![]() |
Inleiding.
Alweer heel wat jaren geleden kende ik een aantal “broeders en zusters” die het geweldig
met zichzelf getroffen hadden. Een onvermijdelijk begeleidend verschijnsel daarbij was dat de dappere
zielen die niet van plan waren om voor het opgeblazen ego van deze lieden te buigen door hen als ongeschikt
werden beschouwd voor de dienst in het Koninkrijk Gods. In de praktijk bestond dat koninkrijk echter
praktisch helemaal uit het zorgvuldig opgebouwde imago van deze doe-het-zelf koninkjes die hun eigen
koninkrijkjes in stand hielden met behulp van intimidatie, manipulatie, spionage en meer van dergelijke
duistere praktijken. Wat deze koninkjes destijds beweerden en, zo heb ik begrepen van ooggetuigen, nog
steeds beweren komt onder andere op deze pagina aan de orde. Ik had er aanvankelijk niet zo'n haast mee
om op deze website aan dit onderwerp aandacht te besteden maar zoals dit wel vaker voorkomt, raakte ik
er vrij onverwacht van overtuigd dat er toch maar eens werk van gemaakt moest worden. Ik hoop dan ook
met dit onderwerp te mogen bereiken dat het voor menigeen zal bijdragen aan een beter kennen van Jahweh.
Tegen het eind van deze pagina zal overigens wel duidelijk worden wat precies door de bovengenoemde personen
werd en wordt verkondigd.
Er zijn in de loop der eeuwen door massa's twijfelachtige figuren verwoede pogingen ondernomen om het vuur van
verwarring en vertwijfeling brandende te houden onder een religieuze kookpot waarin de restanten van wat ooit het
evangelie van Jezus Christus was, vermengd worden met alles wat na de tijd van de eerste apostelen voor waarheid moet
doorgaan. Het doet me allemaal denken aan de woorden van de apostel Paulus die zich in Handelingen
20:29,30 tegenover de oudsten van de gemeente te Efeze liet ontvallen:
“Zelf weet ik, dat na mijn heengaan grimmige wolven bij u zullen binnenkomen die de kudde niet zullen sparen; en uit
uw eigen midden zullen mannen opstaan, die verkeerde dingen spreken om de discipelen achter zich aan
te trekken”.
En zoals te verwachten was hebben die grimmige wolven de kudde niet gespaard. Op een dergelijke wijze waarschuwde Jezus
Zijn discipelen dat na Zijn heengaan tot de Vader ook hen vervolging en verdrukking te wachten stond. In Johannes 15:20 vinden we deze waarschuwing: “Gedenkt het woord, dat Ik tot u gesproken heb: Een
slaaf staat niet boven zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij mijn woord
bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren”. De grimmige wolven waar Paulus op doelde waren verantwoordelijk
voor een deel van die vervolgingen.
Het ligt voor de hand dat men bij het woord vervolgingen al gauw denkt aan grof geweld en folteringen. In de bijbel wordt de duivel echter onder andere de “oude slang” genoemd. Een opvallend kenmerk van een slang is dat hij zich in de meest onmogelijke bochten kan kronkelen waardoor hij voortdurend van gedaante verandert. Denkt men het ene ogenblik dat men een betrouwbare voorstelling heeft van zijn uiterlijk, een ogenblik later is daar al niets meer van terug te vinden. Ook de duivel, de oude slang, verandert voortdurend van uiterlijk en één van die uiterlijke verschijningen is die van een engel des lichts. En in die gedaante vervolgt hij eveneens de gemeente van Jezus Christus. Het gevaarlijke daaraan is dat het er zo onschuldig en oprecht uitziet. Het is echter niet meer dan één van de vele maskers waarachter deze slang zich schuil houdt.
Na het afscheid van Zijn discipelen nam Jezus Zijn plaats in aan de rechterhand van de Vader. De “oude slang” greep vervolgens zijn kansen om de prille gemeenten die kort daarop ontstonden zo mogelijk uit te kunnen roeien en daarvoor maakte deze kronkelende slang gebruik van zijn vele gedaanten, waaronder zijn (bijna) perfecte vermomming als engel des lichts. Dat hij voor dat toneelspel in deze verrotte wereld toch altijd weer handlangers kan vinden zal wellicht geen verbazing wekken. Paulus gaf een beschrijving van deze lieden in 2 Cor. 11:13-15: “Want zulke lieden zijn schijnapostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus. Geen wonder ook! Immers, de satan zelf doet zich voor als een engel des lichts. Het is dus niets bijzonders, indien ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren der gerechtigheid; maar hun einde zal zijn naar hun werken”.
In zijn brief maakt ook Judas hier melding van als hij schrijft in Judas 1:4:
“Want er zijn zekere mensen binnengeslopen die vanouds tot dit oordeel zijn opgeschreven, goddelozen,
die de genade van onze God in losbandigheid veranderen en de enige Heerser, onze God en Here, Jezus Christus,
verloochenen” (vertaling uit de grondtekst). Het woord binnengeslopen geeft al aan dat deze
zekere mensen zich onopgemerkt in de gemeenten hebben genesteld wat alleen maar mogelijk is als hun vermomming
bedrieglijk echt is. Ware dat niet het geval dan was hun binnensluipen niet lang onopgemerkt gebleven.
Jezus zelf voorspelde dit al in Matthéüs 7:15: “Wacht u voor de valse profeten, die in schapenvacht tot
u komen, maar van binnen zijn zij roofgierige wolven”.
Het geniepige van dit alles is dat deze vermomde wolven niet stil zitten maar dankzij hun vermomming, als
ogenschijnlijk oprechte Christenen, hun leugens kunnen verspreiden binnen een gemeente om daarmee een verborgen
revolutie op gang te brengen. Die uiteindelijk, want daar gaat het hun opdrachtgever om, uitloopt op een verwoeste
gemeente of meer van dit soort onheil. Ik schrijf uit ervaring.
Het is in deze wereld een beproefde methode om tegenstanders en andersdenkenden te infiltreren en/of hun organisatie
van binnenuit te ondermijnen. Dat is de welbekende en maar al te vaak succesvolle “Paard van Troje” tactiek
die ook in het Christendom zijn duizenden heeft verslagen.
Om terug te komen op het eigenlijke onderwerp van deze pagina: zoals de oude slang zijn eigen identiteit verborgen kan houden zo heeft hij zich ook sinds de zondeval ingespannen om de identiteit van de Schepper, zijn grootste vijand, voor de mens te verdraaien en te maskeren. Kijken we naar de geschiedenis van het Joodse volk dan komt er een beeld naar voren van een rebellerend volk dat van zijn God wetten ontving om het dagelijkse leven van dat volk in goede banen te leiden en om de goede relatie tussen God en volk in stand te kunnen houden. De geschiedenis van het Oude Testament laat ons zien dat van dat laatste in ieder geval al bitter weinig terecht kwam. De houding van het volk Israël wordt door God zelf omschreven zoals we dat onder andere in Jesaja 29:13 kunnen lezen: “Omdat dit volk Mij slechts met woorden nadert en met zijn lippen eert, terwijl het zijn hart verre van Mij houdt, en hun ontzag voor Mij een aangeleerd gebod van mensen is, daarom, zie, Ik ga voort wonderlijk met dit volk te handelen, wonderlijk en wonderbaar: de wijsheid van zijn wijzen zal tenietgaan en het verstand van zijn verstandigen zal schuilgaan”.
In het Nieuwe Testament bedoelde Jezus precies hetzelfde te zeggen in Matthéüs
11:25,26: “Te dien tijde hief Jezus aan en zeide: Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der
aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens geopenbaard.
Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U”.
Van een rechtvaardige God mogen we een rechtvaardig oordeel verwachten. En dit oordeel in de beide aangehaalde teksten
uit Jesaja en Matthéüs is dat de geheimenissen van het Koninkrijk Gods niet bestemd zijn voor de huichelaars,
de trouwelozen, de hooghartigen en diegenen in eigen ogen wijs zijn en door de mensen geëerd willen worden als
leraars. Van dit soort mensen ondervond Jezus tijdens Zijn evangelieprediking de meeste tegenstand. Hun zorg was dat ze
hun aanzien en eer zouden verliezen door al de aandacht van het volk voor die zonderlinge zwerver uit Galilea die zich
het lot van de armen aantrok, zieken genas en zelfs doden had opgewekt. Onder andere in Johannes
12:19 komen we hun reactie op dit alles tegen: “De Farizeeën dan zeiden tot elkander: Gij ziet voor
uw ogen, dat gij niets bereikt; zie, de gehele wereld loopt Hem na”. Dat ze veel liever zelf al die aandacht
kregen ligt er lagen dik bovenop.
Wat we zowel van het afvallige gedrag van het volk Israël als van de vijandigheid van de religieuze leiders in
Jezus' dagen leren is dat in beide gevallen het diepste wezen en de aard van hun God een verborgenheid voor hen was.
Jacobus 4:8 leert ons hierover: “Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen. Reinigt uw
handen, zondaars, en zuivert uw harten, gij, die innerlijk verdeeld zijt”.
Zolang er van een naderen tot God geen sprake is hoeven wij er niet op te rekenen dat Hij tot ons nadert
en dat Hij Zich aan ons openbaart. Sterker nog: zoals we al in Jesaja 29:13
hebben kunnen lezen rekent God af met de “wijsheid” van de “wijzen” en een paar
hoofdstukken verder vinden we in Jesaja 44:25: “die de tekenen der leugenprofeten tenietdoe en de waarzeggers
als dwazen aan de kaak stel; die de wijzen doe terugwijken en hun kennis tot dwaasheid maak”. En
in Jesaja 59:2: “maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen
u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort”.
Er is in dit tekstgedeelte sprake van het verborgen blijven van Gods aangezicht en dit laat zien dat
het meest herkenbare van Hem voor de weerspannigen een mysterie blijft. Er zijn in de loop der eeuwen
door -tig aantallen theologen en “bijbelwetenschappers” pogingen ondernomen om het wezen
van God te doorgronden maar al deze pogingen zijn absoluut vruchteloos zolang er aan Gods voorwaarden
niet is voldaan. En al die voorwaarden kunnen worden samengevat in de woorden die de drie apostelen hoorden
tijdens de verheerlijking van Jezus op de berg in Matthéüs 17:5: “Terwijl hij (Petrus) nog sprak, zie, daar overschaduwde
hen een lichtende wolk, en zie, een stem uit de wolk zeide: Deze is Mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik
mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!” Als er van ons verwacht wordt dat we naar Jezus horen
wordt er van ons verwacht dat wij gehoor geven aan het evangelie wat Hij van de Vader had ontvangen en
wat Jezus aan ons doorgaf. Dit laatste vinden we in Johannes 12:49 waar Jezus
zegt: “Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader, die Mij heeft gezonden, heeft zelf
Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen en spreken moet”. Waar mensen menen dit evangelie te moeten
vervangen door allerlei religieuze regeltjes wordt aan de voorwaarde van de Vader niet voldaan en blijft
als gevolg daarvan het wezen van de Vader en dat van de Zoon voor hen verborgen. Als God Zijn aangezicht
verbergt, verbergt Hij Zijn identiteit zodat deze een verborgenheid blijft. En wat Hij verborgen houdt,
blijft een raadsel, en in dit geval betreft dat het raadsel van Jahweh.
Dat zodoende de identiteit van Jahweh voor al de weerspannigen een verborgenheid en dus ook een raadsel is gebleven is
hiermee voldoende hard gemaakt.
Waar het in tegenstelling tot het voorgaande uiteindelijk allemaal op uit zal lopen lezen we vervolgens
in Hebreeën 8:11: “En niet langer zullen zij een ieder zijn medeburger, en
een ieder zijn broeder leren, zeggende: Ken de Here, want allen zullen zij Mij kennen, van de kleinste
tot de grootste onder hen”. Is dit uiteindelijk niet de reden waarom de mens is geschapen? God
wil gekend worden. Dit liet Jezus ook merken in Johannes 14:21: “Wie mijn
geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden
door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren”. Het “wie mijn geboden
heeft en ze bewaart” betekent hier het gehoorzaam zijn aan het evangelie van Jezus Christus en
wie hieraan gehoor geeft doet precies wat we al in Jacobus 4:8 zagen staan: “Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen”. Dus Jezus'
uitspraak: “Ik zal Mijzelf aan hem openbaren” en de woorden van Jacobus “Hij zal tot
u naderen” hebben dezelfde betekenis: het tot elkaar naderen van Schepper en mens.
Jezus' uitspraak: “Ik zal Mijzelf aan hem openbaren” staat in verband met Zijn belofte aan de discipelen
over de komst van de Trooster, de Heilige Geest, die Hij zou zenden na Zijn vertrek van deze aarde (Joh. 16:7). De verborgen omgang met Jezus door de inwoning van Zijn Heilige Geest is daarom de enige weg
om Hem werkelijk te leren kennen.
Als we het voorgaande nog eens zorgvuldig bestuderen, dan komt er nog iets opmerkelijks naar voren
waar we maar al te snel overheen lezen. In de hierboven al aangehaalde uitspraak van Jezus in Johannes
12:49: “Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader, die Mij heeft gezonden, heeft
zelf Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen en spreken moet”, blijkt dat Jezus niet uit Zichzelf
sprak maar daarentegen de woorden van de Vader doorgaf. En in Matthéüs 17:5
zei de stem uit de wolk: “Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb; hoort
naar Hem!” Dit leert ons dat de Zoon de woorden van de Vader doorgeeft en de Vader op Zijn beurt
laat weten dat we naar Zijn Zoon hebben te luisteren. Dat we dus, met andere woorden, alleen aandacht
behoren te schenken aan wat de Zoon te zeggen heeft. Dit getuigde ook Johannes de Doper en dit getuigenis
vinden we in Joh. 3:34 waar hij zegt: “Want Hij, die God gezonden heeft,
die spreekt de woorden Gods, want Hij geeft de Geest niet met mate”.
Jezus spreekt dus namens de Vader de woorden van de Vader. Dit vinden we ten overvloede nog eens terug
in Johannes 7:16: “Jezus antwoordde hun en zeide: Mijn leer is niet van Mij, maar
van Hem, die Mij gezonden heeft”. Jezus was de boodschapper van de Vader en alles wat Hij sprak
en deed, gebeurde in opdracht van de Vader. Dit was geen nieuwe situatie maar, en hier raken we het onderwerp
van deze pagina, een vervolg van de situatie die al bestond in de tijd van het Oude Testament.
De kerkhistoricus Eusebius beschrijft in zijn “Historie van de kerk” de opkomst, in de eerste eeuwen van
onze jaartelling, van een Joods-christelijke sekte genaamd de Ebionieten. Er bleken meerdere varianten van te bestaan
met dezelfde naam maar, hoe kan het ook anders, met een verschillende visie. En die visie betrof, het laat zich raden,
de persoon Jezus Christus. Bij de ene variant heerste de mening dat de maagdelijke geboorte van Jezus een verzinsel
was. Hij was in die visie dus gewoon mens en verschilde daarin in niets van zijn broers en zussen. Dat hele “god
die mens werd” verhaal was in hun visie niet veel meer dan een verzinsel.
De andere variant van deze Ebionieten had geen probleem met het bijbelse gegeven dat Jezus geboren was uit de maagd
Maria en de Heilige Geest. Maar ook daar weigerde men te geloven dat Jezus voordien had bestaan. De veelbesproken
“pre-existentie” (wat een vreselijk woord) was voor beide varianten absoluut uitgesloten. Wat ze wel
gemeenschappelijk hadden was hun afwijzen van de brieven van Paulus en het willen vasthouden aan de Joodse wetten.
Het lag voor de hand dat dit onderwerp de Christenheid sindsdien vaker zou bezighouden. De schrijver
van het boek Prediker stelde al vast in Prediker 1:9: “Wat geweest is,
dat zal er zijn, en wat gedaan is, dat zal gedaan worden; er is niets nieuws onder de zon”. En
wat destijds door de Ebionieten werd verkondigd is ook nu weer te horen. Overzien we alle aanvallen die
er sinds de Pinksterdag zijn geopend op het evangelie van Jezus Christus en op het Christendom in zijn
algemeenheid dan moeten we vaststellen dat dé centrale figuur daarin, Jezus Christus, de meeste
klappen heeft moeten verduren. Toen Saulus op zijn rooftocht naar Damaskus werd gestopt en daar midden
op de weg een ontmoeting had met een voor hem onbekende, hogere macht kreeg hij te horen: “Saul,
Saul, waarom vervolgt gij Mij?” (Hand. 9:4). Het was Jezus zelf
die aan Saulus' klopjacht een einde maakte en Saulus ter plaatse liet weten dat hij niet bezig was om
een stel religieuze fanaten op te pakken maar dat hij Jezus zelf vervolgde. Hoevele keren nadien zal
Jezus eenzelfde vraag gesteld hebben??
Sinds ik met deze website ben begonnen ben ik via de reacties op de site de meest uiteenlopende visies
en meningen tegengekomen over de persoon Jezus Christus, over Zijn positie, over Zijn afkomst, over de
rol die Hij wel of niet gespeeld zou hebben of over Zijn toekomst en status. Het was te verwachten, in
een wereld die nog wordt beheerst door een overste die zijn tijd ziet opraken. In Openbaring
12:12 vinden we deze waarschuwing: “Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u nedergedaald
in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft”.
En als een huiskat in het nauw al rare sprongen kan maken hoeven we van die getergde roofkat niet te
verwachten dat hij met zijn pootjes over elkaar zijn ondergang af zal zitten wachten. De apostel Petrus
maakt daar bepaald geen geheim van als hij schrijft in 1 Petrus 5:8: “Wordt
nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal
verslinden”. Dit kan hij doen met het geweld van een verscheurende leeuw maar eveneens,
en dat is nog veel gevaarlijker, in de gedaante van een engel des lichts.
Tezamen met mijn ervaringen van vele voorgaande jaren brengt deze hetze tegen de persoon Jezus Christus mij tot de
onvermijdelijke conclusie dat we Jezus Christus zonder twijfel kunnen beschouwen als:
Door een samenloop van omstandigheden werd ik na jaren weer opnieuw bepaald bij gebeurtenissen uit
eigen leven, die ik ondertussen al lang achter me had gelaten. Ik was daarom aanvankelijk niet van plan
om er nog weer eens aandacht aan te besteden en al helemáál niet via een website. Het liep
echter anders en hoewel ik het dus zelf niet heb gezocht heb ik na een reeks overwegingen dan toch maar
de moed gehad om me weer te gaan verdiepen in wat ik jaren geleden in eigen kring zag opkomen. Ik heb
mensen zien veranderen die ik al verscheidene jaren van nabij kende. Het was uiteindelijk een geest van
verzet en hatelijkheid die de gemeente uit elkaar dreef met traumatische gevolgen voor de meeste betrokkenen.
Het geraffineerde aan dit alles was, hoe kan het ook anders, dat het allemaal plaatsvond onder het mom
van (vermeende) heiligheid. Zoals we ook lezen in 2 Timothéüs 3:5:
“......die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben; houd ook dezen op
een afstand”. Het ondraaglijk zware klimaat tijdens de laatste samenkomsten is iets wat me altijd
zal bijblijven.
Jaren daarvoor deed ik tegenover iemand de uitspraak dat het de geest van de antichrist was die zich inspande om de
touwtjes in de gemeente stevig in handen te krijgen. Terwijl ik aanvankelijk nog wel eens twijfelde aan die woorden
moest ik niet zo lang daarna al vaststellen dat ik de spijker op zijn kop had geslagen.
Maar, om de koe nu maar eens bij de horens te vatten wil ik hier eerst in het kort weergeven wat de leer inhield die de betreffende personen zo fanatiek aanhingen. En jawel, het kwam grotendeels neer op wat de hierboven genoemde Ebionieten ook al hadden uitgevonden: die mens Jezus van Nazareth was slechts een mens. Niks God in een menselijke gedaante, allemaal flauwekul. Voor dat theologische bouwsel, zo verkondigden zij, is in de bijbel geen passend fundament te vinden.
Wat me bij de bestudering van het onderwerp op deze pagina vooral trof was de tegenstelling die ik
er in aantrof. Een tegenstelling die het lot en de geschiedenis van de Joden heeft bepaald. In Deuteronomium
10:20 zien we staan wat er van het volk Israël werd verwacht: “De Here, uw God, zult
gij vrezen, Hem zult gij dienen, Hem aanhangen en bij Zijn naam zweren”. De geschiedenis van het
Oude Testament leert ons dat er van dat vrezen en dienen maar al te vaak niet veel terechtkwam zodat
de profeet en richter Samuël al van God kreeg te horen: “...want niet u hebben zij verworpen,
maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn” (1 Sam.
8:7). En dan nu de opvallende tegenstelling: in schril contrast met de afvalligheid die het volk
Israël keer op keer liet zien staat de onvoorstelbaar gedisciplineerde wijze waarop de schriftgeleerden
van het volk zich bezig hielden met het kopiëren van de overgeleverde bijbelboeken. Wat daarbij
vooral opvalt is de eerbied en het ontzag voor de naam van God. De naam Jahweh durfden de Joden na de
Babylonische ballingschap zelfs helemaal niet meer uit te spreken uit angst om deze op de één
of andere wijze te misbruiken.
Toen Jezus Zich tijdens Zijn verblijf onder het volk Israël inspande om het evangelie van het Koninkrijk
Gods aan het volk bekend te maken kreeg Hij te maken met dezelfde vijandigheid en onwil die het gedrag
van het volk Israël al eeuwen hadden bepaald. Niet lang daarvoor kwam ook Johannes de Doper al met
de Farizeeën en Sadduceeën in aanvaring waarop hij hen zei in Matth. 3:9:
“en beeldt u niet in, dat gij bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader, want ik zeg
u, dat God bij machte is uit deze stenen(!) Abraham kinderen te verwekken”. De Joden meenden namelijk
dat zij als nazaten van Abraham terug konden vallen op het verbond wat Jahweh met Abraham had gesloten
in Genesis 17:9: “Voorts zeide God tot Abraham: En wat u aangaat, gij
zult mijn verbond houden, gij en uw nageslacht, in hun geslachten”. Die vlieger ging niet op want
Johannes de Doper had hen al laten weten in Matth. 3:8: “Brengt dan vrucht
voort, die aan de bekering beantwoordt”. Het zich beroepen op een verbond want sinds Abraham's
dagen door zijn nageslacht met voeten was getreden had geen enkele waarde. Het was de bekering en de
bijbehorende vruchten waar het God om te doen is. Daar is geen vervanging voor, ook geen verbond wat
slechts op papier in ere wordt gehouden.
Het gespleten gedrag waar Johannes de Doper en, niet lang daarna, Jezus mee werden geconfronteerd was een
voortzetting van de tegenstelling tussen de eerbied voor het geschreven Woord én de Naam van God aan de ene kant
en de vijandigheid en het verzet van de Joden tegen het (gesproken) Woord Gods aan de andere kant.
In Jesaja 29:13 wordt hier (zo lazen we hierboven al) een treffende beschrijving
van gegeven: “En de Here zeide: Omdat dit volk Mij slechts met woorden nadert en met zijn lippen
eert, terwijl het zijn hart verre van Mij houdt, en hun ontzag voor Mij een aangeleerd gebod van mensen
is”. In het Oude Testament was er voor Jahweh geen ruimte in het hart van Zijn volk en in het Nieuwe
Testament zien we hiervan de voortzetting tijdens de prediking van Johannes de Doper en Jezus en vervolgens
sinds de uitzending van de apostelen. Tijdens de laatstgenoemde periode liet Paulus weten in 1
Corinthe 1:23,24: “doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot,
voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, [prediken wij]
Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods”. Paulus wijst hier op het afwijzen van Jezus als
Messias door de Joden die ook tijdens Paulus' zendingsreizen vrijwel overal waar hij kwam aan het stoken
waren en Paulus het verkondigen van het evangelie wilden beletten. Het moet dus gezegd worden dat het
bij het bestuderen van Paulus' zendingsreizen telkens weer opvalt dat het hoofdzakelijk de (religieuze)
Joden waren die deze vijandigheid op hun geweten hadden. Deze vijandigheid vergelijkend met het gedrag
van het volk Israël in het Oude Testament kom ik tot dezelfde conclusie die ook de schrijver van
het boek Prediker in Prediker 1:9 al had getrokken: “Wat geweest is, dat
zal er zijn, en wat gedaan is, dat zal gedaan worden; er is niets nieuws onder de zon”.
Het grote probleem waar de vijanden van Jezus Christus telkens weer op stuklopen is dat niet zij maar God zelf altijd het laatste woord heeft. En dat de uitkomst van al hun spitsvondige bedenksels daarom anders zal uitpakken dan hen voor ogen stond. Om het juiste inzicht in het onderwerp van deze pagina te krijgen moet als eerste vastgesteld worden wat de positie van de Vader is. In 1 Timothéüs 6:13-16 laat Paulus hier zijn licht over schijnen als hij aan Timothéüs schrijft: “Ik beveel voor God, die alle leven wekt, en voor Christus Jezus, die de goede belijdenis voor Pontius Pilatus betuigd heeft, dat gij dit gebod onbevlekt en onberispelijk handhaaft tot de verschijning van onze Here Jezus Christus, welke te zijner tijd de zalige en enige Heerser zal doen aanschouwen, de Koning der koningen en de Here der Heren, die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, die geen der mensen gezien heeft of zien kan. Hem zij eer en eeuwige kracht! Amen”. Paulus beschrijft hier kort en bondig dat de Vader een boven alles uittorende positie bekleedt die voor ons mensen niet te vatten is en die ons voorstellingsvermogen verre te boven gaat. Er is hier zelfs sprake van een ontoegankelijk licht én dat de Vader door geen der mensen ooit gezien is of gezien kan worden. Ook de apostel Johannes laat zich hierover uit met de woorden: “Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen” (Joh. 1:18). En in zijn eerste brief herhaalt hij dit nog eens als hij schrijft in 1 Joh. 4:12: “Niemand heeft ooit God aanschouwd; indien wij elkander liefhebben, blijft God in ons en zijn liefde is in ons volmaakt geworden”. En in Colossenzen 1:15 brengt Paulus het als volgt onder woorden: “Hij (Jezus) is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping”. Wat Paulus en Johannes hier over de Vader schrijven is één van de hoofdpijlers in het evangelie van het Koninkrijk Gods. En waarom? Johannes heeft daar eigenlijk al een antwoord op gegeven met de woorden: “de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die(!!) heeft Hem doen kennen”. Dat deed Jezus toen Hij Zijn discipelen onderwees en in Zijn woorden en daden aan het volk liet zien wie de Vader is zodat Hij, kort voor Zijn gevangenneming, aan Filippus kon antwoorden: “Ben Ik zolang bij u, Filippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader?” (Joh. 14:9). Jezus had Zich er voor ingespannen om het wezen en karakter van de Vader bekend te maken aan Zijn discipelen. Ondanks dat er in het Oude Testament enkele verwijzingen zijn te vinden naar het bestaan van de Vader (zoals in Psalm 110:1) was tot de tijd van Jezus' prediking de Vader de grote onbekende gebleven. En dat is bepaald niet zo vreemd want was het niet vanwege de zondeval dat er een scheiding(!!!) was ontstaan tussen God de Vader en de zondige mens??? Want dát was namelijk de reden dat Jezus Christus de weg naar Golgotha is gegaan om zo de onoverkomelijke kloof tussen de heilige, onzichtbare Vader en de zondige mens te kunnen overbruggen. Die aanwezige kloof werd door Jezus nog eens duidelijk onder woorden gebracht in Zijn antwoord aan de vijandige Joden, in Johannes 8:19: “Zij dan zeiden tot Hem: Waar is uw Vader? Jezus antwoordde: Noch Mij, noch mijn Vader kent gij: Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader kennen”. Wat voor de Joden gold ging ook op voor alle andere mensen en dat brengt Jezus onder woorden in Joh. 17:25: “Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en dezen weten, dat Gij Mij gezonden hebt”. In Lucas 10:22 brengt Jezus deze onbekendheid met de Vader op de volgende manier onder woorden: “Alle dingen zijn Mij overgegeven door mijn Vader en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader, en wie de Vader is, dan de Zoon, en wie de Zoon het wil openbaren”. Als resultaat van Zijn prediking kan Hij echter in Joh. 17:26 Zijn hogepriesterlijk gebed besluiten met de woorden: “en Ik heb hun Uw naam bekend gemaakt en Ik zal hem bekend maken, opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij en Ik in hen”. Met de naam van de Vader bedoelt Jezus het wezen en karakter van de Vader en deze naam van de Vader was door de zondeval voor de zondige mens een mysterie geworden. Het is in onze moderne tijd waarin de geestelijke duisternis zichtbaar oprukt ook in het evangelische wereldje een overheersende trend geworden om de ernst van de zonde en de gevolgen ervan onder te schoffelen. Waardoor er ook licht gedacht wordt over de scheiding die er door de zonde ontstond tussen de Vader en deze schepping. Dat was echter geen kleinigheid, dat was absoluut dramatisch!! Zonder Jezus als de enige weg tot de Vader zou dat voor ons een eeuwige scheiding van de Vader zijn gebleven en dus een eeuwige dood. Juist over de ernst van de zonde wordt, onder invloed van demonische leergeesten, opvallend lichtvoetig gedacht in het evangelische/charismatische wereldje. Waardoor de bodem rijp werd gemaakt voor misleidende hypes zoals die van de “doelgerichte gemeente”.
De situatie is dus dat de onzichtbare Vader door Jezus tijdens Zijn rondwandeling op aarde geopenbaard werd aan de mensen. Dit bevestigt Jezus zelf nog eens in Joh. 6:46: “Niet, dat iemand de Vader gezien heeft; alleen die van God komt, die heeft de Vader gezien”. We moeten dus vaststellen dat de bijbel er geen twijfel over laat bestaan dat God de Vader in een ontoegankelijk licht woont en dat Hij de Vader is, zoals Paulus het omschrijft: “die geen der mensen gezien heeft of zien kan”.
Uit het voorgaande hebben we kunnen opmaken dat de Vader in een ontoegankelijk licht woont en dat Jezus Christus als
enige de Vader kent, Hem heeft gezien en Zijn wezen aan de mensen heeft bekend gemaakt. Dat is allemaal goed en wel,
zal de beter ingelichte lezer wellicht denken, maar wat moeten we dan met bepaalde gebeurtenissen die we in het Oude
Testament tegenkomen? Eén van deze in het Oude Testament beschreven gebeurtenissen vinden we in Genesis 18. Daar lezen we dat Abraham werd bezocht door drie mannen.
Eén van hen werd door Abraham herkend als Jahweh. Hoofdstuk 18 begint met de mededeling:
“En de Here verscheen aan hem bij de terebinten van Mamre, terwijl hij op het heetst van de dag
in de ingang der tent zat. En hij sloeg zijn ogen op en zag, en zie, drie mannen stonden bij hem; toen hij hen zag,
liep hij hun uit de ingang van zijn tent tegemoet, en boog zich ter aarde”.
Jahweh verscheen daar aan Abraham in een menselijke gestalte, vergezeld van twee engelen. Deze engelen trokken na hun
bezoek aan Abraham verder om Lot en zijn familie uit Sodom weg te halen. De Joodse bijbelgeleerden waren er zich
terdege van bewust dat het hier Jahweh betrof in een menselijke gedaante. Dit bracht hen ertoe om de tekst van vers 22 aan te passen. Wij lezen daar nu: “Toen wendden die mannen zich vandaar en gingen naar
Sodom, maar Abraham bleef nog staan voor de Here”. Oorspronkelijk moet daar gestaan hebben: “maar de Here
bleef nog staan voor Abraham”. Omdat ze het niet gepast vonden dat Jahweh een afwachtende houding aannam
tegenover Abraham en daarmee Abraham de gelegenheid gaf om nog te zeggen wat hem bezig hield en doordat ze die
afwachtende houding tegenover Abraham een vernederende situatie vonden voor Jahweh pasten ze uit respect voor Jahweh de
tekst aan zodat wij nu in onze bijbel lezen dat Abraham een afwachtende houding aannam tegenover Jahweh. Lezen we die
tekst nauwkeurig in de context dan blijkt dat deze tekst in de huidige vorm inderdaad geen logische volgorde heeft. De
drie mannen verschenen samen aan Abraham aan het begin van hoofdstuk 18 en het lag in de lijn der verwachting dat ze
ook weer samen zouden vertrekken. Dat gebeurde echter niet. De twee engelen zetten hun reis voort maar Jahweh bleef nog
staan. Het zou daarom een nauwkeuriger beschrijving van dit voorval zijn geweest als het contrast tussen de
vertrekkende engelen en de daarentegen nog wachtende Jahweh was benadrukt. In plaats daarvan lezen we in onze bijbel
dat het Abraham was die nog bleef wachten. Deze aanpassing van de tekst laat zien dat de Joodse geleerden dus zeer wel
beseften dat het hier handelde om Jahweh in een menselijke gestalte.
Dat het beslist geen geestverschijning betrof blijkt ook uit het feit dat Jahweh zelfs at wat Abraham, als gastheer,
Hem had voorgezet (vers 8). Net zoals Jezus het stuk gebakken vis opat dat de discipelen Hem
gaven te eten nadat Hij na Zijn opstanding onverwacht weer in hun midden verscheen (Lucas
24:42). In Lucas 24:39 zegt Jezus zelfs: “Ziet mijn handen en mijn voeten, dat Ik
het zelf ben; betast Mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet, dat Ik heb”. Als
bewijs hiervoor at Hij het stuk vis voor hun ogen op. Datgene waar de discipelen bij Jezus' verschijning getuige van
waren was een vergelijkbare situatie met die zoals in Genesis 18 wordt beschreven, waar Jahweh
de maaltijd at die Abraham Hem had voorgezet.
Nadat Abraham zijn smeekbede was begonnen voor de misschien nog aanwezige rechtvaardigen in Sodom
doet hij in vers 25 een opvallende belijdenis: “Het zij verre van U, aldus te handelen,
de rechtvaardige te doden met de goddeloze, zodat de rechtvaardige zou zijn gelijk de goddeloze; verre
zij het van U; zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?” In Joh.
5:22 doet Jezus een uitspraak die met Abraham's belijdenis sterke overeenkomsten heeft: “Want
ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft het gehele oordeel aan de Zoon gegeven”. Jezus
laat ons met deze woorden zien dat Hij de rechter is die levenden en doden zal oordelen. Ook in Handelingen
10:42 getuigt Petrus hiervan: “en Hij heeft ons geboden het volk te prediken en te betuigen,
dat Hij het is, die door de Vader is aangesteld tot rechter over levenden en doden”. En
Paulus getuigt in 2 Timothéüs 4:1: “Ik betuig u nadrukkelijk
voor God en Christus Jezus, die levenden en doden zal oordelen, met beroep zowel op zijn verschijning
als op zijn koningschap...”. In 2 Cor. 5:10 schrijft hij: “Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus
openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan
heeft, hetzij goed, hetzij kwaad”. En in Rom. 14:10 nogmaals: “Gij
echter, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat minacht gij uw broeder? Want wij zullen allen gesteld
worden voor de rechterstoel van Christus” (volgens de grondtekst).
We kunnen er niet omheen dat de beschrijvingen van Jezus die we in het Nieuwe Testament vinden overeenkomen met de
uitspraak van Abraham. Het verband hiertussen komt verderop opnieuw aan de orde.
In Exodus 24 wordt eveneens een in dit verband bijzondere gebeurtenis vermeld. Bij deze
gebeurtenis ontving Mozes de wet op stenen tafelen. Maar daaraan vooraf kreeg Mozes de opdracht die we in vers 1 lezen: “Tot Mozes zeide Hij: Klim op tot de Here, gij en Aäron, Nadab en Abihu en
zeventig van de oudsten van Israël en buigt u van verre neder”. Het daadwerkelijk beklimmen van de berg
wordt vervolgens beschreven in Exodus 24:9-11: “En Mozes klom op met Aäron, Nadab
en Abihu en zeventig van de oudsten van Israël. En zij zagen de God van Israël en het was
alsof onder zijn voeten een plaveisel lag van lazuur, als de hemel zelf in klaarheid. Maar tot de vooraanstaanden der
Israëlieten strekte Hij zijn hand niet uit; zij aanschouwden God en zij aten en dronken”.
Van een afstand waren de vooraanstaanden van het volk getuige van dit schouwspel en ondanks dat ze Jahweh aanschouwden
staat er: “Maar tot de vooraanstaanden der Israëlieten strekte Hij zijn hand niet uit”. Anders gezegd:
ze mochten blijven leven.
Een geheel andere gebeurtenis staat echter te lezen in Exodus 33:20: “Hij
zeide: Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven”. Dit wekt
de indruk dat er sprake is van een tegenstrijdigheid. Bij deze gelegenheid bevond Mozes zich opnieuw
op de berg Sinaï om voor de tweede maal de wet op stenen tafelen te ontvangen nadat hij de vorigen
in zijn woede en teleurstelling had stuk gegooid, nadat hij bij zijn terugkomst van de bergtop het volk
zag dansen voor hun doe-het-zelf afgod. Het verschil met de vorige verschijning in Exodus
24 is echter dat Mozes een speciaal verzoek deed in vers 18: “Maar hij zeide: Doe mij toch uw heerlijkheid zien”.
Jahweh's antwoord daarop is: “Ik zal mijn luister aan u doen voorbijgaan en de naam des Heren voor
u uitroepen: Ik zal genadig zijn, wie Ik genadig ben, en Mij ontfermen, over wie Ik Mij ontferm. Hij
zeide: Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven”. In Exodus
24 zagen de oudsten van het volk de gestalte van Jahweh vanaf een grote afstand maar Mozes was
daar kennelijk niet tevreden mee. Zijn verzoek om Jahweh's heerlijkheid te mogen zien kwam er op neer
dat Jahweh Zich in een andere gestalte zou tonen dan in Exodus 24 het geval
was. Maar daarmee liep Mozes eigenlijk te hard van stapel waarop hem werd geantwoord dat geen enkel zondig
mens Jahweh's heerlijkheid en dus Zijn heiligheid zou kunnen aanschouwen zonder dat dit ingrijpende gevolgen
zou hebben.
Paulus belijdt in 1 Corinthe 13:12: “Want nu zien wij nog door een spiegel,
in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle
kennen, zoals ik zelf gekend ben”. Uiteindelijk zal dit toch werkelijkheid worden maar in Mozes'
tijd was dit nog ondenkbaar. Het verschil zit hem dus in de manier waarop en de gestalte waarmee Jahweh
Zich openbaart. Immers ook Abraham sprak met Jahweh van man tot man maar bij die ontmoeting verscheen
Hij in een menselijke gestalte.
Dan hebben we daar nog de belevenissen van het eerste mensenpaar in de hof van Eden. Kort na de ongehoorzaamheid van
Adam en Eva hoorden ze tot hun grote schrik iemand naderen zoals we lezen in Genesis 3:8:
“Toen zij het geluid van de Here God (grondtekst: Yhwh Elohim) hoorden, die in de hof wandelde in de avondkoelte,
verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de Here God tussen het geboomte in de hof”. Het feit dat ze meteen
begrepen wie daar aankwam en dat ze aan het (bekende) geluid konden horen wie daar naderde laat zien dat ze dit niet
voor het eerst hadden meegemaakt. Ze herkenden het naderen van de Here God maar hun bezwaarde geweten verhinderde hen
om Jahweh tegemoet te komen. Ze hadden heel goed door dat ze fout bezig waren geweest. En ze begrepen dat ze daarmee
Jahweh niet onder ogen konden komen. Dat hun schaamte vanwege hun naaktheid er ook in meespeelde is in dit voorval
feitelijk maar bijzaak omdat de ontdekking van hun eigen naaktheid het gevolg was van hun belaste geweten en niet
andersom.
Daar is ongetwijfeld nog heel wat over te zeggen en te schrijven maar waar het in dit verband om gaat is het simpele
feit dat de Here God, dus Jahweh, in de hof wandelde en dan nog wel in een verschijning die voor de mens herkenbaar
was. Niet als geest of spook of iets van dien aard maar heel gewoon, in een gestalte die door de mens kon worden gezien
en aangesproken.
Nog zo'n wonderlijke ontmoeting vinden we in Jozua 5:13-15. Die vond plaats
kort voordat het volk Israël onder leiding van Mozes' opvolger Jozua de stad Jericho zou gaan innemen.
We lezen daar: “Het gebeurde nu, terwijl Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen opsloeg. Zie,
daar stond een man tegenover hem met een uitgetrokken zwaard in de hand. Jozua trad op hem toe en vroeg
hem: Behoort gij tot ons of tot onze tegenstanders? Doch hij antwoordde: Neen, maar ik ben de vorst
van het heer des Heren. Nu ben ik gekomen. Toen wierp Jozua zich op zijn aangezicht ter aarde, boog
zich neer en zeide tot hem: Wat heeft mijn heer tot zijn knecht te zeggen? En de vorst van het heer des
Heren zeide tot Jozua: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat, is heilig.
En Jozua deed dit”.
In Exodus 3:4-6 lezen we over een vergelijkbare ontmoeting bij de roeping van
Mozes. We lezen daar: “Toen de Here zag, dat hij het ging bezien, riep God hem uit de braamstruik
toe: Mozes, Mozes! En hij antwoordde: Hier ben ik. Daarop zeide Hij: Kom niet dichterbij: doe uw schoenen
van uw voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilige grond. Voorts zeide Hij: Ik ben de God van
uw vader, de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jacob. Toen verborg Mozes zijn gelaat,
want hij vreesde God te aanschouwen”. Bij deze ontmoeting kreeg dus ook Mozes te horen dat
hij op heilige grond stond. Mozes en zijn opvolger Jozua kregen beide te horen dat ze eerbied verschuldigd
waren tegenover Diegene met wie zij een ontmoeting hadden. Dit vormt een tegenstelling met de in de bijbel
beschreven ontmoetingen tussen mensen en engelen.
We kunnen in de bijbel diverse malen lezen over verschijningen van engelen, waarbij ze zowel alleen als met
meerderen verschenen, zoals ook hierboven al is beschreven (naar aanleiding van Genesis 18).
Ze verschenen in de gedaante van een mens of, zoals het Daniël overkwam, in de gedaante van een bovennatuurlijk
wezen. Dan kon het gebeuren dat bij de persoon in kwestie het klamme zweet uitbrak en hij bevend op de grond viel om
deze hemelse verschijning te aanbidden. Maar ook zonder uitzondering werd er vervolgens door de engel ingegrepen met de
mededeling dat hij geen aanbidding duldde.
De apostel Johannes deed dit bijvoorbeeld tot twee keer toe zoals we lezen in Openbaring
19:10: “En ik wierp mij neder voor zijn voeten om hem te aanbidden, maar hij zeide tot mij:
Doe dit niet! Ik ben een mededienstknecht van u en uw broederen, die het getuigenis van Jezus hebben;
aanbid God! Want het getuigenis van Jezus is de geest der profetie”. En nogmaals in Openbaring
22:8,9: “En ik, Johannes, ben het, die deze dingen hoorde en zag. En toen ik ze gehoord
en gezien had, wierp ik mij neder voor de voeten van de engel, die ze mij toonde, om te aanbidden. Maar
hij zeide tot mij: Doe dat niet! Ik ben een mededienstknecht van u en van uw broederen, de profeten,
en van hen, die de woorden van dit boek bewaren; aanbid God!”
Er wordt door de engel tot tweemaal toe aan Johannes duidelijk gemaakt dat hij uitsluitend God mocht
aanbidden en dat de engel geen aanbidding mocht accepteren. De schrijver van de brief aan de Hebreeën
laat ons over de engelen weten in Hebreeën 1:14: “Zijn zij niet allen
dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen, die het heil zullen beërven?”
Bij de ontmoeting tussen Jozua en de man met het zwaard komt echter iets heel anders naar voren. Daar
buigt Jozua zich voor de man met het zwaard maar hij wordt er niet om terechtgewezen. Integendeel, hij
krijgt zelfs te horen dat hij ook nog zijn schoenen moet uittrekken omdat de grond waarop hij staat heilig
is. Er is hier dus iets heel anders aan de hand dan bij de apostel Johannes het geval was. In het antwoord
van de man met het zwaard aan Jozua geeft hij aan wat zijn status is: vorst van het heer (leger) des
Heren.
Waaruit bestaat dit leger? Paulus noemt dit leger in Romeinen 8:19: “Want met
reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods”. Daar draait het evangelie van
Jezus Christus namelijk om. Hij kwam om de verzoening tot stand te brengen, het Koninkrijk Gods op aarde te vestigen en
Zich een leger te verzamelen om oorlog te voeren tegen het beest (Openb. 13) en zijn leger.
Die zonen Gods zijn geen engelen maar mensen. Mensen die discipelen van Jezus Christus zijn geworden omdat ze daar een
bewuste keuze voor hebben gemaakt en de onvermijdelijke vervolging die daar op volgt hebben aanvaard. In Openbaring 19:11-14 komen we hen weer tegen: “En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard; en
Hij, (Jezus Christus) die daarop zat, wordt genoemd Getrouw en Waarachtig, en Hij velt vonnis en voert oorlog in
gerechtigheid. En zijn ogen waren een vuurvlam en op zijn hoofd waren vele kronen en Hij droeg een geschreven naam, die
niemand weet dan Hijzelf. En Hij was bekleed met een kleed, dat in bloed geverfd was, en zijn naam is genoemd: het
Woord Gods. En de heerscharen, die in de hemel zijn, volgden Hem op witte paarden, gehuld in wit en
smetteloos fijn linnen”. Er is hier sprake van de heerscharen die in de hemel zijn (in de
grondtekst wordt hier het woord legers gebruikt) en zij zijn gehuld in wit en smetteloos fijn linnen.
De betekenis van dit wit en smetteloos fijn linnen wordt in Openb. 19:8 gegeven: “want
dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen”. Bij deze rechtvaardige daden moeten we niet denken
aan bijvoorbeeld de goede werken die in de Rooms-katholieke leer een onmisbaar onderdeel vormen bij het verkrijgen van
de eeuwige zaligheid, een dogma waar Maarten Luther destijds (terecht) op is afgeknapt. Het evangelie laat er geen
twijfel over bestaan dat uitsluitend Jezus Christus de weg is naar de Vader en daarmee naar het eeuwige leven. De
gehoorzaamheid aan Jezus' evangelie en het willen aanvaarden van de onvermijdelijke vervolgingen vormen deze
rechtvaardige daden der heiligen. Daar zijn geen eigen verdiensten bij en geen goede werken ter wille van het eigen
behoud.
Dit linnen geeft dus de verworven positie van deze heiligen aan als gevolg van hun rechtvaardige daden. Die verworven
positie wordt door de apostel Paulus onder woorden gebracht in Rom. 8:30: “en die Hij
tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en
die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt”. Paulus heeft het hier over
dezelfde categorie mensen die ook het heil zullen beërven in de hierboven al aangehaalde tekst uit Hebreeën 1:14: “Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van
hen, die het heil zullen beërven?” Er wordt in deze laatste tekst onderscheid gemaakt
tussen de dienende engelen en hen die het beloofde heil beërven, waardoor zij verheerlijkt zullen worden en als
gevolg daarvan worden gerekend tot de heerscharen die in de hemel zijn.
Dit leger rijdt op witte paarden en die paarden zijn een beeld van de Heilige Geest. Het feit dat
er op witte paarden wordt gereden wijst op de doop in de Heilige Geest, die zij hebben ontvangen en die
een onmisbaar onderdeel vormt van het evangelie van het Koninkrijk Gods. Alleen mensen ontvangen deze
doop in de Heilige Geest en niet de engelen. Het is daarom uitgesloten dat dit leger uit engelen zou
bestaan, zoals wel eens wordt gedacht. De duivel kreeg namelijk direct na de eerste zonde in de Hof van
Eden te horen dat zijn vonnis door het zaad van de vrouw, haar nakomelingen, voltrokken zou worden. Genesis
3:15 laat ons zien wat satan te horen kreeg: “En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de
vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen”.
Het vermorzelen van zijn kop vindt plaats tijdens de beslissende eindstrijd waarin zijn heerschappij
over deze wereld voorgoed verbroken wordt en waarin de machtspositie die hij sinds de zondeval had, wordt
tenietgedaan.
Die eindstrijd wordt in Openbaring 19:19 beschreven: “En ik zag het beest en de koningen
der aarde en hun legerscharen verzameld om de oorlog te voeren tegen Hem, die op het paard zat, en tegen Zijn
leger”. Dit is een oorlog tussen twee elitetroepen. We zien in de teksten uit Openbaring
19:11-14 en 19 Jezus Christus in actie als aanvoerder en vorst(!) van de hemelse heerscharen (de
legers in de hemel, volgens de grondtekst) ten tijde van de laatste en beslissende slag tegen het
occulte leger van de antichrist.
Paulus laat ons weten dat het hele verlossingsplan door middel van Jezus' lijden en sterven, maar ook
het openbaar worden van de zonen Gods tot en met hun beslissende eindstrijd tegen het beest en zijn volgelingen
in de gedachten van God al klaar lag voordat er sprake was van een zondeval. In Efeze
1:4 schrijft hij namelijk: “Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren voor de grondlegging
der wereld, opdat wij (de zonen Gods, de heerscharen die in de hemel zijn) heilig en onberispelijk zouden
zijn voor Zijn aangezicht”.
Niet alleen Jezus' verlossingswerk maar ook het aandeel van de (volmaakte) zonen Gods was in dat verlossingsplan dus al meegenomen want Paulus heeft het in Efeze 1:4 duidelijk en beslist niet over een verzameling “modale kerkgangers” die slechts naar menselijke maatstaven netjes hebben geleefd en zich netjes hebben gedragen, inclusief stropdas en vlotte kuif, maar over echte discipelen van Jezus die het kruis (van de vervolging) in hun leven niet hebben geschuwd en het Lam Gods zijn gevolgd waar het ook heen ging. Dát is namelijk het echte werk, al het andere is nep. Daar helpt geen net pak of stropdas aan. Ook in Rom. 8:28-30 (waarvan vers 30 hierboven al is aangehaald) brengt Paulus dit onder woorden als hij schrijft: “Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. Want die Hij tevoren gekend heeft (voor de grondlegging der wereld), heeft Hij ook tevoren (voor de grondlegging der wereld) bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt”. Jezus kwam om het Koninkrijk Gods op deze aarde(!) te vestigen en de enige inwoners van dat Koninkrijk Gods op aarde zijn aardbewoners, dat zijn dus mensen en geen engelen. Van die aardbewoners zijn het de zonen Gods die hun aandeel leveren in het vernietigen van de macht van satan. Het enige heer (leger) des Heren waarover de man met het zwaard tegenover Jozua sprak zijn daarom mensen, de zonen Gods, die echter ten tijde van de ontmoeting tussen Jozua en de man met het zwaard nog niet bestonden maar al wel in Gods gedachten, als een deel van het hele verlossingsplan. Daarom kon de man met het zwaard al bij vooruitbetaling spreken over de hemelse heerscharen die in de hemel zijn en waarvan hijzelf de aanvoerder is.
In de Hebreeënbrief wordt Jozua, als aanvoerder van het volk Israël, genoemd in verband
met de rust van het Koninkrijk Gods. Dat is het klimaat wat het leven van iedere echte discipel van Jezus
zal gaan beheersen ondanks de felle aanvallen die hij/zij zal ondervinden vanuit het rijk van satan.
We vinden dit in Jesaja 32:17-19: “En de vrucht der gerechtigheid zal
vrede zijn, de uitwerking der gerechtigheid rust en veiligheid tot in eeuwigheid. En mijn volk
zal in een verblijf des vredes wonen, in veilige woningen, in oorden van ongestoorde rust, zelfs wanneer
het hagelt, zodat het woud terneder stort en de stad in de diepte neerzinkt”.
We lezen in Hebreeën 4:8: “Want indien Jozua hen in de(ze) rust gebracht had, zou
Hij niet [meer] over een andere, latere dag gesproken hebben”. Er wordt hier de nadruk gelegd op het feit dat
Jozua het volk Israël niet in die rust kon brengen, ondanks dat onder zijn leiding het volk Israël
bezit nam van het beloofde land. Voor de rust van het Koninkrijk Gods was een onmetelijk veel beter verbond nodig dan
het verbond dat Jahweh in de woestijn met het volk Israël had gesloten. Voor dat betere verbond was een andere
Jozua nodig met een beter leger dan wat Jozua tot zijn beschikking had. Een leger dat in staat zou zijn om de hele
aarde te verlossen van de bezetting door het rijk van satan.
Vlak voordat Jozua het volk Israël het beloofde land zou binnen leiden voor de verovering van de eerste vesting
(Jericho) die ze op hun weg tegenkwamen kwam hij oog in oog te staan met deze andere Jozua, die zich bekend maakte als
de vorst van het heer des Heren.
Hierboven hebben we in Openbaring 19:11-14 al zien staan dat dit heer (leger)
des Heren genoemd werd als de heerscharen, die in de hemel zijn. Nou wil het geval dat Jahweh in het
Oude Testament onder andere de Here der heerscharen wordt genoemd (Jahweh Zebaoth).
In Jesaja 6 vinden we hiervan een sprekend voorbeeld: “In het sterfjaar
van koning Uzzia zag ik de Here zitten op een hoge en verheven troon en zijn zomen vulden de tempel.
Serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee bedekte
hij zijn voeten en met twee vloog hij. En de een riep de ander toe: Heilig, heilig, heilig is de Here
der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol. En de dorpelposten beefden van het
luide roepen en het huis werd vervuld met rook. Toen zeide ik: Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben
een man, onrein van lippen, en woon te midden van een volk, dat onrein van lippen is; en mijn ogen hebben
de Koning, de Here der heerscharen, gezien. Maar een der serafs vloog naar mij toe met een gloeiende
kool, die hij met een tang van het altaar genomen had; hij raakte mijn mond daarmede aan en zeide: Zie,
deze heeft uw lippen aangeraakt; nu is uw ongerechtigheid geweken en uw zonde verzoend”.
Evenals de hiervoor al beschreven personen was ook Jesaja hier getuige van de aanblik van Jahweh, als de Here der
heerscharen, en hij werd er niet om gedood, zoals hij verwachtte.
Wat Jozua dus overkwam toen hij tegenover de man met het zwaard stond was niets anders dan dat hij een ontmoeting had
met Jahweh, de vorst van het heer des Heren en de Here der heerscharen. De Jozua van het oude verbond had een
ontmoeting met de Jozua van het nieuwe en betere verbond.
Vatten we het voorgaande nu samen dan is om te beginnen hierboven gesteld dat Jezus Christus de vorst
is van de heerscharen die in de hemel zijn en die onder aanvoering van Jezus de eindstrijd zullen aangaan
met de antichrist en zijn leger. De man met het zwaard die tegenover Jozua stond maakte zich bekend als
de vorst van ditzelfde heer (leger) des Heren. Dat betekent dat hij dezelfde vorst is die later onder
de naam Jeshua (Jahshua) als mens Zijn discipelen onderrichtte en hen voorbereidde op hun taak om het
door Hem op deze wereld gevestigde Koninkrijk Gods verder uit te breiden. De naam Jeshua (Jahshua) betekent
“Jahweh is redding” of ook “redding” en is dezelfde naam als Jozua.
Dus: Jozua = Jeshua (Jahshua). Uit Numeri 13:16 blijkt dat Jozua zijn naam op latere leeftijd van Mozes ontving: “Dit
zijn de namen der mannen, die Mozes uitzond om het land te verspieden; en Mozes noemde Hosea, de zoon
van Nun, Jozua”. De profeet Mozes zag met deze naamsverandering al vooruit naar de Jozua van het
nieuwe verbond.
De naam Jeshua is daarom niet zomaar een loze kreet want de enige redder die wij kennen is Jezus Christus, die ten
tijde van Zijn aanwezigheid op deze wereld de naam Jeshua droeg. Deze naam had daarom ontegenzeggelijk betrekking op
Hemzelf want Hij was Jahweh(!) die als redder der wereld kwam.
Abraham besefte dat hij Jahweh, de rechter der ganse aarde, tegenover zich had staan. Dit komen we opnieuw
tegen in de belijdenis van Petrus in Handelingen 10:42: “en Hij heeft
ons geboden het volk te prediken en te betuigen, dat Hij het is, die door de Vader is aangesteld tot
rechter over levenden en doden”. Wat wordt bevestigd door de uitspraak van Jezus in Joh.
5:22: “Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft het gehele oordeel aan de Zoon
gegeven”.
Abraham herkende Jahweh en Petrus sprak over Jeshua. Beiden herkenden dezelfde Jahweh, waarbij Petrus Hem had leren
kennen als de timmerman uit Nazareth die als Jeshua (Jahshua) door het leven ging. Jozua ontmoette op zijn beurt Jahweh
als de vorst van het heer des Heren, de Jozua (Jeshua) van het nieuwe verbond.
Zetten we het een en ander op een rij dan ziet het er zo uit:
Alles bij elkaar opgeteld is de uitkomst: Jahweh = Jahshua HaMoshieyach = Jezus Christus. Dit heeft nogal wat gevolgen voor bepaalde lieden die zich er tot op heden op beroepen dat zij als nazaten van Abraham terug kunnen vallen op het (verouderde) verbond wat Jahweh ooit met Abraham heeft gesloten. Diezelfde Jahweh hebben zij als Jahshua HaMoshieyach (= Messias) afgewezen en daar zullen ze t.z.t. nog wel iets over te horen krijgen!
Omdat mijn kennis van de Hebreeuwse taal behoorlijk te kort schiet heb ik voor meer informatie over de oorspronkelijke Hebreeuwse grondtekst van het Oude Testament een beroep gedaan op de kennis van Messias belijdende Joden die het Hebreeuws (uiteraard) feilloos beheersen. Daaruit is me duidelijk geworden dat de naam Jeshua zo'n honderd maal in het Oude Testament is te vinden. Telkens wanneer er in het Oude Testament wordt gesproken over redding wordt daar, op een paar uitzonderingen na, hetzelfde woord Jeshua voor gebruikt zoals we dat ook tegenkomen in Matth. 1:20-21 waar Jozef wordt overtuigd van de bovennatuurlijke oorsprong van Maria's kind. Er wordt in deze tekst bovendien onmiskenbaar meegedeeld dat de naam Jeshua verbonden is met het begrip redding. We lezen namelijk in vers 21: “Zij zal een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven. Want Hij is het die zijn volk zal redden van hun zonden”. Let hier goed op het woord want, omdat daarmee wordt aangeduid dat de naam Jezus (Jeshua) is gegeven in direct verband met de redding van de mens vanuit de zonde (Jeshua/Jezus = Jahweh is redding). De hier gebruikte NBG vertaling van deze tekst komt trouwens heel goed overeen met de Griekse grondtekst.
Een mooi voorbeeld uit het Oude Testament is Jesaja 62:11: “Want de Here doet het horen tot het einde der aarde: Zegt tot de dochter Sions: zie, uw heil komt; zie, Zijn loon is bij Hem en Zijn vergelding gaat voor Hem uit”. Het in deze NBG vertaling gebruikte woord heil is bepaald geen ideale keuze van de vertalers geweest. De correcte vertaling daarentegen vanuit de Hebreeuwse grondtekst is Jeshua (= Jahweh is redding). Er wordt bovendien geen ding of een gebeurtenis maar een persoon mee aangeduid, zo blijkt uit de gebruikte woorden Zijn en Hem. En die persoon is Jezus Christus! De juiste vertaling van deze tekst luidt dus: “Want de Here doet het horen tot het einde der aarde: Zegt tot de dochter Sions: zie, uw Jeshua komt; zie, Zijn loon is bij Hem en Zijn vergelding gaat voor Hem uit”.
Deze feiten moeten mijns inziens toch wel minstens drie poten weg kunnen zagen van onder de tafel waarop de orthodoxe Joden hun verzet tegen Jezus Christus als de Messias hebben uitgestald. En zo'n tafel blijft zeer waarschijnlijk niet lang overeind staan!
Overzien we nu het voorgaande dan kunnen we er niet omheen dat de Vader, zoals we hierboven in 1
Tim. 6 zagen staan, “......een ontoegankelijk licht bewoont, die geen der mensen gezien
heeft of zien kan....”. En in Joh. 1:18 lazen we: “Niemand heeft
ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen”.
Kijken we vervolgens naar de hierboven besproken ontmoetingen die er desondanks plaatsvonden tussen Jahweh en de
genoemde personen dan moeten we vaststellen dat er in die gevallen sprake is van iemand anders dan God de Vader.
Dit komt er op neer dat God de Vader niet dezelfde is als Jahweh maar dat Jahweh wel diegene is die als Jeshua, de
timmerman uit Nazareth, Zijn evangelie bekend maakte en na Zijn dood en opstanding aan Zijn discipelen de opdracht gaf
om het Koninkrijk van de tweede Jozua = Jeshua verder uit te breiden om zo al de volken tot Zijn discipelen te kunnen
maken.
We moeten, al deze informatie overziende, daarom een duidelijk onderscheid maken tussen de onzichtbare Vader en de
Zoon die Zich tegenover Mozes bekend maakte als Jahweh: Ik ben die ik ben, zoals we kunnen lezen in Exodus 3:14: “Toen zeide God tot Mozes: Ik ben, die Ik ben. En Hij zeide: Aldus zult gij tot de
Israëlieten zeggen: Ik ben heeft mij tot u gezonden”.
De betekenis hiervan is dat Hij de eeuwig onveranderlijke is. Dit wordt ook nog eens door de
Hebreeënschrijver onderstreept als hij schrijft in Hebr. 13:8: “Jezus Christus is
gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid”. En in Jacobus 1:17
lezen we van de Vader: “Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neder, van de
Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer”. Ook in dit opzicht is
Jezus het beeld van de onzichtbare en onveranderlijke Vader zoals Colossenzen 1:15 ons laat
weten: “Hij (Jezus) is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping”.
Ik ga me hier nu niet verdiepen in het vraagstuk over de oorsprong van de Zoon en of Hij wel of niet door de Vader
is geschapen en wanneer dat dan wel in vredesnaam gebeurd zou mogen zijn. Dit soort overwegingen hebben destijds ook
bij het ontstaan van het “christelijke” drie-eenheiddogma een rol gespeeld
waaruit een onbegrijpelijke constructie is ontstaan die tot op de dag van heden hoofdzakelijk voor een berg verwarring
heeft gezorgd. Omdat dit van oorsprong heidense dogma nooit een afdoende antwoord heeft kunnen geven op het wezen van
de Vader en de Zoon. We moeten ook rekening houden met het simpele feit dat wij mensen gebonden zijn aan het
natuurverschijnsel “tijd” en ons om die reden geen voorstelling kunnen maken van zoiets ongrijpbaars als
“eeuwigheid”. Als wij ons suf piekeren over “hoelang was Jezus er al voordat de schepping tot stand
kwam?” zijn we weer bezig te denken in termen van tijd. Dat moeten we niet doen, dat zullen we pas goed kunnen
begrijpen zodra we zelf geschiedenis zijn en de tijd achter ons hebben gelaten.
“Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik
onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben” (1 Corinthe
13:12).
Keren we nu weer terug naar wat hierboven al is aangehaald over Jezus' opdracht zoals Hij dit zelf
verwoordde in Johannes 12:49: “Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken,
maar de Vader, die Mij heeft gezonden, heeft zelf Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen en spreken moet”.
Dit spreken namens de Vader deed Jezus tijdens Zijn verblijf op deze aarde maar ook daarvoor al. Als
Jahweh was Hij de schakel tussen de Vader, die boven alles is, en deze schepping. Dit wordt ook door
de Hebreeënschrijver aangehaald: “Nadat God (de Vader) eertijds vele malen en op vele wijzen
tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in
de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft(!).
Deze, de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door het
woord zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de
rechterhand van de majesteit in den hoge” (Hebreeën 1:1-3). We lezen
hier dat God de Vader tot de vaderen sprak door de profeten. In Jesaja 6 zagen
we echter dat de profeet Jesaja van Jahweh, de Here der heerscharen, de opdracht ontving om tot het (weerspannige)
volk te spreken. Jahweh was de opdrachtgever van Jesaja en alle andere profeten, wat we onder andere
terug vinden in Zacharia 7:12: “hun hart maakten zij als diamant, om niet
te horen naar de onderwijzing en de woorden die de Here der heerscharen (Jahweh Zebaoth) door zijn Geest,
door de dienst van de vroegere profeten, had doen overbrengen. Daarop kwam er een grote toorn van de
Here der heerscharen”.
Jezus Christus was dus als Jahweh de stem van de Vader die de woorden van de Vader doorgaf aan Zijn profeten
en als Jeshua HaMoshieyach was Hij eveneens de stem van de Vader en de enige schakel tussen de onzichtbare
Vader en ons mensen. In Johannes 14:6 kan Jezus daarom zeggen: “Ik ben
de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij”. Hij is de enige
verbindingsschakel tussen de onzichtbare Vader en de mens. Dat was ook in het Oude verbond al zo. De
apostel Petrus doet in dit verband ook nog een interessante uitspraak in 1 Petrus 1:10,11:
“Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd
hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde,
toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid
daarna”. Petrus laat er hier geen twijfel over bestaan dat het de (Heilige) Geest van Jezus Christus
was die de profeten inspireerde. En die Geest maakte Zich aan hen bekend als Jahweh.
Als Woord Gods (Joh. 1:1-14) sprak Jezus de woorden Gods en was Hij degene
die in de autoriteit van de Vader deze schepping tot stand bracht door de woorden Gods die Hij sprak.
Dit vinden we in Hebreeën 11:3: “Door het geloof verstaan wij, dat
de wereld door het woord Gods (Jezus Christus) tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan
is uit het waarneembare”. Met dezelfde autoriteit van de Vader verrichtte Jezus Zijn wonderen en
genezingen tijdens Zijn dagen op aarde.
Elders op deze site heb ik aandacht besteed aan de vijandigheid van de orthodoxe Joden tegenover de persoon Jezus Christus. Ze hebben aan Hem als Messias geen boodschap. Het ironische is nu dat ze zich bij het afwijzen van Jezus als Messias beroepen op de woorden van Mozes dat God één is. Dit komen we tegen in Deuteronomium 6:4 waar Mozes het volk Israël leert: “Hoor, Israël: de Here is onze God; de Here is één!”
Als we de context lezen waarin we deze woorden tegenkomen dan kunnen ze heel goed uitgelegd worden
als een oproep aan het zondige volk om altijd en bij voortduring te blijven beseffen dat er aan de heiligheid
van Jahweh niet getwijfeld mag worden. En die heiligheid komt onder andere tot uiting in het feit dat
er in Hem geen tegenstrijdigheden zijn te vinden, dat Hij dus niet verdeeld is in een lichte en een donkere
zijde, en geen twee naturen heeft. Dit in tegenstelling tot de zondige mens die maar al te gauw, in het
gunstigste geval, zijn toevlucht neemt tot een leugentje om bestwil om aldus enige “kleine onvolkomenheden”
voor de buitenwacht aan het zicht te onttrekken. De bijbel noemt dit echter gewoon, recht voor zijn raap,
huichelarij!
Het is daarnaast ook goed mogelijk om deze woorden uit te leggen, zoals de orthodoxe Joden dat doen,
als: er is maar één God. Er is daarom voor een tweede God geen ruimte in de theologie van het
orthodoxe Jodendom. De geschiedenis van het Oude Testament heeft ons echter geleerd dat er ook voor die
ene God in hun denken vele malen geen plaats was terwijl ze desondanks wel een menigte andere “goden”
achterna liepen. Wat we kunnen samenvatten met de woorden: “in een hart waar plaats is voor velen,
is geen ruimte genoeg voor één”.
In 2 Cor. 6:11,12 verwijt Paulus de Corinthiërs: “Onze mond heeft zich tegen u
geopend, Corinthiërs, ons hart staat wijd open; bij ons vindt gij niet te weinig ruimte, maar in uw binnenste
is het te eng” (jullie hebben plaatsgebrek, staat er in de grondtekst). In zo'n hart past
inderdaad geen grote God. Daar is geen ruimte voor aanwezig, zoals dat ook bij de Joden in het Oude Testament niet het
geval was. Jahweh was voor het volk Israël de enige God waar zij rekening mee dienden te houden omdat, zoals
hierboven al is gesteld, Jahweh de (enige) verbindingsschakel is tussen de mens en God de Vader. De profeet Jeremia is
uiteindelijk getuige van de gevolgen van de ontrouw van zijn volk tegenover Jahweh als de laatste twee stammen van het
volk in ballingschap wordt weggevoerd naar Babel.
In Jeremia 2:32 geeft hij deze aanklacht van Jahweh door aan het volk: “Zal
een meisje haar tooi vergeten, een bruid haar gordel? Maar Mijn volk heeft Mij vergeten, talloze dagen”.
Dezelfde mentaliteit ontmoette Jezus ook keer op keer tijdens Zijn rondwandeling in het toenmalige Israël.
De meesten van Zijn tijdgenoten zaten toch kennelijk te wachten op een andere messias, wat de apostel
Johannes onder woorden bracht in Johannes 1:11: Hij kwam tot het zijne...
De vier evangeliën laten ons zien dat er in de dagen van Jezus maar weinig veranderd was aan
de houding van Zijn volk sinds de dagen dat de profeten door hun voorvaderen werden omgebracht. Telkens
als Jezus het waagde om Zichzelf Gods Zoon te noemen liepen de Joden weer naar stenen te zoeken om Hem
vanwege die woorden te doden. Het was naar hun mening een godslastering dat Jezus Zich met de Vader gelijkstelde,
wat we lezen in Johannes 5:18: “Hierom dan trachtten de Joden des te meer
Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat schond, maar ook God zijn eigen Vader noemde en Zich dus
met God gelijkstelde”. Echter, zij kenden de Vader niet eens. Jahweh was de enige God waarvan zij
wisten en dié stond daar uitgerekend voor hun neus. Het was Jahweh die, als Jezus van Nazareth,
de Vader bekend maakte zoals de apostel Johannes verwoordde: “Niemand heeft ooit God gezien; de
eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen” (Joh. 1:18). Jezus' vijanden beriepen zich op de wetten die zij van Mozes hadden ontvangen
en waarin hun werd verboden om andere goden te dienen, die het in wezen niet zijn (Galaten
4:8). Dat hun, hierboven al besproken, afvalligheid tegenover Jahweh én hun ongehoorzaamheid
aan de wetten van Mozes hun geloofwaardigheid voorgoed de grond in boorde wordt nog eens extra bevestigd
door hun vijandigheid tegenover Jezus. Terwijl ze wel degelijk beseften dat Hij door een hogere macht
gezonden was. Het meest sprekende voorbeeld van dit besef is het nachtelijke bezoek van Nicodémus
aan Jezus (Joh. 3:1-21). Nicodémus beleed namelijk: “Rabbi, wij weten
dat gij van God gezonden zijt als leraar; want niemand kan die tekenen doen, welke Gij doet tenzij
God met Hem is”. Hier sprak een Farizeeër namens de andere Farizeeën terwijl hij
toegaf dat zij heel goed op de hoogte waren van de bovennatuurlijke aard van Jezus' woorden en daden.
In ieder geval zagen ze Hem als leraar die door God gezonden was. Ook in Marcus 15:43
vinden we iemand met dezelfde overtuiging als Nicodémus: “Jozef van Arimathéa, een aanzienlijk
lid van de Raad, die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte; en hij waagde het naar Pilatus
te gaan en het lichaam van Jezus te vragen”.
En in Joh. 12:42 lezen we zelfs: “En toch geloofden zelfs uit de oversten velen
in Hem, maar ter wille van de Farizeeën kwamen zij er niet voor uit, om niet uit de synagoge te worden
gebannen”.
Ondanks deze kennis werd Jezus door de meerderheid van hen aan de Romeinen overgeleverd om Hem te laten kruisigen. De conclusie die we hieruit kunnen trekken is dezelfde die ook door de apostel Johannes al was getrokken: Jahweh kwam tot het Zijne maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Joh. 1:11).
Als ik het lijdensverhaal lees krijg ik de sterke indruk dat de heiden Pontius Pilatus beter begreep wie hij voor zich had staan dan de Joden zelf. In Johannes 19:19 lezen we: “En Pilatus liet ook een opschrift schrijven en op het kruis plaatsen; er was geschreven: Jezus, de Nazireeër, de koning der Joden”. In hun eigen taal luidde dit: “Jeshua Hanozri Wumelech Hajehudim”. De vier beginletters van dit opschrift vormden de naam JHWH, zodat de vijandige Joden tot hun afgrijzen in het Hebreeuws de naam van hun God zagen staan. Paniek alom. Wellicht was het voor die huichelaars zelfs de allereerste keer dat ze er (door toedoen van een heiden!) bij werden bepaald wie ze daar aan het hout hadden laten spijkeren. Ze wisten door overlevering van het bestaan van een God maar het wezen van die Jahweh was voor hen een verborgenheid. In het hiervoor al aangehaalde Jesaja 29:13 konden we lezen: “En de Here zeide: Omdat dit volk Mij slechts met woorden nadert en met zijn lippen eert, terwijl het zijn hart verre van Mij houdt, en hun ontzag voor Mij een aangeleerd gebod van mensen is, daarom, zie, Ik ga voort wonderlijk met dit volk te handelen, wonderlijk en wonderbaar: de wijsheid van zijn wijzen zal tenietgaan en het verstand van zijn verstandigen zal schuilgaan”. Als een aangeleerd gebod van mensen, zo wordt hun ontzag voor Jahweh hier omschreven en een aangeleerd gebod is iets wat van buitenaf wordt opgelegd. Dat heeft met een innerlijke overtuiging niets te maken. Deze houding is samen te vatten met het woord huichelarij en vanwege deze huichelarij bleef de werkelijke identiteit van Jahweh voor hen een verborgenheid. Dit wordt hen door Jezus nog eens ondubbelzinnig aan het verstand gebracht in Johannes 8:19: “Zij dan zeiden tot Hem: Waar is uw Vader? Jezus antwoordde: Noch Mij, noch mijn Vader kent gij: Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader kennen”. En in Jesaja 59:1,2 vinden we: “Zie, de hand des Heren is niet te kort om te verlossen, en zijn oor niet te onmachtig om te horen; maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort”. Jahweh hield Zijn aangezicht, dus Zijn identiteit, voor hen verborgen. Toen de Joden voldaan toezagen hoe Jezus door de Romeinen werd vastgespijkerd werden ze tot hun afgrijzen herinnerd aan de naam van “hun” God. Daar werd fanatiek tegen geprotesteerd maar het antwoord van Pilatus op hun protest luidde: “Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven” (Johannes 19:22). En gelijk had hij.
Tot slot kom ik nog terug op wat ik aan het begin van deze pagina heb geschreven over zekere lieden die er grote
moeite mee hadden en hebben om te erkennen dat de Schepper van hemel en aarde vlees en bloed heeft aangedaan om
zodoende af te dalen naar de lagere aardse gewesten en om in die hoedanigheid aan de hele hel te tonen dat het ook
anders kan. Anders dan wat de zondige mens tot dan toe had gedemonstreerd, namelijk een volkomen onmacht om terug te
keren naar de oorspronkelijke situatie die er voor de val van de mens bestond. Het is te verwachten dat mensen die
zichzelf hebben opgewaardeerd tot redders der wereld maar al te makkelijk aansluiting vinden bij de vader der leugen.
Deze vader der leugen maakte de mens in de hof van Eden al wijs dat de weg van de minste weerstand de meest succesvolle
zou zijn. Dat het allemaal een tikkeltje anders is gelopen weten we ondertussen.
Ik heb me er maar eens aan gewaagd om het gereviseerde evangelie van deze doe-het-zelf profeten aan een
nader onderzoek te onderwerpen, wat me al spoedig tot de conclusie deed komen dat er niets nieuws onder
de zon is want het komt uiteindelijk overeen met de beweringen van de Ebionieten, die Joods-christelijke
sekte uit de eerste eeuwen van onze jaartelling die van Jezus een gewoon mens maakten, zoals ook de Islam
en de orthodoxe Joden dat doen. Hun grootste struikelblok daarbij is de “pre-existentie”
(het blijft een vreselijk woord) van onze Here Jezus Christus. Net als hun antieke voorgangers hebben
ook de moderne Ebionieten zich in allerlei bochten gekronkeld om aan te kunnen tonen dat Jezus beslist
geen God is maar slechts een mens die voor zijn geboorte nog toekomst was. In zijn hiervoor al aangehaalde
brief laat Judas echter iets heel anders zien als hij schrijft in Judas 1:4:
“Want er zijn zekere mensen binnengeslopen die vanouds tot dit oordeel zijn opgeschreven, goddelozen,
die de genade van onze God in losbandigheid veranderen en de enige Heerser, onze God en Here, Jezus
Christus, verloochenen” (vertaling uit de grondtekst). Judas noemt Jezus Christus hier onze
God en hierin staat hij niet alleen. Ook Paulus doet dit in zijn brief aan Titus. In Titus
1:2,3 zien we staan: “...in de hoop van het eeuwige leven dat de onbedrieglijke God voor
eeuwige tijden heeft beloofd en die Hij in onze tijd heeft geopenbaard door het Woord van de prediking
die mij is toevertrouwd volgens de opdracht van God, onze redder” (vertaling uit de grondtekst).
Dat onze redder Jezus Christus is, moge na al het bovenstaande duidelijk zijn. En even verder in Titus
2:9,10: “De slaven horen in alle dingen aan hun meesters onderworpen te zijn, welbehaaglijk
te zijn, niet tegensprekend, of oneerlijk maar elk een goed geloof betonend opdat zij de leer van God
onze redder sieren in alle dingen” (vertaling uit de grondtekst) en vervolgens in Titus
2:13: “verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God
en Heiland, Christus Jezus”. De apostel Petrus doet het nog eens dunnetjes over als hij schrijft
in 2 Petrus 1:1,2: “Simeon Petrus, een dienstknecht en apostel van Jezus
Christus, aan hen, die een even kostbaar geloof als wij hebben verkregen door de gerechtigheid van onze
God en Heiland, Jezus Christus: genade en vrede worde u vermenigvuldigd door de kennis van God en
van Jezus onze Here”. Hier komen we dus drie nieuwtestamentische schrijvers tegen die er geen geheim
van maken dat Jezus God is.
Ik heb me, sinds ik een aantal jaren geleden met de zienswijze van deze moderne Ebionieten werd geconfronteerd, vaak afgevraagd wat toch hun eigenlijke bezwaar is tegen het bestaan van Jeshua HaMoshieyach vóór Zijn komst in deze wereld. Bij het bestuderen van hun bevindingen werd me al snel duidelijk dat ze, het was te verwachten, de bijbel grondig hebben doorgespit om zodoende iedere aanwijzing in de richting van hun ongelijk al bij voorbaat te kunnen ontzenuwen. Het bleek de, tot aan november/december 2002, meest geraffineerde lering te zijn die ik tot dan toe had bestudeerd.
Desondanks was ik er toch nog vrij snel achter wat de werkelijke drijfveer is achter deze leer en
vond ik een aantal enorme gaten in hun zorgvuldig opgebouwde verdedigingswal en heb dus van de gelegenheid
meteen maar gebruik gemaakt om te doen wat Paulus ons opdraagt in 2 Corinthiërs
10:4 en 5: “want de wapenen van onze veldtocht zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God
tot het slechten van bolwerken, zodat wij de redeneringen en elke schans, die opgeworpen wordt tegen
de kennis van God, slechten, elk bedenksel als krijgsgevangene brengen onder de gehoorzaamheid aan Christus”.
Het eerste resultaat daarvan is op deze pagina te lezen. In het tweede deel: “Het kruis gepasseerd”
heb ik, net als hierboven, de bijbel zelf zoveel mogelijk aan het woord gelaten om de eigenlijke beweringen
van deze moderne Ebionieten te kunnen ontzenuwen. Mijn wens is dat het zal mogen bijdragen aan het beter
kennen van Jahweh = Jahshua HaMoshieyach = Jezus Christus.
Ik wil dit hele betoog besluiten met een uitspraak van Jahweh zelf uit Jesaja 57:15: “Want zo zegt de Hoge en Verhevene, die in eeuwigheid troont en wiens naam de Heilige is: In den hoge en in het heilige woon Ik en bij de verbrijzelde en nederige van geest, om de geest der nederigen en het hart der verbrijzelden te doen opleven”. Een groter contrast is er in deze schepping niet denkbaar. Hij, die in Zijn onaantastbare hemel woonde, heeft ook(!) Zijn mededogen getoond door, aan de mensen gelijk geworden, lichamelijk te wonen bij de verbrijzelde en nederige van geest. Waarmee Hij liet zien dat Hij geen God is die vanuit Zijn koperen hemel alleen maar makkelijk kan praten maar integendeel zelf, ons ten voorbeeld, de weg van de meeste weerstand is gegaan. Om via de kruisweg naar Golgotha de weg naar de Vader weer te openen voor ons, de verbrijzelden en nederigen van geest. Wat kan die gedachte een mens toch klein maken....
“Het kruis gepasseerd” vormt een vervolg op het bovenstaande. Daarin worden de bedenksels van de hedendaagse Ebionieten tegen het licht (van de bijbel) gehouden.
| Spreuk: Het evangelie is veel te ingewikkeld voor volwassenen. Alleen een kind kan het begrijpen. (naar Matthéüs 18:3) |
P.S.
Mocht je de inhoud van deze pagina op een meer conventionele manier onder de aandacht van andere belangstellenden
willen brengen, wees dan zo vrij en print deze pagina. Er zal
eerst een voorbeeldtekst verschijnen om je een idee te geven van de tekstgrootte. Je kunt vervolgens
een keuze maken tussen kleine en wat grotere letters, waarbij nog wel even moet worden opgemerkt dat
de kleine letters overeenkomen met de gangbare lettergrootte zoals je die in boeken en tijdschriften
aantreft.