![]() |
Inleiding:
Het onderstaande is een overdenking naar aanleiding van de kortste tekst in de bijbel: Joh. 11:35. Een overdenking die ik heb geschreven in 1983
met de bedoeling een aantal misstanden in de gemeente, waar ik destijds toe behoorde, aan het licht te
brengen. Ondanks deze poging veranderde er echter niets in de vijandige houding van de betreffende personen,
wat bijvoorbeeld tot gevolg had dat één van hen zichzelf tot voorganger liet “inzegenen”
zonder medeweten en instemming van de eigenlijke voorganger. Onder andere deze verkapte “staatsgreep”
en de daaruit voortvloeiende spanningen hadden een aantal jaren later tot gevolg dat deze gemeente werd
opgeheven. Wat voor de meeste betrokkenen een behoorlijk traumatische ervaring was. De opzet van deze
overdenking was destijds om onder andere de emotionele en kwetsbare kant van Jezus Christus als mens
onder de aandacht te brengen. Om daarmee, met Jezus als voorbeeld, ook onze blijvende afhankelijkheid
van de Vader te benadrukken. Waarmee ik tegengas gaf aan het allesoverheersende “wij zijn het helemaal”
klimaat dat in die jaren het “volle” evangelie in Nederland had vergiftigd. Inmiddels is
mij uit de (soms felle) reacties op deze pagina en uit de verhalen van ooggetuigen gebleken dat dezelfde
New Age (leer)geest nog steeds springlevend is in bepaalde evangelische kringen.
Na 19 jaren in een kast te hebben gelegen heb ik mijn schrijfwerk dan toch maar weer
aan de vergetelheid ontrukt in de hoop dat het geschrevene op de een of andere manier toch nog iemand
tot zegen zal mogen zijn. Na het geschrevene zelf weer eens gelezen te hebben kwam ik tot de conclusie
dat mijn schrijfstijl in die 19 jaren (waar blijft de tijd!) een hele ontwikkeling heeft doorgemaakt.
Hoewel de verleiding groot was om de tekst daarom maar helemaal op de schop te nemen heb ik me toch maar
beperkt tot het hier en daar aanvullen van de tekst en het aanbrengen van verbeteringen in stijl en woordkeuze.
De boodschap van het verhaal is echter ongewijzigd gebleven. Dat mijn bevindingen en ontmaskeringen van
destijds opvallend juist waren heeft de tijd me ondertussen wel geleerd. En daarmee doel ik op de gebeurtenissen
die sindsdien hebben bevestigd wat ik al in 1978 in de eigen en in andere “volle evangelie”
gemeenten zag opkomen: een onvoorstelbaar arrogante “wij zijn het helemaal” houding die van
zogenaamde “broeders en zusters” onverdraagzame en niet meer te corrigeren scheuringmakers
maakte. Met dit soort mensen heb ik destijds te maken gehad en ik heb de hel in hun ogen gezien.
Het is nauwelijks te bevatten hoe je mensen kunt zien veranderen die aanvankelijk toch op de goede weg
waren maar nu zijn opgeslokt door de grote stad Babylon.
Dus... in de hoop dat mijn inspanningen uiteindelijk toch nog een eye-opener mogen zijn voor hen die zoekende zijn, met name in de zogenaamde “volle evangelie” kringen, leek het me zinvol om deze overdenking nu, hier en daar dus iets uitgebreid en aangepast, weer opnieuw maar dan in digitale vorm onder de aandacht te brengen. Want tegenwoordig hebben we Internet. Toch??
Het zal voor de omstanders beslist geen hoopgevende situatie geweest zijn op die gedenkwaardige dag.
Een gesloten graf, twee zusters die eigenlijk niet goed meer wisten wat ze aan Jezus hadden en Hem daarom
onbegrijpend aankeken, een aantal toeschouwers met een al net zo weinig indrukwekkend geloof als dat
van de beide zusters en de discipelen van Jezus die eigenlijk alleen maar moeilijkheden verwachtten.
Dat was de situatie waarin Jezus terecht was gekomen. Jezus, een mens zoals wij allemaal met een lichaam
zoals een ieder van ons heeft, van vlees en bloed, onderworpen aan de wet van de zonde, dus sterfelijk.
Maar tegelijkertijd was deze Jezus de Zoon van God met een onaantastbare geest waar de duivel geen vat
op kon krijgen. Toch had ook Jezus, net als ieder mens, de behoefte om op zijn tijd de opgehoopte emoties
te kunnen uiten. Toen Hij dan ook na de nodige tegenwerking was aangekomen bij de zusters van Lazarus,
te weten Martha en Maria, en hun ongeloof zag omdat ze niet geloofden dat ze hun gestorven broer nog
terug zouden kunnen krijgen en daarnaast nog eens de negatieve instelling van de Joden die de beide zusters
probeerden te troosten werd Jezus diep bedroefd en liet dit ook merken. Jezus weende. Hij weende niet
omdat Lazarus gestorven was, zoals sommigen van de omstanders dachten. Nee, wat Jezus, die immers de
macht had om doden op te wekken, in deze situatie zoveel pijn deed was het ongeloof wat Hij zag bij alle
aanwezigen. Hij stond alleen. Alleen tussen de Vader en die ongelovige mensen, die Hij desondanks zo
lief had. Die ongelovige mensen die al verscheidene wonderen onder Zijn handen hadden zien gebeuren,
die Hem dingen hadden zien doen die niemand Hem kon nadoen. En toch.... ongeloof.
Wat is voor ons de betekenis van deze gebeurtenis? Is het alleen een beschrijving van het
zoveelste wonder dat Jezus deed tijdens Zijn bediening waar, in tegenstelling met de andere
beschreven wonderen, tranen bij werden vergoten? Wat hebben deze tranen ons te zeggen?
Wat hier gebeurde kunnen we het best beschrijven met wat Jezus eens zei van Zichzelf in Joh. 5:19: “Ik doe niets of Ik moet het de Vader hebben zien doen”. Is het dan mogelijk dat de Vader emoties zou kunnen hebben? En waarom? Het lijkt misschien ver gezocht maar toch is het voor ons niet onbelangrijk, zo niet noodzakelijk om te beseffen wat het voor ons betekent dat God zeker emoties kent en dat niet zo nu en dan maar veel vaker dan wij beseffen. Maar wat is de reden hiervan? Om hier inzicht in te krijgen moeten we terug gaan naar het begin. Dat begin is God zelf. Wat onder andere uit het evangelie van Jezus naar voren komt is het feit dat God enkel licht is en dit licht is, ook in de natuurlijke wereld, hét beeld van Gods gevende liefde. Zoals licht in de natuurlijke wereld in al zijn vormen voortkomt uit een lichtbron zo komt ook Gods licht, Zijn liefde, uit de enige echte lichtbron voort, God zelf. Hij bewees dit al bij de schepping want het eerste wat Hij zei was: “Er zij licht” of anders gezegd: “Er zij liefde”. Wat hier met de schepping van het zichtbare licht werd uitgebeeld laat zien dat de belangrijkste geestelijke wet inhoudt dat er zonder liefde geen leven mogelijk is. Zoals op deze wereld leven niet kan bestaan zonder de lichtbron, de zon, kan er ook in de geestelijke wereld geen leven bestaan zonder God. Om deze reden begon Hij de schepping met het licht, want zonder dit licht was het volkomen zinloos om de schepping voort te zetten. In Genesis 1:4 lezen we dan nog dat Hij zag dat het licht goed was. Goed om leven mogelijk te maken.
Omdat licht bedoeld is om iets te beschijnen volgde de verdere schepping. Evenzo is het voor God zinloos om als lichtbron Zijn liefde uit te stralen zonder ooit iets te kunnen verlichten en daarom schiep Hij ons mensen. Als wij spreken over de heerlijkheid van God kunnen we ons daar nu nog nauwelijks een voorstelling van maken. Eén ding is me echter wel duidelijk geworden en dat is: Zijn heerlijkheid is hetzelfde als Zijn gevende liefde, dat is en blijft de bron van waaruit alles voortkomt. Zoals God toen verlangde naar de eenwording met de mens en om met die mens Zijn heerlijkheid te kunnen delen, zo zoekt Hij nu nog naar mensen die Hem in alles willen gehoorzamen. Wat zou er in Gods gedachten zijn omgegaan toen de mens in de hof van Eden de schepping aan de duivel verkocht voor één enkele vrucht? Waar wij niet zo gauw bij stilstaan en wat om die reden maar al te vaak terzijde wordt geschoven is het feit dat dit voor God een diepe smart was, een grote teleurstelling. Toen kwamen de tranen, tranen van pijn en verdriet omdat ook de mens de duisternis had verkozen boven Zijn licht. Als wij in Genesis 1:27 lezen dat God de mens schiep naar Zijn beeld, houdt dit in dat wat we bij de mens vinden aan eigenschappen ook terug te vinden is bij de Schepper zelf. Ook het uiten van emoties hoort daarbij.
En toch, niets van dit alles heeft ooit Zijn liefde kunnen blussen. Dat wordt beschreven in Hooglied 8:7 waar staat: “Vele wateren kunnen de liefde niet blussen en rivieren spoelen haar niet weg”. God had zich vanaf het begin één gemaakt met de schepping en ondanks de zondeval bleef deze Zijn rechtmatig eigendom. Daarom kocht Hij op een volkomen eerlijke manier, door middel van Jezus' kruisdood, de mensheid weer van de duivel terug. Waar wij in dit verband beslist op moeten letten is het woord gegeven in Joh. 3:16. We lezen daar namelijk: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe”. Hij gaf Zijn enige Zoon. Het liefste wat Hij had gaf Hij prijs. Dat was een groot offer voor de Vader. Met het risico dat het fout had kunnen gaan. Fout, omdat Jezus, temidden van al het lijden, wel degelijk had kunnen zeggen: “Tot hier toe en niet verder”. Maar dat gebeurde niet. Jezus' gehoorzaamheid aan de Vader en aan het verlossingsplan van Zijn Vader werd de oorzaak van Zijn lijden en sterven. Omdat Hij door alles heen trouw bleef aan Zijn Vader kon Hij een voorbeeld ter navolging worden voor ons. Het geheim van Zijn gehoorzaamheid was diezelfde gevende liefde die ook de Vader heeft. Die liefde, die bereid is te lijden voor diegenen die ertegen schoppen, die niet nalaat offers te brengen als er geen andere weg meer is, die de oorzaak is geweest van ons bestaan en die eens tot de hele schepping zal zijn doorgedrongen als God zal zijn: alles in allen.
Weer terug naar de schepping in Genesis 1. Daar lezen we dat God
scheiding maakte tussen het licht en de duisternis zoals we kunnen lezen in Genesis 1:4. Als alles eens volmaakt zal zijn op de vernieuwde aarde, als de zonde
niet meer zal bestaan, zal als beeld daarvan ook de nacht verdwenen zijn (Openb.
22:5). Voor het zover is wordt er van ons nog het een en ander verwacht. God gaf de mens in
Genesis 1:26 de macht om over Zijn aarde te kunnen heersen maar die macht
werd in handen van de grote tegenstander gegeven bij de zondeval.
Omdat God van Zijn voornemen niet afwijkt verwacht Hij opnieuw dat de mens over de aarde zal gaan heersen,
om deze terug te veroveren op de duivel. Daar heeft Hij mensen voor op het oog die bereid zijn in de
voetsporen van Jezus te treden, die er niet voor terugdeinzen om net als Jezus een kruis te dragen, door
het lijden in hun leven te aanvaarden. Een lijden als gevolg van de felle tegenstand door de overste
van deze wereld. Dat zijn mensen die net als Jezus gehoorzaam blijven aan de aanwijzingen van de Heilige
Geest ondanks het lijden. In de bijbel worden ze genoemd, onder andere in Openb. 14:1-5
en Paulus noemt ze in Rom. 8:19: de zonen Gods.
Maar waarom lijden? Is het mogelijk dat God lijden toelaat in het leven van Zijn kinderen? En wat
is dan de reden? Dit zijn vragen waar velen mee hebben geworsteld als ze werden geconfronteerd met een
stuk lijden in eigen leven of in dat van anderen. Ik geloof dat het probleem allereerst is dat de mens
in zijn algemeenheid te gemakkelijk geneigd is om, in een tijd van lijden en tegenslag, zijn eigen fouten
en huichelachtigheid weg te moffelen om vervolgens met een gebalde vuist naar de hemel te staan wijzen.
Het is toch typerend dat men God dan opeens wel weet te vinden terwijl Hij er anders maar al te
vaak niet aan te pas komt zolang het de mens maar voor de wind gaat (ook bij christenen komt dit voor!).
En als het dan niet loopt zoals men het graag wil hebben dan weet men opeens precies te vertellen wie
daar achter zit. Wat een vreemd gedrag is dat. Het komt overigens wel opvallend overeen met wat ik lees
in Spreuken 19:3: “Des mensen eigen dwaasheid verderft zijn weg,
en dan is zijn hart gramstorig op de Here”. Ik denk daarom dat het woord toelaten hier helemaal
niet op zijn plaats is, alsof God de kraan naar believen open en dicht zou draaien zoals het Hem maar
uitkomt. De zojuist beschreven houding van de mens is er de oorzaak van dat het meeste lijden dat op
deze wereld plaats vindt zinloos lijden is wat nergens toe dient en beslist geen lijden naar Gods
wil is. Daarover verderop meer.
Het is voor onze omgang met God van levensbelang om Hem recht te kennen en bij deze kennis hoort ook
de wetenschap dat Hij een God van recht is en dat betekent dat Hij zich aan regels en principes
houdt. Toen Hij de mens de macht gaf om over de aarde te heersen bestond er een kans dat deze macht in
handen van de duivel zou kunnen vallen. Toch gaf Hij de mens de gelegenheid om te beslissen wat hij met
die verantwoordelijkheid zou doen.
Dit vertrouwen werd beschaamd met als gevolg dat de duivel de overste van deze wereld werd. Het gevolg
was dat God tegen Zijn wil de (van de mens geroofde) rechten van de duivel moest respecteren. En dit
is voor Hem een worsteling, een stuk lijden dat pas voorbij zal zijn als de zonen Gods, onder aanvoering
van Jezus Christus, aan deze wantoestand een einde hebben gemaakt doordat ze de tegenstander, die genadeloze
sluipmoordenaar, hebben verslagen en de schepping uit zijn klauwen hebben gerukt.
Wat het lijden naar Gods wil betreft: zodra de mens wel naar Gods maatstaven gaat leven en daardoor
de woede van de overste van deze wereld opwekt en als gevolg daarvan met een stuk lijden in eigen leven
wordt geconfronteerd kunnen we spreken van lijden naar Gods wil en dat laat Hij in ieder geval altijd
meewerken ten goede zodat satan telkens weer in zijn eigen zwaard valt. Dit soort lijden overkwam Jezus
en daarom zal het ook ons niet bespaard blijven, zoals Jezus het Zijn discipelen aanzegde in Johannes
15:20: “Gedenkt het woord, dat Ik tot u gesproken heb: Een slaaf staat niet boven zijn heer.
Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen”.
Zolang deze schepping nog onder de vloek van de zonde ligt en de overste van deze wereld nog als een
razende tekeer gaat blijft de hierboven beschreven situatie onveranderd. Toch zou God Zichzelf niet zijn
als Hij niet tevoren al Zijn verlossingsplan klaar had liggen. Het plan waarin afgerekend zou worden
met al het wetteloze, demonische tuig dat na de zondeval, onder aanvoering van satan, deze wereld heeft
overspoeld. Een verlossingsplan waarin Hij de duivel zijn eigen graf zou laten graven, en bovendien het
plan waarin Hij zou laten zien waartoe Zijn liefde in staat is. Juist door het lijden van Jezus zou aan
die helse legers getoond worden dat Zijn liefde, Zijn licht, onoverwinnelijk is. Mochten ze daar nog
hun twijfels over gehad hebben, na Golgotha absoluut niet meer. Paulus omschrijft dit in 1
Cor. 2:8: “En geen van de beheersers dezer eeuw heeft van haar (de verborgen wijsheid van
God) geweten, want indien zij van haar geweten hadden, zouden zij de Here der heerlijkheid niet
gekruisigd hebben”.
En om het een en ander nog eens te onderstrepen: wij mensen zijn van nature zo gauw geneigd te denken
dat God met de armen over elkaar naar Zijn zuchtende schepping blijft kijken met een wellicht onbewogen
gezicht, terwijl in werkelijkheid het allergrootste deel van al het lijden vanaf Genesis tot en met Openbaring
op Zijn schouders rust. Om dit te illustreren: een redelijk denkend mens kan zich niet voorstellen dat
een liefhebbende ouder werkeloos toe kan blijven kijken als hij/zij ziet dat zijn/haar kind bezig is
te verdrinken of anderszins iets overkomt. Zou God dat dan wel kunnen? Zou het Hem onberoerd laten als
Hij ziet dat Zijn kinderen lijden? Denken wij het wel eens moeilijk te hebben? God heeft het er nog moeilijker
mee. Vinden wij ons lijden wel eens ondraaglijk worden? Het zwaarste deel draagt Hij. Staan we daar wel
eens bij stil??
Daar komt nog eens bij dat de mens in zijn eigen kleine wereldje leeft en daardoor zo makkelijk voorbij
kan gaan aan wat er zich in de wereld afspeelt. Slechts een zeer klein deel van al het lijden is ons
bekend terwijl God zelf voortdurend op de hoogte is van alles dat zich op deze aardbol afspeelt. Daar
is zo onvoorstelbaar veel ellende bij waar wij geen weet van hebben. Zouden wij slechts één
etmaal lang getuige kunnen zijn van al dit lijden in al zijn vormen, voorwaar, wij zouden de wanhoop
nabij zijn. En dan te bedenken dat God er zelf zonder ophouden getuige van moet zijn...
God wacht met geduld totdat de zonen Gods door lijden heen hebben bewezen dat Hij ook is voor wie Hij zich uitgeeft, namelijk een verterend vuur dat alles wat wetteloos is en wat daarom niet uit Zijn gedachten is voortgekomen uiteindelijk zal verteren, dus ook al die gewetenlozen die Hem nooit wilden accepteren als hun Schepper. Hun lot is daarom gelijk aan dat van hun vader, de duivel. Toen Jezus in Matth. 23:37 als een verdrietige conclusie over Jeruzalem Zijn oordeel uitsprak, sprak Hij daarmee ook uit hoe de “Christenheid,” het grote Babylon, gedurende de daaropvolgende eeuwen met de profeten zou omgaan en zou gaan “stenigen” wie door God zelf tot haar gezonden zouden worden, zoals ook de Israëlieten dit al vele malen op hun geweten hadden. Hij zegt daar: “Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild”. En in Lucas 19:41,42 vinden we: “En toen Hij nog dichterbij gekomen was en de stad zag, weende Hij over haar, en zeide: Och, of gij ook op deze dag verstond wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen”. Jezus weende. En Hij niet alleen, ook God de Vader kent verdriet bij het zien van al dit verzet tegen de waarheid. Lijkt dit misschien wat overdreven? Te ver gezocht? Ik zou haast willen zeggen: was het maar zo. Het overkwam de profeet Ezechiël dat Gods Geest over hem kwam en hem in gezichten liet zien hoe het volk Israël in de tempel deed aan afgoderij. Dat was ten hemel schreiend. God stelde Ezechiël daarop een vraag in Ezechiël 8:6 die tot in deze tijd nog doorklinkt en waarin God Zijn teleurstelling liet merken: “Mensenkind, ziet gij wat zij doen? De grote gruwelen die het huis Israëls hier bedrijft, zodat Ik ver van Mijn heiligdom moet blijven?”
Hoe is het gesteld met Gods heiligdom in deze tijd? Zijn wij als Gods tempel ook inderdaad als tempel te gebruiken door de Heilige Geest? Zou Hij zich aan ons kwijt kunnen zoals Hij dat zo graag wil, dus onafgebroken zonder dat Hij telkens weer op een hart van steen stuit? Wie durft er in deze tijd nog dit soort vragen te stellen aan het “vrome” volk? We weten het immers allemaal zo goed, wat dat evangelie van Jezus inhoudt. We zijn immers zo serieus bezig om dat in de praktijk van alle dag waar te maken...? En desondanks heeft het deze schepping na twintig eeuwen kerkgeschiedenis nog niet zo bijster veel goeds gebracht.
Dit zijn gewetensvragen. Aan het geweten van menig kind van God mankeert nog zo vaak het een en
ander. Terwijl dit juist het punt is waar de waarheid het af moet laten weten en de leugen terrein
wint in het leven van menig christen.
Toen God de mens schiep ging Hij te werk volgens Zijn voornemen zoals we dat in Genesis 1:26 kunnen lezen: “Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis...”
en dit hield in dat de mens Gods karaktereigenschappen in zich had. De geest van de mens heeft daardoor
het vermogen om door deze goddelijke eigenschappen te bepalen wat goed en niet goed is. Deze functie
van de menselijke geest is het geweten en het geeft waar nodig een waarschuwingssignaal als de mens afwijkt
van Gods bedoelingen en principes. Dat wist de duivel ook en daarom werd uitgerekend dit geweten onder
vuur genomen toen Eva werd verleid door de slang om het toch maar eens met die verboden vrucht te proberen.
Bij Adam en Eva werd door hun ongehoorzaamheid hun geweten het zwijgen opgelegd. Deze tragische gebeurtenis
herhaalt zich in ieder mensenleven en dat niet alleen bij ongelovigen, ook bij Gods kinderen. Bij velen
van hen is het geweten in mindere of meerdere mate het zwijgen opgelegd waardoor de duivel zijn rechten
kan laten gelden. Het is een nogal radicale en zwartgallig lijkende benadering van het hedendaagse Christendom
maar desondanks is er geen woord te veel mee gezegd, zo heeft de praktijk me wel geleerd....
Waar de Heilige Geest in deze tijd meer en meer werkzaam wordt in kinderen Gods zit vanzelfsprekend ook de duivel niet stil. Hij zoekt mensen die hij kan gebruiken om kinderen Gods te verleugenen en zo het werk van de Heilige Geest te dwarsbomen en wie zou hij daar beter voor kunnen gebruiken dan de geestelijke leiders? Zoals door de eeuwen heen vele geestelijke “leiders” makkelijk te beïnvloeden waren, zo ook nu. Waar oprechte kinderen Gods het echte evangelie van Jezus Christus (opnieuw) leerden kennen werd de duivel actiever dan ooit tevoren. Hij weet dat zijn tijd kort is, dat Gods plan met de gemeente toch door zal gaan en hij zou zichzelf niet zijn als hij geen pogingen zou doen om door middel van leugens alles alsnog kapot te maken. Vele zijn de struikelblokken die hij om die reden op de weg van Gods volk heeft gegooid en vele, ook oprechte kinderen Gods zijn erover gestruikeld. Valse profeten hebben kans gezien om ook de oprechten te misleiden. Jesaja profeteerde in hoofdstuk 3:12: “Mijn volk, uw leiders zijn verleiders en zij maken de weg die u tot pad moest zijn, tot een doolweg”. Ook door de mond van Hosea sprak God Zijn diepe teleurstelling uit in Hosea 4:6: “Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis”. En dit gebrek aan kennis ontstaat als er valse kennis wordt verspreid door de al genoemde geestelijke “leiders”.
Hoe reëel zijn deze waarschuwingen in deze tijd? Net zo reëel als onze aanwezigheid op deze
wereld, zo is mij in de loop der jaren wel gebleken. Juist in deze tijd van toenemende wetteloosheid
is het geweten, de drager van Gods wetten en principes, naar de achtergrond geschoven. Een verschijnsel
dat bijvoorbeeld ook tot uitdrukking komt in de toenemende bijbelkritiek in de “evangelische”
kringen. En waar dit gebeurt moet de Heilige Geest zich bedroefd terugtrekken. En dat is precies wat
de duivel wil bereiken. Hij weet dat de kracht van Gods volk ligt in de omgang met de Heilige Geest en
waar deze Zijn heiligdom moet verlaten krijgt de tegenstander vrij spel. Eén van de grootste struikelblokken,
zo niet het grootste struikelblok dat hij met deze bedoeling op de weg van Gods volk heeft gegooid is
de ongehoorzaamheid aan de bijbel, aan het evangelie wat daarin te vinden is. Door de al genoemde valse
leraars heen heeft satan kans gezien om de betrouwbaarheid en de waarde van het geschreven woord van
God in twijfel te trekken. In bijvoorbeeld het “volle evangelie” heeft in het bijzonder het
Oude Testament heeft het moeten ontgelden. “Al lang achterhaald, geschreven door mensen die geen
inzicht hadden in de geestelijke wereld en daarom vandaag de dag voor ons niet meer van betekenis,”
is het veel gehoorde commentaar. Deze gedachtegang is een herhaling van de gruwelen die de profeet Ezechiël
te zien kreeg want waar christenen het Woord Gods loslaten om andere leringen na te lopen plegen zij
afgoderij!
Ook de profeet Jeremia had in zijn tijd met zulke valse profeten te maken. In Jer. 23 profeteerde hij over hen: “.....zij maken, dat gij u aan een ijdele
waan overgeeft, zij spreken het gezicht van hun eigen hart, niet uit des Heren mond”. (vers 16) en in vers 22 van datzelfde hoofdstuk lezen
we: “Maar als zij in Mijn raad hadden gestaan, dan zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben
doen horen...”. Laten we na deze ontnuchterende uitspraken eens bezien wat de uitwerking van
dit alles was op Gods gemoedsgesteldheid. En weer is het Jeremia die de volgende onthullende
woorden doorgeeft in Jeremia 8:21: “Om de breuk van de dochter
Mijns volks ben Ik gebroken, Ik ga in rouw, ontzetting heeft Mij aangegrepen”. En in
hoofdstuk 14:17: “Spreek dus dit woord tot hen: Mijn ogen
moeten van tranen vloeien nacht en dag zonder tot rust te komen, want met
een grote breuk is de jonkvrouw, de dochter Mijns volks, gebroken, met een zeer zware slag”.
Wat Jeremia hier weergeeft laat ons zien dat God erg betrokken is bij het wel en wee van Zijn
eigen schepselen. Hij weet daarom wat lijden is. Is dit laatste misschien een vergezochte
conclusie? Zeker niet, het is bittere werkelijkheid. Het resultaat van alle misleidingen is dat
het hart van vele “kinderen Gods” een hart van steen is geworden. De Heilige Geest
kreeg geen ruimte meer om te waarschuwen en trok zich bedroefd terug.
Natuurlijk weet men met name in Pinkster- en Volle evangeliekringen wat de vruchten en de gaven van
de Heilige Geest in ons leven kunnen bewerken. Heil, herstel, groei, kracht en ga zo maar door. Het is
de duivel echter gelukt om het een en ander op één grote hoop te gooien, dit vervolgens flink
door elkaar te mixen en van het zo verkregen deeg een aantrekkelijk evangelisch koekje te bakken wat
ondertussen al door velen is gegeten met als gevolg dat gaven vruchten werden en vruchten werden gaven.
En o ja, dan hebben we daar ook nog die veelgeprezen en op een veel te hoog voetstuk gezette tongentaal
die vaak heeft gediend als reclame-etiket voor alles wat zich “Pinksteren” en “Volle
evangelie” noemt. Daarnaast dient het als middel om in iedere situatie overwinnaar te kunnen zijn,
om dichter bij God te kunnen komen, de geest te versterken, het geloof op te bouwen, kortom, noem het
maar Haarlemmer olie want dat schijnt ook overal goed voor te zijn. Een “alles in één
wondermiddel”. Maar zo eenvoudig liggen de zaken niet. Is tongentaal dan overbodig, niet belangrijk,
te verwaarlozen? Niets van dit alles. Het evangelie van Jezus Christus bewerkt echter een geestelijke
groei in de gelovigen en groei heeft vruchten tot gevolg.
In Galaten 5:22 worden enkele vruchten van de Geest genoemd zoals liefde, blijdschap,
vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Deze vruchten kunnen
alleen in ons groeien als onze omgang met de Heilige Geest in orde is. Dit vraagt gehoorzaamheid in de
allereerste plaats. Gehoorzaamheid aan de bijbel en aan de waarschuwingen, de vermaningen van de Heilige
Geest. Waar dit ontbreekt, staakt de groei van de vruchten van de Geest.
Zouden in een mensenhart dat bezig is zoals hierboven beschreven de gaven van de Geest op hun plaats zijn, zouden ze daar kunnen bewerken waar ze voor zijn bedoeld? Dat kunnen we rustig vergeten. Beseften we maar eens hoe listig de duivel in werkelijkheid is. Het past in de geest van deze tijd dat de gaven van de Geest in de evangelische wereld zo'n aandacht hebben gekregen dat ze een onevenredig groot bestanddeel zijn geworden van het “evangelie”. Degenen die zich aldus hebben laten meeslepen, en zich zodoende uitstrekten naar deze gaven, gingen aan Gods voorwaarden voorbij: de vruchten van de Heilige Geest. Door de op deze wijze ontstane en groter wordende kloof tussen hen en God werd het hart rijp voor het zaaigoed van de tegenstander en dat is..... hoogmoed. Denkend rijk te zijn werden ze armer. Ongehoorzaam aan de bijbel en om toch maar overwinnaar te kunnen zijn, flink en krachtig tot het slechten van bolwerken gingen ze de tongentaal aanprijzen als hét middel om staande te kunnen blijven, alleen het bolwerk in het eigen hart werd over het hoofd gezien: de arrogantie en de hoogmoed. Dat de tongentaal een mens dichter bij God kan brengen is volkomen waar, echter alleen, maar dan ook alleen maar, als die mens ook echt gehoorzaam is aan de Heilige Geest zodat Hij de ruimte krijgt die Hem toekomt. Het geestelijk erf overziende moeten we vaststellen dat daar bij velen nog heel wat aan ontbreekt. En dat doet me onwillekeurig denken aan Jezus' uitspraak in Openbaring 3:1: “En schrijf aan de engel der gemeente te Sardes: Dit zegt Hij, die de zeven Geesten Gods en de zeven sterren heeft: Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt, dat gij leeft, maar gij zijt dood”.
Jezus weende bij het graf van Lazarus. En wat doen wij in vergelijkbare situaties? Durven wij
ons nog op die manier te uiten of zijn we bang voor scheve ogen? Een veel voorkomend struikelblok
in met name het “Volle evangelie” is de hardnekkige gedachtegang dat we een voorbeeld
horen te zijn in kracht, onoverwinnelijkheid en blijdschap. Dit is op zichzelf volkomen waar. Maar
ook hier (het was te verwachten) heeft de duivel kans gezien om de zaken op zijn kop te zetten.
Wat maar al te makkelijk over het hoofd wordt gezien is het feit dat Jezus zelf een mens was van
vlees en bloed en met dezelfde behoeften als wij en met dezelfde emoties en dit liet Hij ook wel
eens merken, zoals in Joh. 11:35 wordt beschreven. Gezondigd heeft Hij
nooit, toegegeven aan de verleidingen en verzoekingen evenmin; en toch tranen? Toch tranen. Door
Zijn gehoorzaamheid aan de Vader bleef Zijn geest onaantastbaar (Joh.
14:30) voor de vele aanvallen die Hij kreeg te verduren, ondanks de vaak enorme druk die er
op Zijn geest werd uitgeoefend door de horden demonen die Hem vrijwel constant achtervolgden. Het
was de duivel dan ook een doorn in het vlees dat deze indringer zijn territorium was
binnengedrongen. Maar ook Jezus had een gevoelsleven zoals ieder mens dat heeft. Zijn verdriet om
en de teleurstellingen in Zijn discipelen die nog wel eens hun twijfels hadden, Hij zal het
allemaal ongetwijfeld meermalen door middel van tranen hebben geuit, zoals we lezen in Hebreeën 5:7: “Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en
smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon
redden, en Hij is verhoord uit Zijn angst”.
In de vele worstelingen met de tegenstander die Hem met zijn grootste wapen, de angst, talloze keren
wilde overmeesteren schaamde Hij zich niet om te huilen. Hij wist dat Hij volkomen afhankelijk was van
de Vader en omdat Hij net als Zijn Vader nederig van hart was maar daarnaast ook mens zoals wij, kregen
Zijn gevoelens van verdriet een kans om zich te uiten op hun tijd.
Echter, gewapend met de wetenschap dat het koninkrijk Gods bestaat uit blijdschap, vrede en gerechtigheid lopen er in deze tijd nogal wat mensen rond die durven te beweren dat tranen uit den boze zijn en er daarom niet meer bij horen. “Waarom nog het verdriet uiten in tranen, nu we zo'n geweldig evangelie hebben? Verdriet hoort er immers niet meer bij? Nee, we zijn toch sterk en krachtig in de Heer en als het huilen je nader staat dan het lachen, laat dan maar eens voor je bidden en wees maar flink want je hebt immers de Heilige Geest in je! Ga daarom maar in de lofprijzing, gebruik de tongentaal en het verdriet wijkt wel weer”.
Vergetend dat onze Hogepriester zelf zijn gehoorzaamheid heeft geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden met veel tranen (Hebr. 5:7,8) slaat men het zoveelste zijpad in wat de grote verleider heeft uitgestippeld. Laten we aan dit misverstand maar een einde maken en de waarheid weer overeind zetten: zo Jezus, zo ook wij. Bij lijden hoort verdriet en dit te uiten is geen bewijs van een overweldigde geest, van zelfmedelijden of van ongehoorzaamheid. Wetend dat in onze zwakke ogenblikken de grote Trooster laat zien wie Hij is, ervaren we hoe Hij meer dan anders Zijn heerlijkheid met ons wil delen. In 2 Cor. 1:3-5 vinden we dit terug: “Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden en de God aller vertroosting, die ons troost in al onze druk, zodat wij hen, die in allerlei druk zijn, troosten kunnen met de troost, waarmede wijzelf door God vertroost worden. Want gelijk het lijden van Christus overvloedig over ons komt, zo valt ons door Christus ook overvloedig vertroosting ten deel”.
Dit te weten maakt een mens nederig, gezeglijk en afhankelijk. Juist door deze gezindheid kan Zijn kracht in ons komen en kan de Trooster onze geest en ziel weer oprichten. Hij maakt immers de zwakke tot een held, een geloofsheld? De kracht die daarom in ons de overwinningen bewerkt krijgen we niet door aan Zijn woorden voorbij te gaan, te menen dat we het zelf moeten maken, met de Heilige Geest als een (nood)hulp voor de noodgevallen en ook niet door onszelf op te krikken door middel van de gave van het spreken in tongen maar door ons over te geven aan de leiding van de Heilige Geest, door ons afhankelijk te weten van Jezus Christus die ons Zijn Geest geeft. Hij kan alleen mensen gebruiken die nederig willen zijn en gezeglijk, die zichzelf desondanks niet als een vloermatje beschouwen maar als een discipel van de Zoon Gods, onze Hogepriester.
De struikelblokken die door de grote verleider en tegenstander op de weg van de Christenheid zijn
gegooid zijn er niet weinigen en hoewel hij veel kapot heeft kunnen maken, staat zijn ondergang vast.
De tijd van de late regen is daar (Zach. 10:1) en Jezus zelf zal een keer brengen
in het lot van Zijn gemeente. Om die reden klinkt nu de opdracht uit Jes. 57:14:
“Hij zegt: Verhoogt, verhoogt, bereidt de weg. Verwijdert de struikelblokken van de weg van Mijn
volk”. Daarom zal meer dan ooit tevoren werkelijkheid worden wat Jesaja profeteerde over het geestelijk
Israël van deze tijd in Jes. 30:18-21 waar herstel beloofd wordt. Wat in vers 20
gezegd wordt zal in deze tijd werkelijkheid kunnen worden: “maar uw leraars zullen zich niet meer
verbergen, doch uw ogen zullen uw leraars zien”.
Nog een belofte uit Psalm 102: 14 en 15: “Gij zult opstaan, U over Sion
erbarmen, want het is tijd haar genadig te zijn, want de bepaalde tijd is gekomen, want Uw knechten hebben
behagen in haar stenen, zij hebben deernis met haar puin”. Wie worden er met dit puin bedoeld?
Om hier een antwoord op te kunnen krijgen zullen we ons moeten bepalen bij wat de profeet Jesaja profeteerde
in hoofdstuk 61:2 en 3: “om uit te roepen een jaar van het welbehagen
des Heren en een dag der wrake van onze God; om alle treurenden te troosten, om over de treurenden
van Sion te beschikken, dat men hun geve hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie
in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest. En men zal hen
noemen: Terebinten der gerechtigheid, een planting des Heren, tot Zijn verheerlijking”. Jesaja
spreekt hier over de treurenden van Sion en zegt van hen dat ze hoofdsieraad in plaats van as zullen
verkrijgen, dat is een herstelde gedachtewereld, gedachten van God zelf in plaats van de gedachten waarmee
de tegenstander Gods kinderen al zo lang heeft kunnen verteren. Deze as is een beeld van rouw en van
die rouw zal geen sprake meer zijn. Het strooien van as op het hoofd was in het Oude Testament namelijk
een manier om rouw te bedrijven. Zij zullen vervolgens ook een lofgewaad krijgen in plaats van een kwijnende
geest en dat stelt voor een herstelde, opgerichte en gelouterde geest tot eer van Jezus in plaats van
een geest die onder de druk van de leugenaar is geworden tot een prooi van het verterende leugenvuur
wat al zo veel slachtoffers heeft gemaakt.
Deze treurenden van Sion zijn diegenen onder de christenen die de oprechtheid niet hebben prijsgegeven en bereid zijn om uit te gaan groeien tot de zonen Gods waar Paulus van spreekt in Rom. 8: 19. Zij erkennen dat hun eigen kracht gering is en verwachten het daarom alleen van de kracht die de Heilige Geest wil geven. Zij verlangen ernaar om één van geest te mogen worden met deze Geest van Jezus Christus. Om die reden willen ze zich ook laten leiden door die Geest en zijn ze bereid om daarvoor lijden te verdragen zoals dat ook Jezus overkwam. Het is noodzakelijk om te beseffen hoe Hij ernaar verlangt om naar Zijn heiligdom terug te kunnen keren, hoe Hij ernaar verlangt om het hart der verbrijzelden te doen opleven zoals Jesaja het beschrijft in hoofdstuk 57:15: “Want zo zegt de Hoge en Verhevene, die in eeuwigheid troont en wiens naam de Heilige is: In den hoge en in het heilige woon Ik en bij de verbrijzelde en nederige van geest, om de geest der nederigen en het hart der verbrijzelden te doen opleven”. Eeuwenlang is het de duivel gelukt om de mensheid God voor te spiegelen als een God van oorlog, een God van tegenstrijdigheden, een God die alleen maar eisen stelt, offers vraagt, zware lasten oplegt en dan ook nog naar willekeur bepaalt wie wel en wie niet voor eeuwig behouden is. Terwijl Hij zichzelf zo duidelijk heeft laten zien in Jezus, zoals deze dit van Zichzelf kon getuigen: “Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien” (Joh. 14:9).
Zachtmoedig en nederig van hart, zo is de Vader, een God die deel heeft aan en betrokken is bij ons
lijden, die in Jezus het voorbeeld heeft gegeven in het dienen en niet in het heersen met een onberekenbare
wilsbeschikking. Omdat Hij wilde dienen schiep Hij de mens maar zo vaak hebben mensen hun hart voor deze
dienende God dichtgestopt en zo vele malen bedroefden zij Zijn Heilige Geest terwijl Hij zich juist één
heeft gemaakt met het verdrukte, het vervolgde, het verachte en vernederde mensenkind. Zoals Jesaja
57:15 ons laat zien (zie hierboven).
Bij Hem geldt het recht van de zwakke in tegenstelling tot wat na de zondeval in deze schepping de maatstaf
is geworden: het recht van de sterkste. Daarom is het voor ons nu meer dan ooit noodzakelijk dat wij
niet meer aarzelen om “af te leggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en
met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt” (Hebr. 12:1).
Zijn wij bereid om onze ongehoorzaamheid in te leveren? Onze trots, onze ongezeglijkheid en onze belangen
die zo vaak nog Gods belangen en verlangens in de weg staan?
O, dat harde hart van steen wat nog bij zoveel kinderen Gods te vinden is. Dat harde hart dat zo vaak nog zijn eigen belangen voorop stelt om pas aan God te gaan denken als het in het leven anders loopt dan was gepland. Al die dicht gemetselde tempels en witgepleisterde graven. Kijken we, met de boodschap van het evangelie als maatstaf, om ons heen dan moeten we vaststellen dat dit de situatie is die we vandaag de dag in het Christendom tegenkomen.
Levensheiliging is onze opdracht, ernst maken met onze omgang met de Heilige Geest en Hem de ruimte geven. Want zo dikwijls klopte de Heilige Geest vergeefs aan het hart van menig kind van God.... En Jezus weende, ook nu nog zo menigmaal, zoals Hij dat ook deed om het weerspannige Jeruzalem. Als deze heiliging in ons leven echt werkelijkheid wordt zal ook gebeuren wat in Jesaja 40:5 staat: “En de heerlijkheid des Heren zal zich openbaren en al het levende tezamen zal dit zien, want de mond des Heren heeft het gesproken”. Dan zal werkelijkheid worden wat Jezus bij het graf van Lazarus zei tegen Martha en wat het geheim is van de uiteindelijke overwinning op de duivel: “Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult?” Wat zullen we dan geloven? Uitsluitend Gods woorden zoals we die in de bijbel kunnen vinden en zoals de Heilige Geest ze aan ons openbaart. Pas als wij volkomen gehoorzaam zijn aan deze richtlijnen, kan Gods Geest Zijn werk in ons doen en zal God weer naar Zijn heiligdom terug kunnen keren.
In Spreuken 4 wordt overduidelijk weergegeven wat het geheim van onze omgang
met de Heilige Geest inhoudt: “Hoor, Mijn zoon, en neem Mijn woorden aan, opdat uw levensjaren
talrijk worden. Ik onderricht u in de weg der wijsheid, Ik doe u treden op rechte paden. Bij uw wandelen
zal uw schrede niet belemmerd worden, wanneer gij loopt, zult gij niet struikelen. Houdt vast aan de
tucht, laat haar niet los, bewaar haar, want zij is uw leven” (Spr. 4:10-13).
Wat wordt hier met die tucht bedoeld? Dat zijn de aanwijzingen, de vermaningen en de opvoeding van Gods
Geest. Tucht is voor ons daarom ook geen stok achter de deur, een zwaard boven het hoofd, een “als
je nu niet luistert doe ik je wat” of wat dan ook voor dreigementen, zoals het woord “tucht”
maar al te vaak is uitgelegd.
Wat er echter wel achter schuilgaat kunnen we in Psalm 19:12 lezen: “Ook
laat Uw knecht zich daardoor ernstig vermanen; in het houden ervan ligt rijke beloning”. Als wij
ons hart, onze tempel, voor Jezus en Zijn plan met ons leven gaan openstellen zal Zijn heerlijkheid openbaar
kunnen komen in ons leven. Dan zal alle lauwheid verdwijnen en plaats moeten maken voor een vurig dienen
van Hem, waardoor Zijn kracht over ons komt. Dat is de kracht waar de duivel voor siddert omdat hij daarvoor
zal moeten wijken want door die kracht zullen uiteindelijk de zonen Gods, onder aanvoering van Jezus,
de schepping van de tirannie van satan bevrijden. Door die kracht zullen zij, zoals dat ook in Genesis 1 bij de schepping gebeurde, weer scheiding gaan maken tussen het (geestelijke)
licht en de (geestelijke) duisternis.
Door hun gehoorzaamheid aan Jezus Christus en Zijn evangelie zullen ze lichtbronnen kunnen zijn. De treurenden van Sion die eens weenden maar door de troost van de Trooster zelf tot troosters zijn geworden. Zij zullen op de gebaande weg voortgaan die in Jesaja 35:8 de heilige weg genoemd wordt. Hun deel zal zijn wat in vers 9 en 10 van datzelfde hoofdstuk in Jesaja wordt beschreven: “Maar de verlosten wandelen daarop; de vrijgekochten des Heren zullen wederkeren en met gejubel in Sion komen; eeuwige Vreugde zal op hun hoofd zijn, blijdschap en vreugde zullen zij verkrijgen, maar kommer en zuchten zullen wegvlieden”. Ook Jeremia mocht een dergelijke toekomstvisie neerschrijven in Jeremia 33:9: “Dan zal zij Mij tot een blijde naam worden, tot lof en eer bij alle volkeren der aarde, die van al het goede dat Ik aan hen doe, horen zullen; ja, zij zullen zich verbazen en verwonderen over al het goede en al het heil, dat Ik aan haar doe”.
Verlangen wij daar echt naar? Om als lichtbronnen de heerlijkheid van Jezus Christus in deze wereld uit te mogen stralen? Zodat het boek Handelingen in deze tijd weer tot leven zal komen en de duivel er eindelijk weer ongenadig van langs zal krijgen? Zodat al die stoffige achterkamertjes en vergaderzaaltjes waar “religie” wordt beoefend ontmaskerd worden als voorportalen van de hel waar de geest van de antichrist heeft weten binnen te dringen om ze vervolgens in te lijven bij het grote Babylon, de grote hoer, die in Openbaring wordt genoemd als de vijand van de ware zonen Gods.
Het wordt hoog tijd dat de oprechten onder Gods volk zich gaan bezighouden met hun geestelijke gezondheid
en opruiming houden in hun leven. Dat ze bij tegenslag en lijden niet eerst vragen: “God, waarom
laat U dit toe?” maar veel eerder: “God, waarom heb ik de vijand zo lang zijn gang laten
gaan in mijn gedachten zodat U Uw tempel moest verlaten?” De christenen die met deze hartsgesteldheid
weer vurig van geest Jezus Christus en Zijn evangelie zullen gaan dienen en de vruchten van de Geest
in zich laten groeien door de omgang met de Heilige Geest, zullen in hun leven werkelijkheid zien worden
wat Jezus uitsprak als een belofte in Joh. 15:16: “Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en u aangewezen, opdat
gij zoudt heengaan en vrucht dragen en uw vrucht zou blijven, opdat de Vader u alles geve, wat
gij Hem bidt in Mijn naam”.
Dan zullen die christenen die hun hart van steen lieten wegnemen (Ezechiël 36:26)
behoren tot hen die door Jesaja genoemd worden in hoofdstuk 29:24: “Ook de dwalenden van geest zullen inzicht kennen en de morrenden zullen lering
aannemen”. Onze inspanningen en ons lijden zullen uiteindelijk grote gevolgen hebben en dit zal
voor de wereld niet verborgen blijven zoals Paulus het in 2 Thess. 1:10 beschrijft:
“...wanneer Hij komt, om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en met verbazing aanschouwd
te worden in allen die tot geloof gekomen zijn”. Tot welk geloof? Tot dat geloof dat in staat is
bergen te verplaatsen, wonderen te bewerken, dat geloof dat uitsluitend rekening houdt met Gods gedachten
en niet ingaat op wat de zintuigen waarnemen, datzelfde geloof waardoor Jezus, tegen alle logica van
deze wereld in, Lazarus uit het graf deed komen zodat het ongeloof van alle toeschouwers werd beschaamd.
Dat geloof dat alleen kan groeien in harten die het karakter van Jezus hebben overgenomen doordat de
vruchten van Zijn Geest tot rijpheid konden komen. In 1 Johannes 5:4
lezen we over dit geloof: “Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning,
die de wereld overwonnen heeft; ons geloof”. En in Hebreeën
11:1 vinden we: “Het geloof nu is de zekerheid der dingen,
die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet”.
Jezus kon na Zijn lijden tegen de Emmaüsgangers getuigen wat we in Lucas 24:26 lezen: “Moest de Christus dit niet lijden om in Zijn heerlijkheid in te gaan?” Ditzelfde zullen ook de zonen Gods van zichzelf mogen getuigen. Nog een belofte uit Jesaja 54:13 met betrekking tot deze zonen Gods: “Al uw zonen zullen leerlingen des Heren zijn, en het heil uwer zonen zal groot zijn”.
Uiteindelijk zullen de woorden uit Openbaring 21:4 in vervulling gaan: “En Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan”. Dan zal Hij die eens weende ook Zijn eigen tranen zijn vergeten.
Tot zover deze korte studie die ik in 1983 heb geschreven en
die hier in een aangepaste vorm is weergegeven. Mijn toenmalige schrijfstijl verschilt nogal van de huidige
maar desondanks zal de moraal van dit verhaal de oplettende lezer niet zijn ontgaan. Zovele jaren later
blijkt het geschrevene actueler dan ooit te zijn. Wat niet zo verwonderlijk is want de ontwikkelingen
in de wereld lopen steeds verder uit op een climax en dat geldt zowel voor de steeds verder om zich heen
grijpende wetteloosheid als ook voor het zichtbaar worden van het Koninkrijk van Jezus Christus in deze
wereld. En die wereld is nu nog het domein van de overste van deze wereld, satan. Dat is een feit waar
ik ondertussen weer opnieuw met de neus op ben gedrukt door de soms felle reacties op het bovenstaande.
Met deze pagina hoop ik toch een bijdrage te mogen leveren aan de uitbreiding van het Koninkrijk van
Jezus Christus op deze wereld, doordat zij die open staan voor Jezus' evangelie en geen boodschap hebben
aan een dode religie erdoor zullen worden opgebouwd.
| Spreuk: Het evangelie is veel te ingewikkeld voor volwassenen. Alleen een kind kan het begrijpen. (naar Matthéüs 18:3) |
P.S.
Mocht je de inhoud van deze pagina op een meer conventionele manier onder de aandacht van andere belangstellenden
willen brengen, wees dan zo vrij en print deze pagina. Er zal
eerst een voorbeeldtekst verschijnen om je een idee te geven van de tekstgrootte. Je kunt vervolgens
een keuze maken tussen kleine en wat grotere letters, waarbij nog wel even moet worden opgemerkt dat
de kleine letters overeenkomen met de gangbare lettergrootte zoals je die in boeken en tijdschriften
aantreft.