bestaan. Van nature zijn mensen geneigd om de dood alleen te zien als het sterven
van ons lichaam. De zichtbare dood. Dit is sinds mensenheugenis het beeld wat men van de dood heeft.
Ook in het Oude Testament leefde men met deze gedachte, die op zich begrijpelijk is als men het zonder
de inzichten van de Heilige Geest moet stellen. In Genesis 2:17 zegt Jahweh
tegen Adam: “Maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten
dage dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven”. Dit sterven is realiteit geworden toen Adam
Jahweh's verbod overtrad. Hij werd door de zonde van Jahweh gescheiden en ieder schepsel dat van zijn
Schepper wordt gescheiden sterft. Lichamelijk heeft Adam sindsdien nog vele jaren geleefd, geestelijk
was hij echter al dood. De eerste dood die een mens ondergaat is namelijk de scheiding tussen Schepper
en schepsel. Die scheiding heet zonde. Zoals het leven op aarde niet mogelijk is zonder het licht van
de zon, zo is er buiten God geen leven mogelijk. Een voorbeeld: de duivel bestaat wel maar hij leeft
niet omdat hij zijn Schepper heeft verworpen waardoor alles wat nog aan God doet herinneren uit hem is
verdwenen: en dat is nou de dood. Hij was de eerste die dit overkwam. Waar als gevolg van deze
scheiding Gods liefde niet meer aanwezig is bestaat alleen nog vernietiging; zoals ook de aarde in een
grote ijsklomp zou veranderen als de zon haar niet meer verwarmt: ze zou in dat geval nog wel bestaan
maar leven is er niet meer op te vinden. En om het nog eens in de juiste volgorde te zetten: omdat de
duivel al een vijand van God was voordat hij de mens tot zonde verleidde bestond de dood al voordat(!)
Adam Jahweh's verbod negeerde en aan de verleiding tot ongehoorzaamheid toegaf. Paulus schrijft niet
zonder reden in 1 Cor. 13: “.....maar ik had de liefde niet, ik ware niets”.
Waar Gods liefde is verdwenen heeft de dood zijn plaats ingenomen, of anders gezegd: waar het licht verdwijnt
blijft de duisternis over. Ieder mens die zondigt is al dood, ook al leeft zijn lichaam nog: hij is met
zijn geest (en ziel) al in het dodenrijk. Jahweh zegt hier zelf over in Ez.
18:4: “De ziel die zondigt, die zal sterven”. En in Rom. 6:23
lezen we: “Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood”. Niet later, maar meteen, ter plaatse,
zoals ook Simson onmiddellijk moest ondervinden toen hij zijn geheim prijsgaf en door de Filistijnen
werd overmeesterd en blind werd gemaakt (Richt. 16:18-22). De Heilige Geest
was direct van Hem geweken nadat hij zijn geheim had verraden, tegen Jahweh's verbod in. Waar zonde plaats
vindt trekt God zich terug en treedt de (geestelijke) dood in. Als we met deze kennis om ons heen kijken
zien we zo heel wat dode mensen rondlopen.
Het afleggen van ons lichaam is niets anders dan dat er een scheiding plaats vindt tussen onze geest/ziel
en ons lichaam. Laten we ons lichaam achter dan gaan wij daarheen waar onze geest en ziel zich al bevinden.
Pas wanneer een mens het offer van Jezus aanvaardt en vergeving vindt na berouw vindt hij/zij het leven
weer terug. In Joh. 11:25 en 26 zegt Jezus zelf hierover: “Ik ben de opstanding
en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij (zijn lichaam) gestorven, en een ieder, die
leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat?”
Jahweh zegt in Gen. 3:17: “Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en
van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil
vervloekt”. De zonde en daarmee de dood deed zijn intrede(!) in de schepping, namelijk: de geestelijke
dood en als gevolg daarvan ook de natuurlijke dood, het afleggen van ons lichaam. Als er staat in 1
Cor. 15:26: “De laatste vijand, die onttroond (tenietgedaan) wordt, is de dood,” betekent
dit dat de dood (de geestelijke en als gevolg daarvan ook de natuurlijke dood) weer uit de schepping
verdreven zal zijn. De vloek van Adam zal dan voorgoed zijn verbroken. Dit houdt niet in dat de dood
ophoudt te bestaan maar dat de vloek van de dood zijn claim op deze schepping zal kwijt raken, anders
gezegd: zijn claim zal zijn vernietigd. Ieder schepsel dat dan nog niet Jezus als redder der wereld heeft
willen aanvaarden zal alsnog in de tweede dood zijn bestemming vinden en niet bij die “allen”
horen waarvan in 1 Cor. 15:28 sprake is. Waarom? Jezus kwam naar deze wereld
om de vloek van de zonde (de eerste dood) te verbreken en het Koninkrijk Gods op deze wereld te vestigen.
In Hebr. 2:14 en 15 lezen we: “...opdat Hij door Zijn dood hem, die de macht over de
dood had, de duivel, zou onttronen, en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst
voor de dood tot slavernij gedoemd waren”. Het woord “onttronen” in deze tekst is de
vertaling van “teniet doen” zoals dit in de grondtekst wordt gebruikt en dit maakt duidelijk
dat Jezus door Zijn dood op Golgotha de weg vrij maakte om de duivel definitief teniet te doen, waarmee
zijn macht over en claim op deze schepping zal zijn vernietigd, zodat de vloek van Adam voorgoed verbroken
zal worden. Door deze vloek werd de duivel de overste van deze wereld. Jezus hing aan het kruis om de
eerste dood, de vloek van Adam, weg te nemen en niet de tweede dood en daarmee het (laatste) oordeel.
Door Jezus' offer werd de weg terug naar de Vader weer opengesteld wat uiteindelijk zal leiden tot het
verdrijven van de eerste dood uit de schepping. Het woord oordeel houdt een scheiding in en deze scheiding
is definitief. Nergens leert de bijbel dat er na dit laatste oordeel weer een “verzoening”
plaats zal vinden. Wat de bijbel hier wel over zegt lezen we in Hebr. 9:27 waar staat: “En zoals het de mensen beschikt is, eenmaal te sterven
en daarna het oordeel”. Punt. En daarna... geen verzoening meer.
Samengevat:
Jezus stierf op Golgotha om de vloek van de eerste dood over deze schepping te verbreken en het
Koninkrijk Gods op deze wereld te vestigen. Wie voor het aanbreken van het laatste oordeel Jezus Christus
niet als redder der wereld heeft willen aanvaarden wacht alleen nog de tweede en laatste dood. De dood
zelf zal eindeloos blijven bestaan maar alleen zij die de duisternis liever hebben gehad dan het licht
zullen zich daarin bevinden.
6. De bijbel leert geen eindeloos oordeel, dus ook de duivel zal niet eindeloos
gestraft worden.
7. De goddeloze zal worden geoordeeld waarna hij in de poel van vuur en zwavel wordt geworpen. Als de
dood als laatste vijand wordt tenietgedaan zal ook de goddeloze uit deze pijniging worden gehaald en
van harte belijden dat Jezus Heer is.
Mijn commentaar: In Joh 3:16 vinden we de bekende
tekst: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven
heeft...”. God de Vader had dus de wereld en daarmee de mens lief waardoor we kunnen uitsluiten
dat ook de duivel en zijn gevolg hierbij gerekend kunnen worden. Dit is nou net datgene waarmee de alverzoeningsleer
ons zand in de ogen wil strooien omdat volgens deze leer ook de duivel met God de Vader verzoend zal
worden. Hierboven is al gesteld dat de bijbel nergens leert dat er na het laatste oordeel een verzoening
plaats zal vinden. De alverzoeningsleer wil ons doen geloven dat na een door God bepaalde periode de
duivel uit de poel van vuur en zwavel gehaald zal worden waarna deze maar al te graag en “vrijwillig”
zijn knie zal buigen voor God de Vader. Het wekt de indruk alsof God na een zekere periode het deksel
maar eens optilt van deze kokende heksenketel om te kijken of de aardappels zo ondertussen al gaar zijn.
Even prikken en jawel: het vuur kan uitgedraaid worden.
De wereldgeschiedenis heeft ons heel wat tirannen laten zien die met de vreselijkste martelpraktijken
andersdenkenden en tegenstanders van hun regime tot andere gedachten hebben gedwongen. Waarmee ze lieten
zien op wie ze leken. Jezus noemde de duivel terecht de “mensenmoorder van den beginne” (Joh.
8:44). Ieder redelijk denkend mens beseft wel dat dit soort praktijken met rechtvaardigheid niets
van doen hebben. Als jaren na zijn bewind een man als oud-dictator Pinochet van Chili wordt verafschuwd
door zijn vele slachtoffers en door de nabestaanden van zijn slachtoffers dan weet ieder mens met gevoel
voor rechtvaardigheid dat dit terecht is. De alverzoeningsleer wil ons een God voor ogen schilderen
die op eenzelfde manier Zijn vijanden tot andere gedachten dwingt, dus door middel van pijniging. Mensen
die dit verkondigen noemen de eindeloze pijniging een “psychopathisch” idee. Het idee van
een God die als een tiran zijn vijanden door foltering tot andere gedachten dwingt is echter nog veel
“psychopathischer”. En dan zou de duivel daarna “vrijwillig” zijn knie willen
buigen voor God? Hoe vrijwillig is dat vrijwillig hier? Een vrijwillige keuze kan nooit door dwang en
pijniging tot stand komen. Het is opmerkelijk dat hier ineens wel sprake zou zijn van een vrijwillige
keuze terwijl de alverzoeningsleer onder andere is gebaseerd op het gegeven dat de mens en dus ook de
duivel geen vrije wil zouden hebben!
In Jesaja 66 lezen we een profetie over de eindtijd en het eindgericht
(het laatste oordeel) en in vers 24 zien we staan: “Zij zullen uitgaan en de lijken
aanschouwen der mannen die van Mij afvallig geworden zijn; want hun worm zal niet
sterven, en hun vuur zal niet uitdoven, en zij zullen voor al wat leeft een afgrijzen
wezen”. We lezen hier dus over diegenen die van hun schepper afvallig geworden zijn. Hier
zien we waar het allemaal om draait: mensen die afvallig zijn geworden hebben een keuze gemaakt en
hebben een keuze kunnen maken! Afvallig worden is alleen mogelijk als iemand dit
zelf bewust verkiest. Men kiest vóór het een en tégen het ander. Waaruit we weer
kunnen opmaken dat in deze tweede dood geen mens zal geworpen worden die helemaal geen keuze heeft
kunnen maken. Er wordt door de aanhangers van de alverzoening beweerd dat deze tekst zou slaan op
een dal ergens in Israël (dal van Hinnom) waar lijken verbrand zullen worden en waar de
wormen die hen verteren niet zullen sterven en het vuur niet zal doven. De logische vraag dringt
zich dan op: worden deze wormen dan niet verteerd in dit vuur??
De worm die in deze tekst wordt genoemd is datgene wat er van een mens (en een gevallen engel) overblijft
als al zijn gaven, talenten, vaardigheden, macht en aanzien worden verbrand in het verterende vuur van
Gods toorn. Alleen zijn bewustzijn blijft over: het leven in zijn basisvorm. Een worm is een dier zonder
aanzien en om die reden wordt het beeld van de worm hiervoor gebruikt. Deze worm, de uitgeklede persoonlijkheid
zal nooit ophouden te bestaan. Het leven dat God schiep is namelijk onvernietigbaar omdat mensen en engelen
in Gods plan bestemd waren voor het eeuwige leven. Johannes de doper, die de grootste was in de periode
van het Oude Testament en vanaf zijn prille jeugd was vervuld met de Heilige Geest, sprak over een onuitblusbaar
vuur (Matth. 3:12). Aan dit alles kunnen we ook nog toevoegen dat het totaal
onzinnig is om te beweren dat de afvalligen gestraft worden vanwege zonden die Jahweh zelf in de wereld
heeft laten komen!!
Samengevat:
Jahweh is geen god die gebruik maakt van foltering om afvalligen tot andere gedachten te brengen.
Door dit te verkondigen worden de heiligheid en de principes van Jahweh aangetast en dát is waar
het de duivel altijd om te doen is. De tweede dood is een definitieve dood waar alleen de afvalligen
in terecht zullen komen.
8. God dwingt niemand Hem te aanbidden en toe te juichen. Zoiets zou de honger
van Zijn Hart niet kunnen stillen. Hij zorgt ervoor dat door omstandigheden, gerichten en het geven van
Zijn Geest, iedereen Zijn Liefde van ganser harte zal beantwoorden.
Mijn commentaar: Hier moet opgemerkt worden dat de tegenstrijdigheid
met bewering nummer 7 opvallend is. Bij bewering 6 en 7 wordt pijniging genoemd als middel waardoor de
goddeloze tot andere gedachten zou moeten komen maar hier wordt echter gesteld dat God niemand dwingt.
Er wordt hier ook gesproken over “Zijn liefde” terwijl de alverzoeningsleer eigenschappen
aan Gods liefde toeschrijft die in bijvoorbeeld 1 Cor. 13 niet zijn terug te
vinden (zie verder mijn commentaar bij bewering 6 en 7).
9. De mens heeft wel een wil maar geen vrije wil. Deze wil wordt door God bestuurd.
Zodat God voor de mens een keuze maakt.
Mijn commentaar: Wat kan een mens toch vreemde dingen geloven. Wat is
een wil? Ons leven bestaat uit het maken van keuzen. In vele situaties moeten wij keuzen maken. In principe
is iedere beweging die wij maken ook een keuze: deze beweging hadden we ook na kunnen laten dus doe ik
wat ik wil. Een keuze kun je pas maken als er meerdere keuzemogelijkheden zijn. Pas als die situatie
zich aandient moet er een keuze gemaakt worden: een beslissing. Dit doen wij met onze wil. Als we voor
keuzemogelijkheid a kiezen in plaats van keuzemogelijkheid b dan willen wij dit.
Deze keuze kunnen wij alleen maken als we daar de vrijheid voor krijgen. En daarom functioneert een wil
alleen als hij die vrijheid ook krijgt. Zonder die vrijheid kan onze wil niet eens functioneren en is
er geen sprake van een wil maar van een dwang. Zodat we kunnen stellen dat iedere wil alleen een wil
kan zijn als het een vrije wil is. En zo komen wij dus aan het woord: vrijwillig.
10. Gods liefde kent geen grenzen dus vergeeft Hij alles aan iedereen, zelfs aan
de duivel en zijn onderdanen.
Mijn commentaar: Liefde wordt juist gekenmerkt door het feit dat ze
grenzen kent. Deze grenzen noemen we principes en deze geven de scheiding aan tussen goed en kwaad. Hierboven
hebben we in 1 Joh. 1:5 al kunnen lezen: “God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis”.
Als we weten dat Jahweh een heilig God is, is het niet moeilijk te begrijpen dat Hij geen compromis met
de zonde sluit en voor Zichzelf daarmee grenzen heeft gesteld. In 1 Cor. 13:6 staat over de liefde: “Zij is niet blij over ongerechtigheid, maar
zij is blij met de waarheid”. In Joh. 3:19 staat daarentegen dat “de
mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht” en dat is een duidelijke keuze. Dit is
in een overtreffende trap op de duivel van toepassing en aangezien hij ooit Jahweh's licht en heerlijkheid
van nabij heeft gezien en meegemaakt is zijn vijandschap iets waar hij niet meer op terug komt. Want,
wie in die omstandigheden toch voor de duisternis kiest is niet meer voor rede vatbaar. En als
dit het geval is vindt er geen berouw meer plaats. Dat vinden we ook terug in Hebr.
6:4-6: “Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht zijn geweest, van de hemelse
gave genoten hebben en deel gekregen hebben aan de Heilige Geest, en het goede woord Gods en de krachten
der toekomende eeuw gesmaakt hebben, en daarna afgevallen zijn, weder opnieuw tot bekering te brengen,
daar zij wat hen betreft de Zoon van God opnieuw kruisigen en tot een bespotting maken”.
Over de noodzaak van berouw lezen we in Hand. 3:19 in de toespraak van Petrus: “Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen voor het aangezicht des Heren”. Het woord berouw in deze tekst is de vertaling van het woord “meta-noeô” wat betekent: zich omkeren, veranderen van mentaliteit en gedachten en dit is een goede omschrijving van het begrip berouw. Waar geen berouw is kan ook geen vergeving plaats vinden.
11. De apostel Paulus is de apostel die een geheimenis heeft ontdekt waar de andere
apostelen niet van wisten. De bedeling waarin we nu leven is dus een geheime bedeling, die pas
aan Paulus werd onthuld nadat hij in de gevangenis was terechtgekomen. De andere apostelen waren alleen
gestuurd naar het volk Israël.
Mijn commentaar: Deze bewering is gebaseerd op de uitspraak van Paulus
in Hand. 28:25-29 waar hij de Joden hun koppigheid verweet en hen meedeelde
dat het evangelie van Jezus aan de heidenen was gezonden en daar gehoor had gevonden. Paulus reageerde
hiermee op hun verzet tegen het evangelie en het is zeer aannemelijk dat hij hen behoorlijk vertoornd
liet weten dat hij om die reden zijn tijd en energie niet meer wenste te verspillen aan dat arrogante
zooitje betweters. Dat was alles wat hij hiermee wilde zeggen. Echter de duivel zou de duivel niet zijn
als hij ook hier niet zijn poot achter zou wringen en zo kan het gebeuren dat aan deze hartekreet van
Paulus een hele “geheime bedeling” is opgehangen. De veronderstelling dat de andere apostelen
alleen waren gezonden naar het volk Israël is gebaseerd op de uitzending van de discipelen in Matth.
10:5 en 6 waar Jezus hen de opdracht geeft om alleen naar “de verloren schapen van het huis
Israëls” te gaan. In Matth. 28:19 vinden we echter Jezus' opdracht
aan Zijn discipelen om al de volken tot Zijn discipelen te maken. De alverzoeningsleer wil ons
doen geloven dat die eerste opdracht in Matth. 10:5 en 6 veel belangrijker zou
zijn geweest omdat Jezus slechts was gekomen voor het heil van het volk Israël. Terwijl Hij zelf
zei in Joh. 18:36: “Mijn Koninkrijk is niet van deze (zondige) wereld;
indien Mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden Mijn dienaars gestreden hebben, opdat ik niet
aan de Joden zou worden overgeleverd”. Jezus kwam voor een hemels Koninkrijk zonder einde en had
duidelijk geen boodschap aan het bevrijden van het Joodse volk van het Romeinse juk. Na Zijn lijden en
sterven op Golgotha lag de weg open om dat Koninkrijk op deze wereld te stichten. Daar was vóór
Golgotha nog geen sprake van zodat Hij Zijn discipelen in Matth. 10:5 en 6 alleen
naar hun eigen volk kon sturen. Die “geheime bedeling” waarvan in deze bewering wordt gesproken
is bovendien een zeer vreemde zaak als we bedenken dat Johannes op Patmos van Jezus zelf zijn Openbaringen
ontving waarin de gebeurtenissen van de toekomstige tijden werden onthuld. Te geloven dat Jezus gelijktijdig
aan de ene apostel een “geheime bedeling” bekend maakt en aan de andere apostel Zijn Openbaring
is dus op zijn minst tegenstrijdig te noemen en laat zien hoe de alverzoeningsleer niets onthult maar
integendeel alles juist in nevelen hult.
12. Gods verzoening van onze zonden is een eenzijdige verzoening zonder dat daar
berouw van de mens tegenover staat. Deze eenzijdige verzoening vraagt daarna pas om een reactie van de
mens.
Mijn commentaar: Deze redenering gaat lijnrecht in tegen de noodzaak
van het aanvaarden van Jezus' offer aan het kruis. Jezus zei zelf: “Ik ben de weg en de waarheid
en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij” (Joh. 14:6).
Er staat dan wel in Rom. 5:8: “God echter bewijst Zijn liefde jegens ons,
doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is,” maar dit was een daad van
Gods kant zonder dat er verzoening plaatsvond. Daarom bewees het ook Zijn liefde omdat er nog
geen toenadering van de mens tegenover stond. Die kwam pas toen de mensen na Golgotha Jezus als redder
der wereld aanvaardden en gehoor gaven aan de oproep, zoals Petrus die verwoordde in Hand.
3:19: “Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat
er tijden van verademing mogen komen voor het aangezicht des Heren”. Door de alverzoeningsleer
wordt het woord “hilasmos”, wat in 1 Joh. 2:2 in de grondtekst wordt
gebruikt, als bewijs aangedragen voor een eenzijdige verzoening. Dit woord is echter ontleend aan de
offerdienst van het volk Israël en heeft de betekenis van zonden bedekken. Ook hier werd
berouw gevraagd. Vervolgens wordt het woord “apokatallasso” uit Col. 1:20
aangewend om aan te tonen dat Jahweh zich met Zijn vijanden heeft verzoend. Dit laatste is dan een wederzijdse
verzoening. Het leugenachtige aan deze redenering is dat in werkelijkheid in beide gevallen sprake is
van een wederzijdse verzoening. Met berouw. Het verschil is hierbij dat de eerste verzoening (hilasmos)
de vergeving van onze zonden is die wij nu nog doen en waarvoor we vergeving vragen met berouw.
De tweede verzoening (apokatallasso) is de definitieve verzoening als de zonde (de vloek van Adam) in
zijn geheel uit de schepping zal zijn verdreven en waartoe Jezus tenslotte toch in deze wereld kwam.
Van het volk Israël vroeg Jahweh ook berouw en niet alleen offers (Joël 2:12,13).
In Rom. 5:10 lezen we: “Want als wij, toen wij vijanden waren, met God
verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, zullen wij veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden,
doordat hij leeft”. Deze tekst wordt door de alverzoeners gebruikt om te bewijzen dat wij mensen
al met de Vader verzoend waren “toen wij nog (dit woord is eigenhandig toegevoegd!) vijanden
waren”. Paulus bedoelde hier in werkelijkheid mee te zeggen dat hij als vijand van de Vader door
Jezus' sterven én door bekering verzoening ontvangen had en om die reden geen vijand van
de Vader meer was. Anders gezegd: door de dood van Jezus kwam zijn verzoening tot stand en ontving hij
zijn behoudenis. Verzoening is dus altijd een wederzijdse zaak waar meerdere partijen bij zijn betrokken
die het onderling eens zijn geworden: God heeft de verzoening aangeboden via Jezus Christus en de mens
is daar op zijn beurt op ingegaan. Verzoening houdt in dat twee weer één worden en de scheidingsmuur
wordt weggenomen.
13. Jezus bracht niet uitdrukkelijk de alverzoening maar beperkte Zich
met Zijn evangelie tot het volk Israël en zijn toekomst.
Mijn commentaar: We kunnen hier beter zeggen: Jezus bracht uitdrukkelijk
niet de alverzoening. Het is opvallend dat de alverzoening nauwelijks boodschap heeft aan wat Jezus
wel bracht. Zijn evangelie van bekering en berouw, heiligmaking, de doop in water, de doop in de Heilige
Geest en de doop in vuur worden niet of nauwelijks onder de aandacht gebracht. Waar het bij de alverzoening
vrijwel uitsluitend om draait is dat eindeloze gezemel over onze behoudenis en dit wordt zo fanatiek
doorgevoerd dat uiteindelijk zelfs het tegenovergestelde wordt verkondigd van wat Jezus leerde. Een van
de dingen die Jezus liet zien was het ware karakter van Zijn Vader. Zijn antwoord in Joh.
14:9 aan Filippus luidde: “Ben Ik zolang bij u Filippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien
heeft, heeft de Vader gezien”. Jezus liet zien in Zijn leven dat Hij geen compromis sloot met de
zonde. Een niet mis te verstane uitspraak van Jezus over Zijn eigen doen en laten zien we in Joh.
5:19 waar Hij zegt: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de Zoon kan niets doen van Zichzelf,
of Hij moet het de Vader zien doen; want wat deze doet, dat doet ook de Zoon evenzo”. Als we vaststellen
dat Jezus als zondeloos offer op Golgotha stierf nadat Hij zelf al had aangegeven: “want de overste
der wereld komt en heeft aan Mij niets” (Joh. 14:30) is de enige conclusie die we uit dit alles kunnen trekken dat als Jezus zelf
geen zonde deed en ook niemand daartoe aanzette ook de Vader dit niet doet. Het is een kwalijke zaak
dat de leer van de alverzoening desondanks God de Vader wil aanwrijven dat Hij de zonde in de wereld
liet komen.
De grond hiervoor is dat de alverzoeners een bewijs nodig hebben om van Hem een god te kunnen maken die altijd Zijn doel bereikt (alle mensen behouden) en daarin past geen zondeval die tegen Zijn wil in heeft plaats gevonden. Om die reden heeft Hij volgens leer van de de alverzoening opzettelijk gebruik gemaakt van de zonde. De daarvoor gevonden “bewijzen” uit het Oude Testament zijn uitspraken van mensen die het destijds nog zonder de verlichting van de Heilige Geest moesten stellen, waardoor de geheimenissen van het Koninkrijk Gods voor hen nog onbekend terrein waren. Jezus was degene die als eerste daar bekendheid aan gaf. Over die zogenaamde beperking, waardoor het evangelie van Jezus alleen voor het volk Israël bestemd zou zijn, is hierboven bij bewering 11 al het een en ander geschreven.
14. Voor de duivel is de poel van vuur en zwavel geen tweede dood omdat hij nog
nooit dood is geweest. Hij wordt daar alleen maar tijdelijk gepijnigd.
Mijn commentaar: Over de dood is hierboven bij bewering 4 en 5 al een
uitleg gegeven en daar is al vastgesteld dat de duivel de eerste was die de dood smaakte toen hij van
zijn oorspronkelijke positie werd verdreven. In verband hiermee zijn er nog twee teksten van belang.
In Joh. 3:19 en 20 vinden we: “Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen
is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht, want hun werken waren boos. Want
een ieder, die kwaad bedrijft, haat het licht, en gaat niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan
de dag komen”. En in Judas vers 6: “En dat Hij engelen, die aan
hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote dag met eeuwige
banden onder donkerheid heeft bewaard gehouden”. De eerste tekst laat zien dat er sprake is van
een bewuste keuze. Dit geldt zowel voor mensen als voor engelen getuige de tweede tekst, want
ook deze engelen hebben hier een keuze gemaakt. Hierboven is ook al vastgesteld dat de dood al bestond
voordat de zondeval een feit was. De dood is een geestelijke zaak en houdt in: het afgesneden en dus
gescheiden zijn van de Schepper van het leven. Zoals het leven is ontstaan vanuit de geestelijke wereld
waar Jahweh is, zo is ook de dood ontstaan vanuit deze geestelijke wereld omdat daar de scheiding tussen
goed en kwaad is begonnen. Deze scheiding betekende de dood van de duivel zodat hij als eerste met zijn
volgelingen (zie de tekst uit Judas vers 6) van de Schepper werd gescheiden. En waar het licht van God verdwijnt
blijft de duisternis over en... daar werd bewust voor gekozen. Hier tegenover staan de heilige engelen
die hun oorsprong trouw bleven en zij hebben daarom de dood niet gesmaakt. Zij leven, ook al hebben zij
geen lichaam. Waaruit we kunnen afleiden dat ook zonder het hebben van een lichaam leven mogelijk is.
De dood van de mens heeft daarom niet in de eerste plaats betrekking op het verlaten van het sterfelijke
lichaam bij het overlijden, maar de dood heeft betrekking op zijn geestelijke situatie. De veronderstelling
dat de duivel nooit dood is geweest is daarom gebaseerd op de natuurlijke visie van mensen die de Heilige
Geest niet als leraar ter gerechtigheid in hun leven hebben toegelaten en om die reden door de duivel
blind zijn gestoken (denk aan Simson) voor de geestelijke werkelijkheid. In Judas vers
19 worden dit soort mensen beschreven: “Dezen zijn het, die zichzelf afscheiden, zielse
mensen, die de Geest niet hebben” (vertaling uit de grondtekst) en zulke mensen zijn vijandig gezind
tegenover datgene wat Jezus aan Zijn discipelen leerde.
Over de zogenaamde “tijdelijke pijniging” is hierboven bij bewering 6 en 7 al het nodige
geschreven.
15. De dood wordt tenietgedaan als alle mensen weer levend gemaakt worden.
Mijn commentaar: Ook hierover is in het voorgaande bij bewering 4 en 5 al een
uitleg gegeven.
16. Het verhaal van de rijke man en de arme Lazarus heeft niets te maken met het
sterven van de mens en zijn lot in het hiernamaals.
Mijn commentaar: Ja, je moet toch wat nietwaar? Als je bij hoog en bij
laag wilt volhouden dat onze ziel overlijdt bij het verlaten van ons lichaam (meer hierover bij bewering
35) moet je aan zo'n verhaal als van de rijke Lazarus en de arme man (dit is geen typefout) toch een
andere draai zien te geven. Als je de uitleg zoals die door de alverzoeners wordt gegeven bestudeert
is het eerste wat opvalt dat ze zich niet kunnen beroepen op een foutieve vertaling. Feitelijk kunnen
ze zich nergens op beroepen en om die reden wordt de toevlucht gezocht in Luc. 13:26-30
waar beschreven wordt wat Jezus (de Heer des huizes) antwoordt op het verzoek om binnen gelaten te worden:
“Dan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben voor uw ogen gegeten en gedronken en in onze straten
hebt Gij geleerd. En Hij zal tot u spreken, zeggende: Ik weet niet, vanwaar gij zijt; gaat weg van Mij,
alle gij werkers der ongerechtigheid. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars, wanneer gij Abraham
en Isaäk en Jakob zult zien en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar uzelf buitengeworpen.
En zij zullen komen van oost en west en van noord en zuid en zullen aanliggen in het Koninkrijk Gods.
En zie, er zijn laatsten, die de eersten zullen zijn en er zijn eersten, die de laatsten zullen zijn”.
Wat hier door Jezus wordt gezegd heeft echter betrekking op het laatste oordeel, getuige het geween en het tandengeknars. Zie ook Matth. 25:30: “En werpt de onnutte slaaf uit in de buitenste duisternis. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars”. De hele doorzichtige uitleg van de alverzoeners over de gelijkenis van de rijke Lazarus en de arme man (dit is alweer geen typefout) kunnen we dus maar beter terzijde schuiven.
17. Het woord eeuwigheid is een vertaling van het Griekse woord aioon wat tijdperk
betekent. De eeuwige straf is dus tijdelijk omdat er ook aan dat aioon een einde komt als de dood als
laatste vijand wordt tenietgedaan.
Mijn commentaar: Het woord “aiôna” in de grondtekst
betekent zowel “behorende tot de toekomende eeuw” als “zonder einde, altijd
durend”. De oorspronkelijke vorm van dit woord is aien on wat betekent: “eindeloos
bestaand” en wijst dus op de eindeloosheid. Ook het hiervan afgeleide aionios wat vertaald
wordt met eeuwig betekent daarom: eindeloos. Pas later kreeg het woord aiôna ook de betekenis van
een bepaalde tijdsduur of tijdperk. Het is in dit verband allereerst noodzakelijk om vast te stellen
dat er slechts twee “aionen” bestaan die we in de bijbel terug kunnen vinden:
Deze schepping was oorspronkelijk bedoeld als een eindeloze schepping. Door de zondeval kwam de
dood zijn plaats opeisen en werd tijdelijk wat eindeloos had moeten blijven. Het lijden en sterven
van Jezus Christus had als bedoeling om deze tijdelijkheid weer uit de schepping te verdrijven.
Dit zal uiteindelijk voltooid worden als de dood als laatste vijand in de poel van vuur en zwavel
is geworpen. Ieder mens die Jezus als redder heeft willen aanvaarden is met zijn geest al vanuit
de tijdelijkheid weer overgegaan in het eindeloze (dus eeuwige) leven zelfs al zal zijn/haar
lichaam nog sterven. De hele wereldgeschiedenis kunnen we daarom indelen in twee perioden: alles
wat voorbij gaat en alles wat eindeloos blijft.
In 1 Joh. 2:17 lezen we: “En de wereld (al het goddeloze) gaat voorbij
en haar begeren, maar wie de wil van God doet blijft tot in eeuwigheid”. Merk
hier het contrast op tussen het eerste en het tweede gedeelte van deze uitspraak. Het woord eeuwigheid
in deze tekst is de vertaling van “aiôna” wat volgens de alverzoeners zowel eeuw als
eeuwigheid betekent. Dit wordt door de aanhangers van de alverzoening beweerd om te “bewijzen”
dat alles wat in de bijbel vertaald is met “eeuwigheid” eigenlijk eeuw betekent en dus voorbij
gaat. Als dit in deze tekst consequent wordt toegepast dan lezen we hier dat ook wie de wil van God doet
voorbijgaat. Als zij namelijk blijven “tot in de eeuw” zullen zij aan het eind van die eeuw
ook hun einde vinden en hetzelfde lot ondergaan als “de wereld”. Om vervolgens te stellen
dat die eeuw wel voorbij gaat en het leven niet maakt deze uitspraak van Johannes belachelijk omdat hij
in dat geval heeft verzuimd om ons mee te delen dat er na die eeuw weer een nieuwe komt waarin we verder
kunnen leven. Als dezelfde manier van vertalen ook wordt toegepast op de uitspraak van Jezus in Joh.
10:28 waar Hij zegt: “En Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren
gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand roven,” dan is dit eeuwige leven slechts tijdelijk
want ook in deze tekst is eeuwigheid de vertaling van het woord “aiôna”, wat zou betekenen
dat dit leven stopt aan het einde van de toekomende eeuw. Vervolgens krijgen we in Joh.
14:16 een zelfde resultaat. Jezus zegt hier: “En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een
andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn”. Hij belooft hier de
Heilige Geest en ook hier is eeuwigheid de vertaling van het woord “aiôna” wat ook weer
zou betekenen dat deze Heilige Geest ooit weer van ons zal worden weggenomen als de bewuste “eeuw”
voorbij is. Dit staat lijnrecht tegenover het stokpaardje van de alverzoening, namelijk: de stelling
dat uiteindelijk God zal zijn alles in allen want ook aan dit “alles in allen” zal in dat
geval een einde komen. Want... hoe zal dit “alles in allen” werkelijkheid worden? Is het
niet doordat Jezus Zijn Heilige Geest over een ieder zal uitstorten die zich na het laatste oordeel op
de vernieuwde aarde bevindt? Als deze manier van vertalen hier consequent wordt toegepast is ook wat
in deze tekst met aiôna wordt aangeduid niet eindeloos en is daardoor ook het alles
in allen niet eindeloos, als de Heilige Geest weer van ons zal worden weggenomen aan het eind
van de bewuste eeuw.
Door deze manier van vertalen komt aan het “alles in allen” ook weer een einde. Waarmee de alverzoeningsleer zichzelf in het ongelijk stelt. Wat deze leer ons in dit verband mede wil laten geloven is dat de eeuwige straf de straf is van de toekomende eeuw en daardoor niet eindeloos is omdat ook die toekomende eeuw voorbij gaat. De straf van de toekomende eeuw gaat volgens deze logica dan voorbij maar het leven van de toekomende eeuw weer niet. Hier stuiten we alweer op een tegenstrijdigheid. Als volgens de alverzoening de dood zal ophouden te bestaan wanneer er een einde komt aan de toekomende eeuw dan laat dit ons zien dat deze visie gebaseerd is op het verkeerde begrip van de dood. Zie de uitleg hierboven bij punt 4 en 5.
Samengevat:
De oorspronkelijke vorm van het woord aion is aien on wat betekent: eindeloos bestaand en houdt
dus verband met eindeloosheid. De hele theorie over de aionen is daardoor een twijfelachtig verhaal dat
uitsluitend is bedacht om de alverzoening overeind te kunnen houden. Het is gebaseerd op een manier van
vertalen die, consequent toegepast, zichzelf ongeloofwaardig maakt. Dat neemt niet weg dat Gods reddingsplan
over verschillende fasen verdeeld is maar al deze fasen zijn onder te brengen in:
18. De bijbel leert niet dat er een eindeloze eeuwigheid zal aanbreken
maar bedoelt hiermee de “toekomende eeuwen” waarin God Zijn “voornemen der eeuwen”
tot voltooiing zal brengen.
Mijn commentaar: Deze “toekomende eeuwen” hebben de alverzoeners
dus nodig om hun alverzoening geloofwaardig te maken. In Col. 1:19,20 schrijft
Paulus: “Want het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken, en door Hem, vrede gemaakt
hebbende door het bloed zijns kruises, alle dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat
op de aarde, hetzij wat in de hemelen is”.
Omdat hier staat: “hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is” moeten we volgens
de alverzoening ook de duivel en zijn gevolg hierbij rekenen. Het probleem voor deze opvatting is echter
dat de duivel zich dan al niet meer in de hemelen (de hemelse gewesten) bevindt maar in de poel van vuur
en zwavel. En daar is van een verzoening geen sprake. We hebben hierboven al vastgesteld dat uit deze
poel geen ontsnapping meer mogelijk is. De verzoening met Gods schepselen zal gebeuren op de plaats waar
ze zich dan bevinden. Of op de aarde, of in de hemelen.
Volgens de alverzoening betekent de uitdrukking: “tot in de eeuwen der eeuwen” (aionen der aionen) dat overal in de bijbel waar deze uitdrukking wordt gebruikt sprake is van een periode die voorbij gaat. Hierboven is bij bewering 17 al een voorbeeld gegeven van de tegenstrijdige conclusies die van deze opvatting het gevolg zijn. Nog een voorbeeld vinden we in Openb. 4:10 waar het gaat over de vierentwintig oudsten die Hem aanbidden die op de troon gezeten is tot in de “eeuwen der eeuwen”. Als we de alverzoeners moeten geloven zal hier dus een einde aan komen. Ook het koningschap van Jezus houdt volgens deze redenering niet eindeloos stand. Dat Jezus' koningschap zal eindigen wordt door de alverzoeners ook gebaseerd op de uitspraak van Paulus in 1 Cor. 15:25 waar staat: “Het is namelijk nodig dat Hij koning is totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten gelegd heeft” (vertaling uit de grondtekst). Omdat van Jezus staat in Openb. 11:15 dat Hij zal regeren tot in de aionen der aionen is de conclusie die hier uitgetrokken wordt dat dit “aionen der aionen” dus ook niet eindeloos is. Maar.... wat wordt hiermee eigenlijk bedoeld? In Matth. 28:18 zegt Jezus tegen Zijn discipelen: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde” en dit kon Hij zeggen na Zijn overwinning op Golgotha waar Hij de weg naar de bevrijding van deze schepping had geopend. Om die reden had Hij van God de Vader de volmacht (de blanco cheque) gekregen om deze bevrijding te voltooien. Nadat de dood en het dodenrijk in de poel van vuur en zwavel zijn geworpen en daarmee ook de vloek van Adam is verbroken (zie hierboven) geeft Hij deze volmacht weer terug aan de Vader. Maar zoals Jozef in Genesis 41 onderkoning van Egypte werd en alleen de Farao nog boven zich had staan, zo zal Jezus nadat Hij Zijn absolute volmacht, na de voltooiing van Zijn verlossingswerk, weer aan Zijn Vader heeft teruggegeven voorgoed onderkoning blijven. De hele geschiedenis van Jozef is hier een beeld van. Dat Jezus Zich zal onderwerpen aan de Vader betekent dat, net als Jozef alleen de Farao boven zich had staan, alleen God de Vader nog boven Hem staat. Nu is de situatie nog zo dat de Vader een stap terug heeft gedaan ten gunste van Zijn Zoon en als Die Zich weer aan de Vader zal onderwerpen zal deze situatie weer teruggedraaid worden (1 Cor. 15:28).
We moeten bij dit alles beseffen dat wij mensen niet in staat zijn om ons een voorstelling te maken van wat eindeloos is. De uitdrukking “eeuwen der eeuwen” zoals die in de bijbel wordt gebruikt is voor de schrijvers van de bijbelboeken de meest geslaagde poging om dat wat eindeloos is een naam te geven. Dat van deze menselijke beperking door de alverzoeningsleer misbruik wordt gemaakt om daar een zichzelf tegensprekende theorie aan op te kunnen hangen is een laaghartige zaak.
19. Aan het einde van de laatste aion zal Christus zich ondergeschikt maken
aan God de Vader.
Mijn commentaar: Er is maar één waarheid maar er zijn vele
leugens. Leugens spreken elkaar maar al te vaak tegen en dat zien we ook hier weer. Nadat bij bewering
18 werd verkondigd dat er geen eindeloze eeuwigheid zal aanbreken maar in plaats daarvan de “toekomende
eeuwen” wordt ons hier wijs gemaakt dat er een laatste aion zal zijn. Wat zou er toch na
deze laatste aion komen? Zou dat niet toevallig, eventueel, als het zo uitkomt, misschien toch wel eens
een eindeloze eeuwigheid kunnen zijn? We wachten maar af.....
20. De aarde was in Adam's tijd voor de zondeval niet zo “idyllisch”
als men altijd heeft geloofd.
Mijn commentaar: Als we lezen in Gen. 1:31:
“En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed,” zouden wij dan
mogen verkondigen dat Hij tevreden zou zijn met alles wat minder dan volmaakt is??
Over de eerste hoofdstukken van Genesis doen nogal wat theorieën, leringen en uitleggingen de ronde door de religieuze gelederen. Eén daarvan is de leer van de restitutie. Die komt er in het kort op neer dat men in de eerste twee verzen van Genesis meent te kunnen lezen dat er vóór Adam en Eva al een wereld heeft bestaan die in zonde verviel en door God om die reden werd vervloekt. Zodat het scheppingsverhaal, beschreven in Genesis 1 en 2, gezien zou moeten worden als een herschepping. Waaruit voortvloeit dat Adam werd gemaakt uit het stof van de aardbodem waarop al een vloek lag. Verder redenerende heeft men daaruit de conclusie getrokken dat het Adam dus niet kwalijk genomen kan worden dat hij zondigde want dat zat er zogezegd al dik in. Er was dan ook, zo beweert men, fundamenteel niets mis met Adam's ongehoorzaamheid. In Genesis 3:17 krijgt Adam echter te horen: “Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft”. Hieruit blijkt overduidelijk dat de vloek van de zonde door Adam's ongehoorzaamheid in deze wereld is gekomen. Dus pas na dit drama was het allemaal niet zo “idyllisch” meer. Dit is in strijd met de leer van de restitutie die er vanuit gaat dat de aardbodem al ver voor Adam was vervloekt. Om deze restitutieleer toch geloofwaardig te kunnen maken wordt gesteld dat het loon van Adam's zonde, de dood, en de vervloeking van de aardbodem vanwege Adam's zonde twee heel verschillende zaken zijn. Maar... de vervloeking van de aardbodem, en daarmee van alle leven dat na Adam nog uit die aardbodem zou voortkomen, hield in dat de dood zijn intrede had gedaan in de wereld. De hele schepping was namelijk sterfelijk geworden en waar sterfelijkheid zijn intrede doet is de dood koning geworden. De dood is namelijk de scheiding tussen God en schepping. Het gevolg van Adam's zonde was dus de vervloeking van de aardbodem en daarmee ook de intrede van de (vloek van de) dood in de schepping.
Met de bewering dat er fundamenteel niets mis was met Adam's ongehoorzaamheid wordt daarom voorbij gegaan aan wat de bijbel ons vele malen leert over Gods mening wat betreft de zonde van de mens. Door deze leugenachtige beweringen wordt ook nog eens met zoveel woorden gezegd dat de goede God de mens al bij voorbaat aan de grillen van satan had overgeleverd. Als dat werkelijk zo was geweest had satan in de hof van Eden de verleiding tot ongehoorzaamheid aan Gods woorden niet hoeven gebruiken maar had hij de mens met geweld aan de zonde onderworpen. Dat zou voor satan de weg van de minste weerstand zijn geweest. Door middel van een leer als deze wordt bovendien de spot gedreven met Gods heiligheid als zou Hij een god zijn die bewust op de zonde van het eerste mensenpaar heeft aangestuurd.
21. God zal ooit weer wonen in een tempel die met handen is gemaakt.
Mijn commentaar: Waarom zou Hij? Als Hij dit zou doen zou dat überhaupt
de eerste keer zijn. Het blijft vreemd en onvoorstelbaar dat mensen denken dat kerkgebouwen de plaatsen
zouden zijn waar men God kan ontmoeten, terwijl koning Salomo al wist dat de Allerhoogste niet
woont in wat met mensenhanden gemaakt is (1 Kon. 8:27). Toen koning David van
plan was om voor Jahweh een huis te bouwen kreeg hij via de profeet Nathan te horen dat Jahweh er niet
om gevraagd had maar dat Hij ter wille van David toch toestond dat diens zoon Salomo een tempel mocht
bouwen (2 Sam. 7:1-17). Dit laat zien dat het in de eerste plaats al niet Jahweh's
wens was. Hij schiep de mens om in de mens te kunnen wonen en dat is de enige tempel waar Hij
in wil wonen. Jezus voorspelde al dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in Geest en
in Waarheid (Joh. 4:23) en dit is niet aan een “heilige” plaats
gebonden. De heilige plaats die God zoekt is de oprechte man en vrouw die met zijn/haar geest Jezus zoekt.
“Want de Vader zoekt zulke aanbidders!” zei Jezus in Joh. 4:23.
Laten we daarbij dan ook maar bedenken dat het voorhangsel in de tempel na Jezus' sterven niet van boven
naar beneden scheurde (Matth. 27:51) doordat er toevallig een naadje lossprong
maar omdat de Vader zelf een punt zette achter de periode van de schaduwen en daarmee de rol van het
natuurlijke volk Israël en de bijbehorende tempel beëindigde. Omdat de werkelijkheid
was gekomen. En die werkelijkheid is Christus. Dus, daar komt geen stenen tempel meer aan te pas.
22. Al het goede en kwade komt uit Gods hand zoals Job al had vastgesteld (Job
2:10).
23. Het is God die het kwaad heeft geschapen en niet de duivel.
24. De duivel is door God als tegenstander en lasteraar van God geschapen en vervult die rol buitengewoon
goed.
25. De duivel kan zonder Gods toestemming niets doen in deze wereld.
Mijn commentaar: Om de woorden van Job 2:10
te gebruiken voor het “bewijs” dat Jahweh zowel het goede als het kwade bewerkt, is een steunen
op de inzichten van iemand die in de tijd leefde dat de Heilige Geest nog niet als leraar ter gerechtigheid
in deze wereld was gekomen zodat mensen als Job geen inzicht hadden in de werkelijke toedracht van goed
en kwaad. Dat inzicht had Job bovendien tegen het einde van het boek Job wel toen
hij uiteindelijk in Job 42:5,6 beleed: “Slechts van horen zeggen had ik
van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd. Daarom herroep ik en doe boete in stof en
as”.
Ook het zich beroepen op Job 1 waar wordt beschreven hoe de duivel de ruimte kreeg om Job te treffen
met rampen is geen eerlijke voorstelling van zaken. Om hieruit de conclusie te trekken dat de duivel
niets kan doen zonder Jahweh's toestemming is een voorbij gaan aan het feit dat de duivel wel degelijk
de overste van deze wereld is en deze overste heeft, en dat wordt nog wel eens vergeten, daardoor veel
macht. In Psalm 34:20 lezen we: “Talrijk zijn de rampen van de rechtvaardige
(die hem door toedoen van de overste van deze wereld zijn overkomen) maar uit die alle redt hem de Here”.
In het geval van Job komt duidelijk naar voren dat Job als rechtvaardige onder Jahweh's bescherming en
zegeningen leefde. Zodra een mens zich tot zijn Schepper keert en Hem gehoorzaamt geeft hij Hem daarmee
het recht om Zich over Zijn schepsel te ontfermen. Bij Job was dit duidelijk het geval. In Jac.
4:8 wordt dit principe zo beschreven: “Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen”.
De keerzijde is dat de duivel als overste van deze wereld ook zijn rechten heeft. Die heeft hij weliswaar
onrechtmatig in handen gekregen maar door Adam's zonde moest Jahweh dit wel respecteren. Een duidelijke
verklaring van dit principe lezen we in Psalm 15:4 waar staat over de rechtvaardige:
“Heeft hij tot zijn schade gezworen, hij verandert het niet”. Als dit op de rechtvaardige
mens van toepassing is geldt dit zeker voor Jahweh. De macht die Adam had verspeeld aan de grote tegenstander
kon Jahweh daarom niet zomaar ongedaan maken. Daarom is het mogelijk dat zolang de macht van de overste
van deze wereld niet voorgoed is gebroken, hij in staat is om de rechtvaardige te vervolgen. De bewering
dat de duivel door God als tegenstander is geschapen is een lasterpraatje. Een God die de duivel als
tegenstander schept heeft daardoor ook mede schuld aan de gevolgen die hieruit voortvloeien. Dit is in
tegenspraak met, onder andere, Jac. 1:13 waar staat: “...Want God kan
door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking”. Het hele
verhaal van Job laat ons zien dat het niet Jahweh was die Job dit onheil aandeed. Daarom is de uitspraak
van Job in Job 2:10: “zouden wij het goede van God aannemen en het kwade
niet?”, hoe oprecht bedoeld ook, geen juiste weergave van de realiteit. Dat Jahweh in onder andere
Ex. 4:11 zegt dat Hij stom of doof, ziende of blind maakt wil niet zeggen dat
Hij dit naar willekeur doet. We kunnen wel keer op keer in de bijbel lezen dat Hij zegeningen geeft als
mensen naar Zijn geboden leven en pas als mensen hier niet naar willen horen krijgt men de rekening toegestuurd.
In Ez. 13:22 lezen we: “Omdat gij het hart van de rechtvaardige bedroefd
hebt met leugen, terwijl Ik hem geen smart aandeed....”. Jahweh doet de rechtvaardige geen
leed aan maar de onrechtvaardige en een ieder die niet van zijn zonden wil terugkeren kan van Hem een
rechtvaardige straf verwachten. In dit licht moeten we dan ook de door de alverzoeners misbruikte woorden
uit Jes. 45:6 en 7 lezen waar staat: “Ik ben de Here, en er is geen ander,
die het licht formeer en de duisternis schep, die het heil bewerk en het onheil schep; Ik, de Here, doe
dit alles”. Jahweh's bedoeling met deze woorden is duidelijk te maken dat Hij uiteindelijk toch
het laatste woord heeft, wat Zijn tegenstanders ook uitvreten. Dus brengt Hij heil over de rechtvaardigen
en onheil over de ongehoorzamen. Een God die anders zou handelen zou geen rechtvaardige God kunnen zijn.
Te stellen dat Jahweh het kwaad heeft geschapen is daarom zwart wit maken en wit zwart.
Over dit beladen onderwerp heb ik op deze pagina meer geschreven.
26. Gebedsgenezing is niet bijbels en is niet meer voor deze tijd bestemd. Onze
zegeningen zijn alleen geestelijk.
Mijn commentaar: Voor de alverzoeners is dit slechts een van de vele
manieren om te verbergen dat hun geloof in Jezus' woorden helemaal geen geloof is. Een opvatting als
deze maakt ook meteen duidelijk dat het evangelie wat Jezus bracht sowieso in de alverzoeningsleer geen
rol van betekenis speelt. Waarmee deze leer zichzelf ongeloofwaardig maakt.
27. De eigen werken van de mens zijn voor God van geen belang volgens 2 Tim. 1:9
en 10. Wat betekent dat wij mensen geen invloed kunnen hebben op onze eindeloze bestemming omdat dit
al vast stond.
Mijn commentaar: Dat onze eigen werken voor Jezus niet doorslaggevend
zijn moge duidelijk zijn. Het is Zijn genade die onze redding werd. Om uit de woorden van Paulus in 2
Tim. 1:9 en 10 op te maken dat onze redding daarom al van tevoren geregeld was is echter het verdraaien
van Paulus' woorden. Paulus schrijft daar: “die ons behouden heeft en geroepen met een heilige
roeping, niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en de genade, die ons in Christus
Jezus gegeven is voor eeuwige tijden, doch die nu geopenbaard is door de verschijning van onze Heiland,
Christus Jezus, die de dood van zijn kracht heeft beroofd en onvergankelijk leven aan het licht gebracht
heeft door het evangelie”. In Ef. 2:8 laat Paulus weten: “Want door genade zijt gij behouden, door het geloof,
en dat niet uit uzelf: het is een gave van God: niet uit werken, opdat niemand roeme”. Hiermee
zegt Paulus dat niet onze werken maar dat ons geloof ons heeft behouden, dus het geloof in Gods genade.
Deze genade is een gave van God en deze gave hebben wij ontvangen omdat wij er geloof aan wilden
hechten. Dit is een daad van onze kant. Wie echter aan die genade geen geloof heeft willen hechten zal
daarom deze genadegave van het behoud niet ontvangen. Ook Gal. 3:22 bevestigt
dit: “Neen, de Schrift heeft alles besloten onder de zonde, opdat ten gevolge van het geloof in
(dus niet van) Jezus Christus de belofte het deel zou worden van hen, die geloven”.
28. God gaf de wet aan het volk Israël opdat de zonde zou toenemen opdat
daardoor Zijn genade zou toenemen (gebaseerd op Rom. 5:20).
29. De wet die aan het volk Israël werd gegeven was geen opdracht maar een belofte.
30. De bijbel is geen handboek over de manier waarop wij moeten leven.
Mijn commentaar: In Rom. 5:19 en 20 lezen we:
“Want, gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens zeer velen zondaren geworden zijn,
zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer velen rechtvaardigen worden. Maar de wet
is er bij gekomen zodat de overtreding toenam; waar evenwel de zonde toenam, is de genade meer dan overvloedig
geworden”. Er wordt bij bewering 28 verondersteld dat Jahweh de wet aan het volk Israël gaf
om de zonde te stimuleren. In Gal. 3:24 schrijft Paulus echter: “De wet
is dus een tuchtmeester voor ons geweest tot Christus, opdat wij uit geloof gerechtvaardigd
zouden worden”. De wet wordt hier een tuchtmeester genoemd. En een tuchtmeester heeft als doel
de getuchtigde op het rechte spoor te brengen en te houden. Allereerst valt op dat hij zegt in vers 20:
“de wet is er bij gekomen” en iets wat er bij komt is in principe een bijzaak.
In dit geval is dat een tijdelijke tuchtmeester totdat Christus kwam. Christus was de vervulling van
de wet zoals Hij zelf aangaf in Matth. 5:17. Beter gezegd: Hij was de enige vervulling van de wet, de enige die aan
de wet kon voldoen. Niemand voor Hem was daartoe in staat geweest. Als we met deze kennis Rom.
5:20 lezen, zien we hier staan wat Paulus echt bedoelde te zeggen, en dat is: “Maar de wet
is er bij gekomen met als gevolg dat de wet, gegeven aan een tuchteloos volk, niet in staat bleek te
zijn om gerechtigheid te bewerken”. Dat de zonden van het volk Israël door de wet nog duidelijker
zichtbaar werden (wet doet zonde kennen) liet alleen maar zien hoe groot de verdraagzaamheid van Jahweh
is tegenover zondaren die Hem negeren en hun eigen zondige weg blijven gaan. Dit vinden we in Rom.
3:25 waar staat: “Hem (Jezus Christus) heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof,
in Zijn bloed, om Zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid
Gods gepleegd waren, had laten geworden”. En dat is nou genade. Conclusie: de wet heeft alleen
maar laten zien dat er zonder Christus geen heil te verwachten is en bewijst tevens de noodzaak van bekering
en berouw.
En zou de wet desondanks geen opdracht zijn zoals bij bewering 29 wordt gesteld? In Jozua 1:8 zegt Jahweh met klem tegen Jozua: “Dit wetboek mag niet wijken uit uw
mond, maar overpeins het dag en nacht, opdat gij nauwgezet handelt overeenkomstig alles wat daarin
geschreven is, want dan zult gij op uw wegen uw doel bereiken en zult gij voorspoedig zijn”. En
in Psalm 119:4 wordt dit nog eens bevestigd: “Gij hebt uw bevelen geboden
opdat men die ijverig onderhoude”. En wat Jezus tegen Zijn discipelen zei voor Zijn hemelvaart
mogen we in geen geval over het hoofd zien: “Gaat dan heen, maakt al de volken tot Mijn discipelen
in Mijn naam en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb” (Matth. 28:19 in de oorspronkelijke versie).
De bijbel is desondanks volgens bewering 30 geen handboek. Heeft iemand die zoiets beweert de bijbel gelezen of heeft hij de bijbel herschreven?
31. We moeten niet strijden tegen de zonde in ons en er ons niet druk om maken.
Het is wel een realiteit maar we moeten er geen rekening mee houden.
32. Wij mensen zondigen omdat de duivel ons laat zondigen. Daar kunnen wij niets aan doen.
Mijn commentaar: Ik laat als antwoord hierop de bijbel zelf maar aan
het woord in Rom. 6:1: “Wat zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven opdat de genade
toeneme? Volstrekt niet!” En 2 Tim. 2:19: “Een ieder die de naam
des Heren noemt, breke met de ongerechtigheid”. En Rom. 3:8: “Het is toch niet zo, zoals wij gelasterd worden, en zoals sommigen beweren
dat wij zeggen: laten wij de kwade dingen doen opdat de goede dingen eruit voortkomen. De verdoeming
van hen is terecht” (vertaling uit de grondtekst).
Het is onvoorstelbaar dat deze laatste tekst ook door de alverzoeners wordt gebruikt om aan te geven dat we er niet zo maar op los kunnen leven. Dit is daarom weer een (zoveelste) tegenstrijdige lering van de alverzoeners, waarin aan de ene kant wordt gesteld dat we met de realiteit van de zonde geen rekening moeten houden (bewering 31) en aan de andere kant, naar aanleiding van Rom. 3:8, wordt gesteld dat we er niet zomaar op los mogen leven.
33. God wilde Zijn liefde bewijzen. Dit maakte een tijdelijke vervreemding tussen
God en Zijn schepselen noodzakelijk. De zonde kwam dus niet zonder Gods bedoeling in de wereld.
Mijn commentaar: Omdat ik wil laten zien hoe goed ik het met je voor
heb en hoe lief ik je heb laat ik je eerst in de ellende terechtkomen en dan zie jij pas goed, hoe goed
ik het eigenlijk wel met je voor heb. Zitten wij om dit soort liefde verlegen?
34. Door de zondeval kon de mens niet meer tot God naderen omdat Hij een heilige
God is. Hij weerde de mens af.
Mijn commentaar: Helemaal mee eens. De tegenstrijdigheid met de vorige
bewering is echter opvallend. Want een heilige God laat beslist niet met opzet de zonde in de wereld
komen!
35. Onze ziel is niet onsterfelijk en zal bij het overlijden in een soort “zieleslaap”
terechtkomen. Het idee van de onsterfelijkheid van de ziel komt rechtstreeks uit de Griekse filosofie
en niet uit de bijbel.
36. De leer dat doden niet echt dood zijn, is in wezen een spiritistische leer. Zo goed als alle religies
gaan uit van dit gegeven en vormen om die reden een invalspoort voor demonen.
Mijn commentaar: Ik hoop dat de lezer ondertussen al zover is overtuigd
geraakt van het onbijbelse in de beweringen van de alverzoeners dat hij/zij bewering 35 met een korreltje
zout kan nemen. Waar zou überhaupt de Griekse filosofie het idee van de onsterfelijkheid vandaan
hebben gehaald? We kunnen gerust aannemen dat de Grieken intelligente jongens waren en ook serieus bezig
waren met de zin van het bestaan en daarmee verbonden een eventueel bestaan na dit leven. Als mensen
hier ernstig mee bezig zijn komen ze vroeg of laat toch weer terecht bij datgene wat Jahweh in de mens
heeft gelegd, de zoektocht naar het bovennatuurlijke is de mens dus ingeschapen. Paulus vond hiervan
het bewijs in Athene waar hij een altaar vond met het opschrift: “Aan een onbekende god”
(Hand. 17:23). De Grieken vermoedden het bestaan van een god over wie hun nooit
iets was verteld. Dit was wat Paulus zelf beschreef in Rom. 1:20: “Want
hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping
der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben”.
Als de Grieken het bestaan van die onbekende god vermoedden (en die dus inderdaad blijkt te bestaan!!)
zou hun idee van een onsterfelijke ziel dan ook niet het overwegen waard zijn??
Over het begrip “dood” (bewering 36) is hierboven al het nodige geschreven. Als mensen zich bezig houden met het oproepen van de geesten van doden krijgen ze inderdaad te maken met de geesten van doden, namelijk gevallen engelen die hun schepper hebben verloochend en voor wie de donkerste duisternis is weggelegd (2 Petr. 2:17). Zij doen zich voor als de opgeroepen dode. Het zich hiermee bezighouden is dus inderdaad een spiritistische bezigheid.
Dit betekent echter niet dat de mens zelf na het overlijden in een “slaaptoestand” terecht komt. De vele mensen die een korte tijd klinisch dood waren geweest vertelden na de terugkeer in hun lichaam heel andere dingen. Dat bleek me uit een boek, geschreven door een Amerikaanse arts die in de loop van verscheidene jaren in zijn werk te maken kreeg met patiënten die tijdens een operatie, als gevolg van een ongeval of als gevolg van een ziekte een korte tijd klinisch dood waren geweest. Waarbij het nogal eens voorkwam dat de patiënt na de geslaagde reanimatiepogingen achteraf precies kon vertellen wat de artsen hadden ondernomen om het stilgevallen hart weer op gang te krijgen. Wat deze mensen daarnaast vertelden over hun belevenissen tijdens die bijna- of geheel dood ervaring kwam opvallend vaak overeen. De bekende tunnel met het felle licht aan het eind ervan is één van dit soort overeenkomsten die meer dan eens terugkeerden in deze verhalen. We hebben, naast hetgeen de bijbel erover zegt, ook op grond van deze getuigenverhalen geen enkele reden om te geloven in een “zieleslaap”.
37. Vanwege redenen die God alleen weet, hebben we slechts een voorproefje gekregen
van Zijn heilige Geest en nog niet de volle maat.
Mijn commentaar: We zouden hier beter kunnen zeggen: vanwege redenen die wij
niet willen weten. Als mensen onwillig staan tegenover de doop in de Heilige Geest bedenken ze
allerlei uitvluchten om deze doop weg te kunnen redeneren en er zodoende aan te kunnen ontkomen. Het
evangelie zoals dat door Jezus werd gebracht laat er geen twijfel over bestaan dat Hij er heel anders
over dacht. Daar is hierboven al aandacht aan besteed.
38. Het evangelie houdt zich helemaal niet bezig met de zondaar en dus ook niet
met zijn zonden. Het evangelie predikt alleen verzoening.
Mijn commentaar: Als we het hebben over “het evangelie”
dan gaat het uitsluitend over het evangelie van Jezus Christus. Een ander evangelie is er niet. De apostelen
brachten uitsluitend dit evangelie en dit evangelie heeft, tot op de dag van vandaag, als doel van zondaren
rechtvaardigen te maken. De bedoeling van een bewering als deze is om onder andere de noodzaak van bekering
weg te moffelen. Daarover is hierboven al het nodige geschreven.
39. De gerechtigheid van God is geen juridische term. Het betekent alleen dat
Hij gelooft in Zijn eigen beloften en daar recht aan doet.
Mijn commentaar: Waarmee eigenlijk wordt bedoeld dat Gods gerechtigheid
niet hetzelfde is als rechtvaardigheid. Dit schept het beeld van een God die naar eigen goeddunken kan
doen en laten wat Hij wil omdat er niemand boven Hem staat die Hem op de vingers kan tikken. Hij zal
dus zelf wel bepalen wat goed of niet goed is. Dit laatste doet Hij inderdaad maar... om ons te laten
weten wat Zijn principes hierin zijn heeft Hij ons de bijbel gegeven. En hierin vinden wij onder andere:
Dat Jahweh recht doet aan Zijn beloften staat vast. Met de zojuist aangehaalde teksten heb ik duidelijk willen maken wat die beloften onder andere zijn. En daaruit blijkt wel degelijk Gods rechtvaardigheid.
40. Jezus wordt niet je redder als je tot geloof komt. Hij is al een redder van
iedereen.
41. In Hand. 17:30 wordt gesproken over “metanoia” en dit betekent niet “bekering”
maar nadenken, “omdenken,” tot andere gedachten komen, zich bezinnen. Dit woord heeft niets
met berouw te maken. Berouw is een emotie.
Mijn commentaar: Ook hier wordt de noodzaak van ons geloof weggeredeneerd.
De door de alverzoeners veel geciteerde Paulus schrijft hier echter over: “Want ik schaam mij namelijk
niet voor het evangelie van Christus; want het is een kracht Gods tot behoudenis voor een ieder die
gelooft, eerst voor de Jood maar ook voor de Griek” (vertaling uit de grondtekst). Geloof is
een daad van onze kant en zonder dit geloof is onze redding geen feit.
Dat er bij bewering 40 eigenlijk wordt gezegd dat bekering geen noodzaak is zal voor de oplettende lezer
wel duidelijk zijn. Bij bewering 41 wordt daar nog meer springstof aan toegevoegd met de bedoeling om
met het verschijnsel “bekering” voorgoed af te kunnen rekenen. Er wordt hiervoor gebruik
gemaakt van het woord “metanoia” in Hand. 17:30, wat betekent: “een
andere gesteldheid krijgen, anders gaan denken” en dit is wel degelijk een goede beschrijving van
het begrip berouw.
In Hand. 3:19 wordt in de toespraak van Petrus het werkwoord “epi-strephô” gebruikt en dit woord betekent: zich omkeren, bekeren, de terugkeer tot God. Ook in Hand. 26:20 wordt dit woord door Paulus gebruikt in zijn verantwoording voor koning Agrippa. De bekering is dus wel degelijk een onmisbaar onderdeel van het evangelie wat de apostelen brachten. Berouw en bekering horen onlosmakelijk bij elkaar. Berouw is het gevolg van het overtuigd raken van de zonde in ons. In Joh. 16:7 t/m 11 belooft Jezus aan Zijn discipelen de Trooster die Hij na Zijn hemelvaart zou zenden. In vers 8 en 9 zegt Jezus: “En als Hij komt, zal Hij de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel; van zonde, omdat zij in Mij niet geloven...”. Hier wordt ongeloof door Jezus genoemd als oorzaak van de zonde. Het is de Heilige Geest die ons overtuigt van deze zonde en als we ons laten overtuigen volgt het berouw, waarop de bekering volgt. Berouw is geen emotie, zoals bij bewering 41 wordt gezegd, maar een hartsgesteldheid die in Gods ogen zo belangrijk is dat zonder berouw geen vergeving mogelijk is, zoals Jezus in Lucas 17:3 laat blijken: “Indien uw broeder zondigt, bestraf hem, en indien hij berouw heeft, vergeef hem”.
Conclusie:
“Er is niets nieuws onder de zon” zei Prediker al. De leer die wij alverzoening noemen
en die voor een groot deel op de brieven van Paulus is gebaseerd is een voortzetting van wat in de dagen
van de apostelen al gebeurde en wat Petrus zo treffend omschreef in 2 Petr. 3:15 en
16: “En houdt de lankmoedigheid van onze Here voor zaligheid, zoals ook onze geliefde broeder
Paulus naar de hem gegeven wijsheid u geschreven heeft, evenals in alle brieven, wanneer hij over deze
dingen spreekt. Daarin is een en ander moeilijk te verstaan, wat de onkundige en onstandvastige lieden
tot hun eigen verderf verdraaien, evenals trouwens de overige schriften”.
We moeten goed beseffen dat we in een tijd leven waarin de duivel alles op alles zet om met aangenaam
klinkende leugens zoveel mogelijk schade toe te kunnen brengen aan Gods kinderen en aan de waarheid van
het evangelie van Jezus Christus. Als kinderen Gods niet oprecht en waakzaam willen zijn zullen ze het
lot ondergaan van hen die leven in de wereld van de tweede tekst, welke ik bovenaan deze pagina heb geplaatst
en die zegt in 1 Cor. 2:14: “Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet
hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het
slechts geestelijk te beoordelen is”. En dan bevindt men zich op vijandelijk terrein. Ook de op
deze pagina behandelde alverzoeningsleer hoort bij dat vijandelijk terrein. In Jes.
66:24 wordt getoond dat alleen de afvalligen van het eindeloze heil uitgesloten zijn en dit zijn
mensen die een bewuste keuze hebben gemaakt en dus ook in staat waren om die keuze te maken!
Terugkomend op de titel van deze pagina is de eindconclusie dat de alverzoening niets met
verzoening en genade te maken heeft maar in werkelijkheid een misleiding is doordat met deze leer
zowel Gods heiligheid wordt aangetast als ook de bedoeling van Jezus' evangelie tot een mysterie
wordt gemaakt. Zonder de hulp van de Heilige Geest zijn we tenslotte absoluut niet in staat om
deze leugens te doorzien.
In Luc. 11:13 laat Jezus weten dat iedereen die er oprecht om vraagt Zijn
Heilige Geest ook zal ontvangen. Laten wij deze Heilige Geest in ons leven toe dan kunnen we met
de vaak geciteerde Paulus zeggen:
“Opdat wij niet meer onmondig zijn, als op golven bewogen en rondgesleurd door elke wind van leer door de bedriegerij van mensen in hun sluwheid tot het beramen van dwaling” (Ef. 4:14, vertaling uit de grondtekst).
P.S.
Voor wie nog niet is overtuigd kan wellicht dit getuigenis een leerzame
aanvulling zijn op al het voorgaande.
| Spreuk: Het evangelie is veel te ingewikkeld voor volwassenen. Alleen een kind kan het begrijpen. (naar Matthéüs 18:3) |
P.S.
Mocht je de inhoud van deze pagina op een meer conventionele manier onder de aandacht van andere belangstellenden
willen brengen, wees dan zo vrij en print deze pagina. Er zal
eerst een voorbeeldtekst verschijnen om je een idee te geven van de tekstgrootte. Je kunt vervolgens
een keuze maken tussen kleine en wat grotere letters, waarbij nog wel even moet worden opgemerkt dat
de kleine letters overeenkomen met de gangbare lettergrootte zoals je die in boeken en tijdschriften
aantreft.