nod nod
Google Zoek in het WWW. Zoek in deze site.
Twee opmerkingen vooraf: 1. Deze website maakt geen gebruik van cookies. 2. Gebruikers van een iPad, iPhone, smartphone of een soortgelijke vorm van mobiel internet: bekijk deze pagina op deze manier, voor een maximale breedte van het beeld.
 

 Reuzen in Genesis 6.

Inleiding.
Over de zonen Gods in Genesis 6 heb ik vreemde en vergezochte fantasieën gelezen met een opvallend hoog “Erich von Däniken gehalte”. Fantasieën die er op neerkomen dat het hier zou gaan om gevallen engelen of zelfs om buitenaardse wezens. Men gaat er daarbij van uit dat de term “zonen Gods” slaat op hun bovennatuurlijke afkomst, dus moet het volgens die redenering wel gaan om engelen of wellicht om “aliens”. Er wordt dus aan slechts enkele teksten uit de bijbel een hele theorie opgehangen die echter na het objectief lezen van de context zijn geloofwaardigheid niet overeind kan houden. Omdat ik over dit onderwerp al eens enkele vragen gesteld kreeg heb ik me destijds enige tijd in dit onderwerp verdiept. Vervolgens heb ik me er opnieuw mee beziggehouden en heb ik het allemaal nog eens een aantal maanden laten rijpen en bezinken. Ondertussen verdiepte ik me in de schemerige wereld van de Griekse en de Romeinse mythologie (erfenissen van het occulte, oude Babel) en daarin vond ik uiteindelijk de link met de ook in christelijke kringen verkondigde fantasieën die rond slechts enkele bijbelteksten hebben kunnen ontstaan, doordat de betreffende bijbelteksten met bepaalde vooroordelen werden gelezen. Daarnaast is het opvallend dat de “gevallen engelen theorie” hoofdzakelijk is gebaseerd op een Joods geschrift (het boek van Henoch) dat terecht niet in de bijbelse canon is opgenomen. Het is een geschrift dat zelfs als een Joodse voorloper kan worden beschouwd van de hedendaagse religieus getinte thrillers waarin waarheid en leugen op één hoop worden gegooid. Zoals bijvoorbeeld “De Da Vinci Code”, waaraan op deze pagina overigens ook aandacht wordt besteed.

Een bevestiging van de puur occulte oorsprong van deze mythe over de gevallen engelen die in Genesis 6 een hoofdrol zouden vervullen ontving ik via een insider uit de wereld van occultisme, satanisme en tovenarij. In deze kringen behoort deze verdraaide versie van de werkelijkheid namelijk tot hun religie. En daarmee is de oorsprong ervan definitief vastgesteld.

Wie desondanks met deze mededeling geen genoegen neemt en toch verder wil spitten in de genoemde materie doet er goed aan verder te lezen.
 

De zonen Gods en de dochters der mensen.

Het bewuste bijbelgedeelte vinden we in Genesis 6:1-7 en omdat die paar verzen nog wel te overzien zijn heb ik ze voor de volledigheid hier weergegeven:
  1. Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden,
  2. zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen.
  3. En de Here zeide: “Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn”.
  4. De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun kinderen baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam.
  5. Toen de Here zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was,
  6. berouwde het de Here, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart.
  7. En de Here zeide: “Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb”.

Leest men dit beknopte verslag over de verloedering van de mensheid met een onbevooroordeelde mening dan is het eerste dat eruit naar voren komt dat de zondige levenswandel van de mens zelf voor God aanleiding is om dat hele van God afgeweken zooitje goddelozen uit te roeien. Het valt ook direct op dat er niet wordt gerept over Gods strafmaatregelen tegen (gevallen) engelen maar wel over strafmaatregelen tegen de mens, als dé aanstichter van deze uit de hand gelopen wantoestand. Want de context van dit gedeelte maakt toch echt duidelijk dat het hier handelt over mensen en niet over (gevallen) engelen.

Die context wijst in de richting van de zondige mens die hier in Gods ogen de oorzaak van het ontstane drama is en deze aanwijzing wordt maar al te makkelijk door hele volksstammen over het hoofd gezien. Want in vers 2 zijn het de zonen Gods die zich misdragen en direct daarna volgt in vers 3 Gods reactie hierop: “Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij (dat is de mens) zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn”. De mens heeft zich misgaan en daarom wordt de levensduur van de mens sterk ingekort. De mens waar vers 3 op doelt als de aanleiding voor Gods ingrijpen zijn de zonen Gods in vers 2 en niet de dochters der mensen. God zegt namelijk: “...nu zij zich misgaan hebben...” en dat duidt op het actieve handelen van de zonen Gods, zij zijn namelijk het onderwerp in vers 2. Deze zonen Gods worden hier als de oorzaak aangewezen en hadden hier iets gedaan dat voor God een gruwel is doordat zij zich vrouwen namen uit de dochters van de mensen die met God allang geen rekening meer hielden en als gevolg daarvan ook zelf van God afvallig werden. Want... slechte omgang bederft goede zeden. Op dit verraad tegenover de Schepper volgt Zijn reactie. Met de mensen die voortaan niet ouder konden worden dan 120 jaar worden dus, naast de rest van de wereldbevolking, ook de zonen Gods en hun nageslacht bedoeld. Gods besluit tot ingrijpen was namelijk een reactie op de daden van deze zonen Gods. Zowel de zonen Gods als de dochters der mensen zijn de tot wetteloosheid vervallen mensen waarmee God zou gaan afrekenen.

 

Uit deze paar verzen in Genesis 6 blijkt trouwens niet dat de afvalligheid van de nog aanwezige rechtvaardigen uitsluitend het gevolg was van hun gemengde huwelijken met de goddelozen. Het is zeer aannemelijk dat dit ook op andere manieren realiteit werd, zoals dit ook het geval is en zal zijn als in de eindtijd de nieuwe zondvloed (die verderop nog ter sprake komt) de goddelozen zal geselen. Er wordt in Genesis 6 echter wel met nadruk op het van alle heiligheid ontdane huwelijksleven van de goddelozen gewezen, zoals ook Jezus dat deed in Zijn beschrijving van de toenemende wetteloosheid in de eindtijd. Bij het bestuderen van de diverse meningen rond het verhaal van Genesis 6 las ik o.a. het commentaar van theologen die zich vertwijfeld afvroegen of de zonen Gods in Genesis 6 dan blijkbaar uitsluitend met de goddeloze dochters der mensen huwden en niet met vrouwen uit hun “eigen kringen”. Hoewel dit niet wordt genoemd in Genesis 6 wordt het ook beslist niet uitgesloten. Naast alle andere zonden die er werden begaan was als gevolg van de in het oog springende vermenging van rechtvaardigen en goddelozen voor God de maat duidelijk vol en stond Zijn besluit tot ingrijpen vast. Waardoor het opsommen van alle andere details van de zondige levenswijze van de mens niet meer ter zake deden.

Het gedrag van de nog aanwezige rechtvaardigen in Noach's dagen is feitelijk dezelfde ik-gerichte levenswijze als die waarnaar Jezus verwees in bijvoorbeeld Matth. 24:37-39 waar Hij een vergelijking maakte met de toenemende wetteloosheid in de eindtijd: “Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn. Want zoals zij in die dagen voor de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop Noach in de ark ging, en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn”. Met name met het uit de hand gelopen huwen en ten huwelijk geven wordt zowel in Genesis 6 als in Matth. 24 het losgeslagen en van alle remmingen ontdane goddeloze gedrag van de mens, met als gevolg daarvan zijn ongeïnteresseerdheid voor “de dingen die boven zijn”, samengevat. Van alle zonden die de mens kan begaan zijn die welke met onreinheid te maken hebben de meest in het oog springende. In de tijd waarin we ons nu bevinden zien we daarvan dan ook dagelijks het bewijs om ons heen. Een bewijs waarvan een zienderogen toenemende beïnvloeding uitgaat. Een beïnvloeding die via de media in de vorm van de meest hemeltergende uitspattingen van onreinheid massaal over het publiek wordt uitgestort en waarvan een alles overheersende wetteloosheid het gevolg zal zijn. Precies zoals dat ook door toedoen van de afvallige mens in Genesis 6 het geval was. Over dit normloze en losbandige gedrag schreef de apostel Petrus in 1 Petrus 4:4-5: “Daarom bevreemdt het hen, dat gij u niet met hen stort in diezelfde poel van liederlijkheid, en zij belasteren u; maar zij zullen daarvan rekenschap moeten geven aan Hem, die gereed staat om levenden en doden te oordelen”. Het is in dit verband ook het vermelden waard dat nogal wat mannen Gods en predikers van naam uitgerekend door hieraan verwante zonden, zoals overspel, ten val zijn gekomen.

Ook in Lucas 17:26-30 wordt door Jezus naar de komende donkere tijden vooruit gewezen terwijl Hij hier nog een tweede vergelijking maakt, namelijk die met het lot van Lot: “En gelijk het geschiedde in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen: zij aten, zij dronken, zij huwden, en zij werden ten huwelijk genomen tot op de dag, waarop Noach in de ark ging en de zondvloed kwam en allen verdelgde. Op dezelfde wijze als het geschiedde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden. Maar op de dag, waarop Lot uit Sodom ging, regende vuur en zwavel van de hemel en verdelgde hen allen. Op dezelfde wijze zal het gaan op de dag, waarop de Zoon des mensen geopenbaard wordt”.

Jezus legde in deze tekstgedeelten uit Lucas 17 en Matthéüs 24 de nadruk op de tegenstelling tussen enerzijds de goddeloze, aardsgerichte mentaliteit van Noach's tijdgenoten én die van de goddelozen in de eindtijd en anderzijds het heil dat vanuit het Koninkrijk Gods bij Jezus' terugkomst weer een stap dichter bij zijn voltooiing zal komen. Deze onnoemelijk grote tegenstelling tussen de aan zonde en wetteloosheid ten onder gaande wereld en het Koninkrijk van de Heilige God is dezelfde tegenstelling die ook in Genesis 6 naar voren komt. Om die reden lag de nadruk in Jezus' beschrijving op de goddeloze levenswijze van de mens en komen er geen “gevallen engelen” ter sprake.

 

En ook daarna...

Pas ná dit besluit van God om de levensduur van de mens drastisch in te korten komen de reuzen ter sprake, alsof de schrijver in Genesis 6:4 nog verder inzoomt op de situatie zoals die zich al had ontwikkeld. In de dagen dat de zonen Gods vervielen tot heidendom waren er al reuzen op de aarde en ze waren er ook na hun daad van afvalligheid. Met als resultaat dat zich óók onder de nakomelingen van deze tot goddeloosheid vervallen zonen Gods reuzen bevonden.

Het is me bij het bestuderen van de gangbare theorieën over dit controversiële bijbelgedeelte keer op keer opgevallen dat de volgorde in vers 4 wordt genegeerd. Er staat namelijk: “De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun kinderen baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam”.
Hier meent men uit te kunnen opmaken dat er wordt gezinspeeld op de tijd na de zondvloed en dat de schrijver van Genesis ons hier meedeelt dat ook na de zondvloed dergelijke reuzen het levenslicht zagen. Die zijn er wel geweest, zo wordt ons in latere hoofdstukken van Genesis, in Numeri, Deuteronomium, Jozua, 1 Samuël, 2 Samuël en 1 Kronieken gemeld, maar dat zijn beslist niet de reuzen waarover de schrijver van Genesis het heeft. De in de zojuist opgesomde bijbelboeken voorkomende reuzen worden overigens verderop in deze pagina nog belicht.
De veronderstelling dat ook na de zondvloed deze reuzen nog voorkwamen is echter niet uit de opbouw van de Hebreeuwse grondtekst van Genesis 6:1-7 te halen en bovendien komt Gods besluit om in te grijpen pas ter sprake in vers 7. Het “ook daarna” in vers 4 heeft dan ook geen betrekking op de periode na Gods ingrijpen door middel van de pas in vers 7 aangekondigde uitroeiing, maar moet gelezen worden als: “ook nadat de reuzen in die dagen op de aarde waren”. Dus: nadien, in de tijd dat ook de nog resterende zonen Gods werden meegesleept in de alom heersende goddeloosheid (onder andere door hun omgang met goddeloze vrouwen) brachten zij nakomelingen voort die in goddeloosheid werden grootgebracht en vervolgens zelf in goddeloosheid leefden. Feitelijk wordt in Genesis 6:4 gezegd dat deze reuzen al op de aarde waren vóórdat ook de nog resterende zonen Gods (de rechtvaardigen) tot goddeloosheid vervielen.

 

De Nephilim.

Het woord “reuzen” is de vertaling van het Hebreeuwse woord “Nephilim” dat betekent: “reuzen” of ook wel: “gevallenen, zij die anderen overvallen, rovers, moordenaars, dwingelanden”. De betekenis gevallenen geeft een beweging aan én een richting waarin die beweging plaatsvindt. Er werd namelijk gevallen en dat is, zo weten wij allemaal, altijd een neerwaartse beweging. In de context van Genesis 6:1-7 heeft dit feit betrekking op rechtvaardigen die van hun Schepper waren vervreemd, in goddeloosheid waren gevallen en door hun wetteloosheid Gods reactie hierop uitlokten. Die wetteloosheid wordt overigens duidelijk tot uitdrukking gebracht in de andere, zojuist genoemde, betekenissen van het woord Nephilim. Ze waren dus gevallen vanuit hun positie als rechtvaardigen, als zonen Gods, en daardoor verworden tot de gevallenen: de Nephilim, die zelf ook weer een generatie Nephilim toevoegden aan de al aanwezige goddelozen. In dit ene woord is daarom een heel drama vervat. Het drama van rechtvaardigen die de rechtvaardige God verlieten en Hem bedroefden met hun afvalligheid en hun zonden.

De gangbare theorie die er vanuit gaat dat het hier handelt om gevallen engelen brengt echter een scheiding aan tussen de zonen Gods en de Nephilim, alsof dit twee van elkaar te onderscheiden groepen zouden zijn. Dus:
  1. De afvallige zonen Gods.
  2. De Nephilim die uit hen voortkomen.

Maar.... als deze scheiding consequent doorgetrokken zou worden komt uit de betreffende bijbelteksten naar voren dat feitelijk de zonen Gods, gelet op hun gedrag en de dramatische gevolgen daarvan, de werkelijke gevallenen waren en niet hun nakomelingen. De benaming Nephilim zou daardoor beter passen bij de zonen Gods in plaats van bij hun nakomelingen. Die laatsten waren weliswaar goddeloos maar hun goddeloosheid was een gevolg van hun goddeloze opvoeding, het was ze als het ware met de paplepel ingegeven. Ze waren niet gevallen, ze waren in goddeloosheid opgevoed.
Feit is dat de zonen Gods in Genesis 6:1-7 worden beschreven als afvalligen die ontrouw zijn aan hun Schepper en door deze daad van ongehoorzaamheid de aanleiding zijn voor de totaal uit de hand gelopen situatie. De scheiding die in de gevallen engelen theorie desondanks is aangebracht tussen de zonen Gods en de Nephilim maakt het daarom zeer ongeloofwaardig en onlogisch dat de eersten ondanks hun afvalligheid worden aangeduid als zonen Gods terwijl alleen hun in goddeloosheid opgegroeide nakomelingen als de gevallenen worden bestempeld.
De (in de gevallen engelen theorie) kunstmatig aangebrachte scheiding en de totaal onlogische gevolgtrekking die daaruit voortvloeit maakt duidelijk dat er door hele volksstammen rond deze paar bijbelteksten wilde indianenverhalen werden bedacht, die bij nadere beschouwing slechts een griezelig hoog “Erich von Däniken gehalte” blijken te hebben. Men wauwelt elkaar maar een beetje na en laat zich meeslepen in deze betovering.

Het feit dat de “geweldigen uit de voortijd, de mannen van naam” in Genesis 6:4 worden beschreven als de Nephilim, de gevallenen, wijst al direct op het grote contrast met hun aanvankelijke levenswijze en dit houdt ook meteen in dat niet hun vermeende afkomst van gevallen engelen maar wel hun eigen dramatische afvalligheid tegenover Jahweh de reden is om hen te beschrijven als de Nephilim. Dit drama van de afvalligheid tegenover Jahweh is namelijk het hoofdonderwerp van Genesis 6!! De afvalligheid van rechtvaardigen die van hun Schepper waren vervreemd, in goddeloosheid waren gevallen en tot Nephilim werden.

Samenvattend kan worden gesteld dat in Genesis 6:1-7 de nadagen worden beschreven van:
  1. De rechtvaardigen op aarde die als de gevallenen worden aangeduid omdat ze ondertussen al van Jahweh vervreemd waren en Gods toorn over zichzelf hadden afgeroepen.
  2. De nog resterende rechtvaardigen die door hun omgang met goddeloze vrouwen hetzelfde noodlot over zichzelf afriepen.

Hiermee is uiteengezet dat er meerdere oorzaken waren waardoor de goddeloosheid de overhand kreeg op aarde. Dat hieraan desondanks door bosjes “deskundigen” een heel andere, aan de fantasie ontsproten, theorie over gevallen engelen wordt opgehangen die nogal eens met een maar, misschien, wellicht, 't zou best kunnen of een waarschijnlijk in nevelen wordt gehuld laat blijken dat dit tekstgedeelte passend wordt gemaakt in de door hen allang aanvaarde gevallen engelen theorie. Een theorie die voornamelijk berust op de twijfelachtige informatie uit bronnen die op hun beurt onder invloed van heidense mythologieën en culturen zijn ontstaan. Daaraan wordt verderop nog uitgebreid aandacht besteed. Het is daarom behoorlijk vergezocht als men op basis daarvan uit Genesis 6:1-7 de vreemdste conclusies trekt, terwijl alleen al door het nauwkeurig lezen van wat er staat in de teksten er omheen (de context) de situatie wordt verklaard.

 

Reuzengroei.

In de maanden dat ik informatie aan het verzamelen was voor het onderwerp op deze pagina hield ik me uiteraard bezig met de vraag naar de oorzaak van de reuzengroei waarover we in de bijbel kunnen lezen. Vooral de reuzengroei in de tijd vóór de zondvloed hield me bezig. Ooit heb ik een zeer leerzaam boek gelezen over de zondvloed en de sporen die deze wereldramp heeft achtergelaten. Dat de “officiële” wetenschap van die zondvloed niets moet hebben en in plaats daarvan de compleet achterhaalde evolutietheorie aanhangt heeft als gevolg gehad dat we geregeld door deze pseudo-wetenschappers doodgegooid worden met miljoenen en zelfs miljarden jaren van evolutie. Terwijl deze aantallen absoluut niet te bewijzen zijn worden de vele vondsten die het tegendeel van hun gammele theorieën bewijzen doodgezwegen en genegeerd. Dat deze pseudo-wetenschap zijn best doet om de Schepper van hemel en aarde weg te kunnen redeneren blijkt ook eens te meer uit de toch wel erg knullig aandoende, tegen vele bewijzen ingaande, zwamverhalen over de ontwikkelingsgeschiedenis van deze aarde. In ieder geval is uit de vele al gevonden reuzenskeletten van diverse diersoorten wel gebleken dat de afmetingen van veel dieren destijds kolossaal waren. In het al aangehaalde boek over de zondvloed werd als zeer waarschijnlijke oorzaak daarvan het zeer gunstige klimaat genoemd. Een klimaat dat vóór de bijzonder ingrijpende veranderingen door de zondvloed een gunstige invloed had op de gezondheid en leeftijd van de toenmalige dierenwereld.

De opvallende reuzengroei van de reuzen die in Genesis 6 worden genoemd hield me dus nogal eens bezig. Al peinzend hierover zat ik eens te kijken naar een speelfilm waarin voornamelijk de beruchte, met computeranimatie weer tot leven gewekte, Tyrannosaurus Rex een hoofdrol speelde. Terwijl deze geweldenaar weer eens in zijn volle glorie door het beeld heen denderde besefte ik opeens dat ik eigenlijk naar het antwoord op het hele vraagstuk zat te kijken. Want wat voor de reuzengroei in de dierenwereld gold, ging ook op voor de reuzengroei van de mens in de periode voordat het klimaat op aarde ingrijpend veranderde als gevolg van de zondvloed. Mens en dier leefden samen in dezelfde gunstige klimatologische omstandigheden terwijl de bijbel daar nog aan toevoegt dat de mens destijds nog onvoorstelbaar hoge leeftijden kon bereiken. Het verouderingsproces ging dan ook veel langzamer dan nu het geval is en het ligt voor de hand dat het groeiproces onder die omstandigheden veel langer doorzette. Rekening houdend met deze lange levensduur, die ongetwijfeld ook in de dierenwereld voorkwam, is de enorme grootte van de gevonden skeletten van deze reptielen een aanwijzing.
Een aanwijzing namelijk dat ook de gevonden menselijke beenderen met reusachtige afmetingen wijzen op een lange levensduur die, in combinatie met het bijzonder gunstige klimaat, deze reuzengroei tot gevolg had. Een klimaat overigens waarin de overvloedige plantengroei een overvloed aan voedsel voortbracht. Zelfs tot in onze tijd komt het nog voor dat de ene generatie een gemiddeld opvallend grotere lichaamslengte bereikt, en een gemiddeld langere levensduur kent, dan de vorige generatie en dat met name als gevolg van de toegenomen welvaart. Het grotere voedselaanbod is dus nog steeds van invloed op de toegenomen lichaamslengte en de hogere leeftijd en dit verschijnsel is in het bijzonder opvallend als we dit vergelijken met de vaak kleine harnassen van de ridders uit voorgaande eeuwen. Deze vechtjassen waren destijds dus maar een stel kleine opdondertjes, in een periode dat de gemiddelde levensduur ook nog eens aanmerkelijk korter was dan in de huidige welvaartstijd.
Deze reuzengroei zal zeer waarschijnlijk in de tijd voor de zondvloed niet beperkt zijn gebleven tot de goddelozen, dus ook bij de rechtvaardigen, die in hetzelfde gunstige klimaat leefden, zal deze reuzengroei geen onbekend verschijnsel zijn geweest. Maar omdat niet de reuzengroei op zichzelf maar wel de goddeloosheid in Genesis 6:1-7 wordt aangewezen als de aanleiding voor Gods ingrijpen d.m.v. de aangekondigde uitroeiing worden slechts de goddeloze reuzen genoemd. De reuzengroei op zichzelf was beslist niet iets dramatisch, de goddeloosheid daarentegen wel.

Het is ook opmerkelijk dat de eerste maatregel die God in Genesis 6:3 nam, nadat de mens er een bende van had gemaakt, als volgt luidde: “Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn”. Daarmee werd in de eerste plaats de tijd ingekort tijdens welke de mens zich aan zonde en wetteloosheid kon schuldig maken. Een tweede gevolg van de sterk ingekorte levensduur was dat het verouderingsproces werd versneld. Daardoor had ook de reuzengroei zijn langste tijd gehad. De eerstvolgende ingreep van Gods kant was de in Genesis 6:7 aangekondigde zondvloed, waarmee Hij dat hele goddeloze zooitje van de aardbodem wegvaagde.

 

Reuzen na de zondvloed.

We lezen in het Oude Testament dat de reuzengroei daarmee niet direct tot het verleden behoorde en dat er ook na de zondvloed nog reuzen hebben bestaan, tot aan de tijd van de koningen van Israël toe. Enkele voorbeelden daarvan vinden we in:

Wat uit de vijf eerste tekstplaatsen naar voren komt is dat het bestaan van deze reuzen wordt gemeld omdat het volk Israël met hen te maken kreeg. En omdat het volk Israël onder leiding van Mozes en vervolgens van Jozua op weg was naar het beloofde land, “overvloeiende van melk en honing” (Jozua 5:6). Uitgerekend in dat land en de omliggende streken kwam het volk Israël deze reuzen tegen. Dat doet sterk denken aan een vergelijkbare situatie zoals die vóór de zondvloed bestond toen het klimaat nog zoveel gunstiger was voor mens en dier. Hard te maken is het niet maar men zou hieruit de conclusie kunnen trekken dat de aangetroffen reuzengroei onder andere mogelijk was door “het land, overvloeiende van melk en honig” en zijn gunstige klimaat. Het zijn deze reuzen die ten onrechte worden beschouwd als de nieuwe Nephilim, en dat op grond van Genesis 6:4. Deze misvatting is in het voorgaande echter al onderuit gehaald.

Babylon verstrooid.

Er is in de bijbel geen enkele aanwijzing te vinden waaruit blijkt dat de macht van de satan, als overste van deze wereld, en van zijn gevallen engelen als gevolg van de zondvloed aan banden werd gelegd. We lezen echter wel in Genesis 11:1-9 over de geschiedenis van de torenbouw van Babel en over de Babylonische spraakverwarring waarmee Jahweh de toenmalige wereldbevolking verstrooide over de hele aarde en waardoor de uitvoering van de plannen van de satan werd vertraagd. Dat laatste vinden we in Genesis 11:8: “Zo verstrooide de Here hen vandaar over de gehele aarde, en zij staakten de bouw van de stad”. Doordat de bewoners van Babel over de aarde uitzwermden, verspreidde ook het occultisme van het oude Babylon, met al zijn mythen en legenden, zich sindsdien over de hele aarde. Uiteraard werden ook de nodige afgoden op sleeptouw genomen en de verering van deze afgoden nam telkens weer zijn eigen kleur, variatie en invulling aan. Waaronder bijvoorbeeld de verering van de “Madonna met kind”, in de bijbel onder meer bekend onder de namen Astarte en Tammuz. Deze aanbeden moeder-kind relatie is een vinding van de tovenares Semiramis, de vrouw van Nimrod en na diens dood de heerseres van het oude Babylon. Het is een verering die een plaats heeft gekregen in de Rooms Katholieke leer in de vorm van, jawel, Maria met het kindje Jezus. Over deze verering van Maria heb ik al het nodige geschreven in “De drie-eenheid, wat is er mis mee?”. Het gevolg van deze verspreiding was dat het verschijnsel “Madonna met kind” al werd vereerd in diverse mysteriegodsdiensten, ver voordat Maria door de Roomse leer tot een voorwerp van verering werd ingelijfd. Zodat het kon gebeuren dat Roomse missionarissen bij aankomst in China tot hun stomme verbazing moesten vaststellen dat ook de Chinezen al sinds onheugelijke tijden hun eigen Madonna met kind vereerden.

Ook het vanuit Babel meegenomen zondvloedverhaal nam onder invloed van de zich ontwikkelende culturen overal andere, lokale, vormen aan waarbij de grote lijnen wel herkenbaar bleven maar ieder volk zijn eigen versie ervan ontwikkelde. Bij het lezen van diverse van deze zondvloedverhalen blijft het verbazing wekken dat onder invloed van de ter plaatse heersende religie en cultuur de werkelijke toedracht van de zondvloed behoorlijk is verwrongen. Doordat ook de plaatselijk vereerde goden hun aandeel “opeisten” in het geheel, wat uiteindelijk als resultaat had dat men het met de waarheid niet zo nauw nam. Anders gezegd: er ontstond een vervuiling van het oorspronkelijke verhaal. Zoals al is genoemd bleven de grote lijnen van het zondvloedverhaal desondanks overeind staan en die grote lijnen zijn:

Opmerkelijk is dat het de zondigheid en de slechtheid van de toenmalige mensheid is die in veel van deze overgeleverde verhalen als de oorzaak van de ramp worden aangewezen en niet de aanwezigheid van reuzen of de vermenging met “gevallen engelen”. Precies zoals ook in Genesis de nadruk wordt gelegd op de goddeloosheid en wetteloosheid van de mens.

 

Indianenverhalen.

In tegenstelling daarmee circuleren er ook diverse mythen, legenden en meer van dergelijke indianenverhalen over engelen of goden die zich ooit met de mens vermengd zouden hebben en een onhandelbaar nageslacht op de wereld zetten. Dat nageslacht bestaat in deze mythen dan ook steevast uit reuzen. Het valt niet te ontkennen dat veel van dergelijke mythen een kern van waarheid bevatten, zoals beslist ook bij de flink aangepaste zondvloedverhalen het geval is. Die kern van waarheid is bij deze mythen dat er inderdaad reuzen hebben bestaan, zoals dit in het voorgaande al is aangetoond. Ook deze vanuit Babel meegesmokkelde verhalen en mythen, handelende over de tijd van vóór de zondvloed, kregen naast het zondvloedverhaal een plaats in de vele religies en de daarmee samenhangende culturen die deze wereld hebben overspoeld. Het was te verwachten dat ook op de verhalen over de tijd van vóór de zondvloed de vele heidense religies een eigen stempel zouden drukken. Daarmee werd er feitelijk een traditie voortgezet want de uit het oude Babel meegenomen mythen en legenden waren daar voor vertrek dus al “grondig voorbewerkt”. In dit heidense klimaat speelt de waarheid geen rol van betekenis en dát wordt in de bijbel meer dan eens onder onze aandacht gebracht. Bijvoorbeeld in:

De apostel Paulus wist, als oud-leerling van de wetgeleerde Gamaliël en door zijn grondige kennis van hetgeen de oude profeten hadden nagelaten, waar hij het over had. Daarnaast was hij tijdens zijn zendingsreizen meer dan eens in aanvaring gekomen met de duisternis van het heidendom. Terecht schreef hij daarom in Efeze 4:17-18 over de onwetendheid die in de afgodendienaars heerst. De hardnekkigheid waarmee de in dit goddeloze en verduisterde klimaat ontstane en overgeleverde indianenverhalen zich tot op de huidige dag handhaven is dan ook opvallend maar niet verbazingwekkend. Van de auteur ervan was namelijk niets anders te verwachten. Dat wordt ons overtuigend meegedeeld in Openbaring 12:12 waar de wraakzucht van de overste van deze wereld in herinnering wordt gebracht: “Daarom, verheugt u, gij hemelen en wie daarin wonen. Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u nedergedaald in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft”. Na de zondvloed kwam de satan in dezelfde grote grimmigheid, na het droogvallen van het aardoppervlak, de schade op de aarde opnemen waarna hij opnieuw in de aanval ging. Dat hij bij zijn inspectietochten al spoedig weer goddeloze handlangers vond, zoals dat ook voor de zondvloed gebeurde, lezen we in Genesis 10:8-10: “En Kus verwekte Nimrod; deze was de eerste machthebber op de aarde; hij was een geweldig jager voor het aangezicht des Heren; daarom zegt men: Een geweldig jager voor het aangezicht des Heren als Nimrod. En het begin van zijn koninkrijk was Babel, Erek, Akkad en Kalne, in het land Sinear”. Het gedonder begon dus weer van voren af aan. Babel was een bolwerk van occultisme en, door toedoen van de tovenares Semiramis, de bakermat van alle heidense religies die zich sinds de Babylonische spraakverwarring als een uitbreidende bosbrand over de aarde verspreidden.

Dat de door God ontketende zondvloed de plannen van de satan flink in de war hadden gegooid zat er dik in en is zelfs al eens bevestigd tijdens duiveluitdrijvingen waarbij de demonen God uitvloekten en schreeuwden dat de zondvloed een bittere tegenslag voor hen was geweest. Ze hadden er zogezegd nog steeds flink de smoor in.

 

Waar zijn de reuzen in onze tijd?

Door er vanuit te gaan dat ook de reuzen na de zondvloed ontstonden door toedoen van gevallen engelen houdt men bovendien de mogelijkheid open dat ook tot in onze tijd dergelijke reuzen zich nog, in niet geringe aantallen, onder ons kunnen bevinden. Dat houdt in dat (er van uitgaande dat er in Genesis 6:1-4 werkelijk gevallen engelen in het spel zouden zijn) hen geen enkele beperking werd opgelegd die zou kunnen voorkomen dat ze zich opnieuw en op dezelfde manier zouden vergrijpen als ze voorheen deden. Dit zou betekenen dat als gevolg daarvan er nu nog steeds reuzen het levenslicht zien zoals dit volgens de “gevallen engelen theorie” destijds ook zou zijn gebeurd.

Want de huidige en hopeloze toestand waarin de wereld zich nu bevindt is er een van toenemende wetteloosheid en een zienderogen groeiende invloed van het occultisme. Daarnaast worden dagelijks de bijbelse voorspellingen aangaande de toenemende goddeloosheid van de mens bevestigd en deze goddeloosheid geeft de satan meer dan ooit tevoren speelruimte en gelegenheid om zijn duistere zaakjes te regelen. Kijkend naar deze huidige situatie is het echter opvallend dat, terwijl de satan en zijn legers van boze geesten (en dat zijn gevallen engelen) uitgerekend nu meer dan ooit vrijspel hebben gekregen, er ondanks dit alles op deze wereld geen reuzen rondlopen van het formaat waarvan in de bijbel sprake is. Over deze toenemende duisternis schreef de apostel Paulus in 2 Thess. 2:3: “Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is”.

Die mens der wetteloosheid zien we nu steeds vaker in actie, waardoor de satan en zijn handlangers meer en meer medewerking van de mens ontvangen. Het ligt er dik bovenop dat, als gevallen engelen daar inderdaad toe in staat zouden zijn, er ook nu weer reuzen zouden bestaan met eenzelfde oorsprong en met vergelijkbare afmetingen als de reuzen waarvan in Genesis 6:1-4 sprake is. We moeten echter vaststellen dat ze schitteren door afwezigheid en dit feit alleen al maakt al de wilde fantasieën over de omgang van gevallen engelen met vrouwen tot een ongeloofwaardige hersenschim. Een hersenschim die desondanks door massa's fantasten wordt nagejaagd.

De levensgeest.

De theorie die ervan uitgaat dat er door toedoen van gevallen engelen een soort “halfmensen” ontstonden gaat voorbij aan Gods scheppingswetten. Het is namelijk de levensgeest die van God komt die de mens tot een mens maakt en waardoor de mens zich onderscheidt van de rest van deze schepping. Het is die onsterfelijke geest die maakt dat de mens in twee werelden leeft. De geestelijke en de natuurlijke.
In Genesis 2:7 vinden we hiervoor het bewijs: “toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo(!) werd de mens tot een levend wezen”. Zonder die levensgeest (de levensadem) die van de Schepper afkomstig is, is de mens geen mens.

Het is dus zo dat een mens van God de levensgeest ontvangt en dát maakt hem tot een mens. Omdat ik weet dat de Schepper van Zijn eigen scheppingswetten niet afwijkt durf ik het uit te sluiten dat Hij een levensgeest zou schenken aan een gedrocht dat tot stand zou zijn gekomen door toedoen van afvallige engelen (en dus demonen). De eeuwige God wijkt namelijk nooit af van Zijn principes en scheppingswetten, zo lezen we in Jacobus 1:17: “Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neder, van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer”.

Er is slecht één Schepper die leven kan scheppen. Daar doelde ook Paulus op toen hij schreef in 1 Cor. 8:6: “Voor ons nochtans is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn, en één Here, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn, en wij door Hem”. Om naast deze Schepper nog een andere schepper te plaatsen zoals de indianenverhalen over de “reuzen uit de voortijd” ons eigenlijk willen doen geloven is een voorbijgaan aan wat de bijbel hierover zegt. De satan en zijn gevallen engelen zijn slechts schepselen die door de Schepper zijn voortgebracht en die zelf geen leven kunnen scheppen. Van de engelen zei Jezus in Matthéüs 22:30: “Immers, in de opstanding huwen zij niet en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemel”. Waarmee Jezus aanduidt dat vanwege deze scheppingswet de geslachtsloze engelen geen voortplanting en dus ook geen nageslacht kennen. In de “gevallen engelen theorie” gaat men er desondanks van uit dat het de afvallige engelen zelf zijn die voor nageslacht zorgen door met de dochters van de mensen te huwen. Echter, de veronderstelling dat engelen bij hun verschijning in een mensengedaante, zoals bijvoorbeeld in Genesis 18 wordt beschreven, geslachtelijk zijn is een nergens op gebaseerd fantasieverhaal. Hun verschijning mag dan wel menselijk lijken, dat wil zeggen: voor het menselijke oog waarneembaar, het lichaam waardoor ze voor de mens zichtbaar zijn is echter aan totaal andere wetten onderhevig. Dat laatste demonstreerde Jezus toen Hij na Zijn opstanding met Zijn hemelse lichaam, niet door muren en deuren gehinderd, onaangekondigd aan Zijn discipelen kon verschijnen. Dat Hij als bewijs voor het feit dat Hij geen spook/geestverschijning was voor de ogen van de discipelen iets opat (Lucas 24:42-43), zoals Hij ook al samen met de twee engelen deed toen Hij aan Abraham verscheen in Gen. 18:7-8, betekent niet dat Zijn opstandingslichaam afhankelijk was van aards voedsel. Er is daarom een (hemels)breed verschil tussen het aan aardse natuurwetten onderworpen lichaam van de mens (met zijn vermogen tot voortplanting) en het lichaam waarmee de “bewoners van de geestelijke wereld” zichzelf zichtbaar kunnen maken.

Voor hen die toch nog blijven volharden in hun onbijbelse fantasieën over afvallige engelen en hun gemixte nakomelingen is er nog iets om over na te denken: In Psalm 115:16 lezen we: “De hemel is de hemel van de Here, maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven”. Bij de schepping heeft de Schepper duidelijke grenzen gesteld tussen de aardbewoners met hun vermogen om zich voort te planten en de geslachtsloze hemelbewoners, de engelen. De gevallen engelen die de satan zijn gevolgd in zijn afvalligheid houden zich slechts bezig met de mens aan te zetten tot heidense gewoonten, met het doel de mens daarmee steeds verder bij zijn Schepper weg te kunnen slepen. Jezus zei daarom in Johannes 8:44 niet voor niets over de satan en zijn handlangers: “die was een mensenmoorder van den beginne”. En een mensenmoorder is beslist geen mensenschepper!!

 

De zonen van Elohim.

Door de aanhangers van de mythe dat engelen in Genesis 6 nageslacht hebben verwekt wordt beweerd dat deze “engelen” ten val kwamen door deze daad. De scheiding tussen de heilige engelen en zij die hun oorsprong ontrouw werden door de satan te volgen in zijn opstand tegen de Schepper was echter al een voldongen feit ten tijde van de zondeval. En daarmee ook de definitieve scheiding tussen het Koninkrijk van het licht en het koninkrijk der duisternis. Het bestaan van deze elkaar vijandige rijken werd daarom al door de boom van kennis van goed en kwaad in de hof van Eden uitgebeeld.

In de Hebreeuwse grondtekst is in Genesis 6 sprake van de zonen van Elohim wat in de NBG-vertaling is vertaald met zonen Gods. Een nauwkeuriger vertaling is echter: zonen van de goden omdat het woord goden een vertaling is van het Hebreeuwse woord Elohim, dat een meervoudsvorm is. In de bijbel wordt op een aantal plaatsen geschreven over zonen Gods, wat in die tekstgedeelten echter aanduidt dat ze in direct contact met God de Schepper staan of leven volgens Gods principes. Waar dat niet het geval is worden ze beslist geen zonen van God genoemd maar zonen van de duivel. Dat deze zonen van de duivel ook werkelijk bestaan liet Jezus blijken in Johannes 8:44 waar Hij tegen Zijn vijanden zegt: “Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen”. En wie de duivel tot “vader” heeft is een “zoon” van de duivel. Waarmee wordt weergegeven dat deze lieden zich in hun handel en wandel door de satan laten leiden en volgens diens principes leven.

Van de zonen van Elohim waarvan in Job 1:6 en in Job 2:1 sprake is blijkt uit de context dat deze zonen van Elohim in dienst van de Schepper staan, in tegenstelling tot de satan die om die reden in het boek Job dan ook apart wordt genoemd. Ik heb hierover een korte verklaring gelezen waarin werd gesteld dat de satan in deze verzen ook tot de godenzonen werd gerekend omdat, volgens de uitlegger, het in de grondtekst gebruikte woord “ben” niet alleen zoon maar ook “behorend tot” betekent. De satan wordt hier dan wel aangeduid als behorend tot de wereld van de geesten, tot de bovennatuurlijke wezens maar dat betekent niet dat hij ook tot de zonen van Elohim wordt gerekend. Hij is dan wel bovennatuurlijk, zoals ook de andere aanwezigen, in zijn wezen is hij een vijand van God. Deze uitleg is daarom een negeren van het feit dat de satan niets gemeen heeft met de heilige engelen. Deze vijand van God behoort tot een ander koninkrijk, een koninkrijk dat in alles het Koninkrijk Gods vijandig gezind is. Er wordt in het boek Job om die reden duidelijk onderscheid gemaakt tussen de zonen Gods en de satan.

Het woord “goden” waarvan in Genesis 6 sprake is, is dus een vertaling van het woord Elohim. Dit woord Elohim werd door de Hebreeuwse schrijvers van het Oude Testament wel met het goddelijke/bovennatuurlijke in verband gebracht maar nooit met de duivel, ondanks dat deze laatste ook bovennatuurlijk is. Naast het bovengenoemde voorbeeld uit het boek Job is er in het Oude Testament op nog meer plaatsen sprake van “goden”. Ook daarvoor wordt in de Hebreeuwse grondtekst het woord “Elohim” gebruikt. In het boek van F.J. Pop: “Bijbelse Woorden en hun Geheim” lees ik over dit woord: “Daarom zou men Elohim kunnen vertalen met het woord: Godheid = het inbegrip van al wat goddelijk is”. Dat echter met het woord Elohim ook mensen worden aangeduid laten de volgende voorbeelden zien:

Vat ik het voorgaande samen dan wordt dit:
 

Noach, de zoon van Elohim.

Van al de zonen van Elohim in Genesis 6 bleef er uiteindelijk maar één over, een nakomeling van Seth en de achterkleinzoon van de rechtvaardige Henoch, en zijn naam was Noach. Hij was de enige van hen die trouw bleef aan Jahweh door zijn rechtvaardige levenswandel en dat onderscheidde hem van de rest, zoals we lezen in Genesis 6:9: “Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man; Noach wandelde met God”, net als zijn overgrootvader Henoch. Van deze Henoch wordt gezegd in Genesis 5:24: “En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen”. Het feit dat er van deze rechtvaardigen steeds minder op de aardbodem te vinden waren met als resultaat dat deze wereld ten slotte door hun afvalligheid zijn bestaansrecht had verloren was voor Jahweh de aanleiding om aan de laatste van deze zonen van Elohim, Noach, de opdracht te geven een ark te bouwen. Een schip op het droge dat uiteindelijk zou gaan drijven op de watermassa's van de zondvloed.

Toen begon men de naam des Heren aan te roepen.

Er wordt in Genesis 6 niet vermeld welke mensen er met die zonen Gods worden bedoeld. Het zou kunnen zijn dat het nakomelingen waren van Seth en de andere mensen nakomelingen van Kaïn maar daar wordt niet over uitgeweid. Alhoewel het bepaald niet is uitgesloten dat deze beide geslachtslijnen vóór hoofdstuk 6 tegenover elkaar stonden doordat er een duidelijke scheiding bestond, een scheiding als gevolg van twee behoorlijk van elkaar verschillende leefwijzen (godvrezend tegenover goddeloos). In Genesis 4:26 lezen we namelijk: “En ook aan Seth werd een zoon geboren, en hij noemde hem Enos. Toen begon men de naam des Heren aan te roepen”. In het geslacht van de rechtvaardige Seth riep men de naam van God aan en het ligt voor de hand dat ze ook naar Gods wil leefden en dat brengt altijd een zegen met zich mee. Dit aanroepen van de naam des Heren wijst onder andere op het brengen van offers en deze offerdienst was een voortzetting van het offeren waar de rechtvaardige Abel al mee was begonnen. Meer wordt er over het nageslacht van Seth niet vermeld en waar hun verdere tijdverdrijf uit bestond is ons daarom niet bekend maar.... uit de weinige informatie komt wel naar voren dat bij het nageslacht van Seth de nadruk lag op het dienen van Jahweh. Ze bedachten de dingen die boven zijn. Daarover schreef Paulus in Colossenzen 3:2: “Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn”.

Het nageslacht van de rechtvaardige.

Uit diverse voorbeelden in het Oude Testament weten we dat het nageslacht van een rechtvaardige door God wordt gezegend. Zo werd aan koning David beloofd dat zijn nakomelingen op de troon van Israël zouden zitten als gevolg van David's rechtvaardige levenswandel. Die belofte werd hem door God gedaan en ondanks dat de meerderheid van David's nakomelingen er een goddeloze levenswandel op na hield bleef God toch trouw aan Zijn belofte aan David. Dat wordt ons bijvoorbeeld in 1 Kon. 15:1-5 overtuigend meegedeeld: “In het achttiende jaar van koning Jerobeam, de zoon van Nebat, werd Abiam koning over Juda. Drie jaar regeerde hij te Jeruzalem. Zijn moeder heette Maäka; zij was de dochter van Abisalom. Hij wandelde in al de zonden die zijn vader voor hem bedreven had; zijn hart was de Here, zijn God, niet volkomen toegewijd, zoals dat van zijn vader David. Doch ter wille van David gaf de Here, zijn God, hem een lamp in Jeruzalem door zijn zoon na hem te doen optreden, en door Jeruzalem staande te houden, omdat David gedaan had wat recht is in de ogen des Heren, en zolang hij leefde niet was afgeweken van iets, dat Hij hem geboden had, behalve in de zaak van de Hethiet Uria”. De zegen van David werkte door in zijn nageslacht.
Daar tegenover is het ook mogelijk én gebeurt het dat de goddeloze levenswandel van een mens generaties lang als een vloek doorwerkt in zijn familie. Doordat de opvolgende generaties in telkens weer hetzelfde goddeloze klimaat opgroeien. Lettend op het lot en de vloek van Kaïn ligt het voor de hand dat ook deze vloek die Kaïn over zich heen heeft gehaald door het doden van zijn broer Abel, in zijn nageslacht heeft doorgewerkt. Het is dan ook een onomstotelijk en voor ons allemaal zichtbaar feit dat behalve rechtvaardigheid ook goddeloosheid van de ene generatie op de volgende kan worden overgebracht. Deze beide lijnen doortrekkend is het zeer aannemelijk dat er in Genesis 6 aanvankelijk nog een duidelijke scheiding bestond tussen deze twee bevolkingsgroepen totdat door vermenging de rechtvaardigheid het onderspit moest delven. Want over het verdwijnen van de rechtvaardigheid gaat het nu juist in Genesis 6.

Het goddeloze nageslacht van Kaïn.

In tegenstelling met de beschreven rechtvaardigheid in het nageslacht van Seth wordt er over het nageslacht van Kaïn in Genesis 4 geschreven dat uit hen de uitvinders van muziekinstrumenten en metaalbewerking voortkwamen. Hun aandacht ging vooral uit naar de dingen van deze wereld. Maar ook het toenemende geweld én de daarop volgende wraakacties komen aan de orde in Genesis 4:23-24: “En Lamech zeide tot zijn vrouwen: Ada en Silla, hoort naar mijn stem; vrouwen van Lamech, neigt uw oor tot mijn rede. Ik sloeg een man dood om mijn wonde, een knaap om mijn striem; want Kaïn wordt zevenvoudig gewroken, maar Lamech zevenenzeventig maal”. De hier beschreven wraakzuchtige en gewelddadige mentaliteit geeft eigenlijk al aan in welke richting de leefwijze van de goddelozen zich ontwikkelde.

 

De vermenging met de goddelozen.

Het feit dat de rechtvaardigen in Genesis 6 aanvankelijk nog zonen van Elohim worden genoemd duidt aan dat het mensen waren die nog rekening hielden met God, in tegenstelling tot de rest van de toenmalige wereldbevolking. De enige duidelijke aanwijzing voor hun rechtvaardigheid is de benaming “zonen Gods” en omdat de zonen Gods die in het Nieuwe Testament door Paulus worden aangehaald, in Romeinen 8, mensen zijn die een heel persoonlijke omgang met God hebben zal dit aanvankelijk bij de zonen Gods in Genesis 6 ook het geval zijn geweest. Juist omdat zij zich, tegen Gods wil in, gingen vermengen met de goddelozen, zoals ook de Israëlieten dit later deden, vervielen ook zij in dezelfde goddeloze levenswandel als de heidense volken. Over het afvallige gedrag van Israël lezen we in Ezra 9:1-2: “Toen dit gebeurd was, kwamen de oversten tot mij en zeiden: Het volk Israël, de priesters en de Levieten hebben zich niet afgezonderd gehouden van de volken der landen, wat hun gruwelen betreft: van de Kanaänieten, de Hethieten, de Perizzieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Amorieten. Want zij hebben uit hun dochters vrouwen genomen voor zich en hun zonen, waardoor het heilige zaad zich vermengd heeft met de volken der landen; ja, de oversten en de leiders zijn in deze trouwbreuk voorgegaan”. Deze ongeoorloofde vermenging vereiste radicale maatregelen wat tot gevolg had dat de overtreders hun heidense vrouwen en de uit hen geboren kinderen zelfs moesten wegsturen (Ezra 10:3).

Mochten we in de heilige veronderstelling leven dat het uit de ballingschap teruggekeerde volk nu dan toch eindelijk zijn lesjes had geleerd dan worden we in Nehemia 13:23-28 weer hardhandig op de aarde teruggeworpen. We lezen daar:

De stadhouder Nehemia bracht het ongehoorzame volk hier in herinnering dat het ook bij koning Salomo al compleet fout ging toen hij zich inliet met de afgoden die zijn vele (heidense) vrouwen het paleis hadden binnengesmokkeld. Salomo's afvalligheid was er dan ook de directe oorzaak van dat het koninkrijk Israël in twee stukken uiteen viel (1 Koningen 11:11-13).

De drie voorbeelden van omgang en vermenging met goddeloze volken in Genesis 6, 1 Koningen 11 en Ezra 9 hadden elk bijzonder radicale en ingrijpende maatregelen van Gods kant tot gevolg, namelijk:

Het resultaat van de afvalligheid tengevolge van de vermenging met goddelozen tijdens de periode vóór de zondvloed staat te lezen in Genesis 6:11: “De aarde nu was verdorven voor Gods aangezicht, en de aarde was vol geweldenarij”. Net zomin als dit het geval was met de steden Sodom en Gomorra, waarin geen rechtvaardigen meer leefden behalve Lot en zijn familie, had het voor God ook geen zin meer om de goddeloosheid nog langer te dulden. De rechtvaardigen die tot dan toe met Hem nog rekening hielden hadden de goddeloze levenswandel van de goddelozen overgenomen. Zodat uiteindelijk alleen Noach en zijn gezin de zondvloed mochten overleven, zo lezen we in Genesis 6:8: “Maar Noach vond genade in de ogen des Heren”, in tegenstelling tot zijn afvallige tijdgenoten, waaronder de tot goddeloosheid vervallen zonen Gods.

 

Heidense mythologieën.

Om de oorsprong te achterhalen van de tot op heden door velen geloofde mythe over de gevallen engelen in Genesis 6:1-7 ben ik de schemerige wereld ingedoken van de mythen en legenden die sinds de zondeval het heidense denken van de mensheid hebben overspoeld. Dat bleek een leerzame bezigheid te zijn en dat niet zozeer omdat deze materie zo opbouwend is maar wel doordat je het recept van de vijand beter kunt doorgronden nadat je enige tijd in zijn keuken hebt rondgesnuffeld.
In die keuken ontdekte ik onder andere dat het in de vele heidense religies en de daarmee verwante mythologieën een veel voorkomend verschijnsel is dat aan de “goden” van deze heidense volken allerlei menselijke eigenschappen worden toegeschreven. Zodat zelfs huwelijken tussen “goden” en mensen in diverse mythologieën geregeld voorkomen. Met deze waanideeën worden de zondige begeerten en heidense gewoonten van de mens geprojecteerd op de uit zijn fantasie ontsproten “goden”. Die goden zijn echter slechts fantasieën die voortkomen uit de breinen van afgodendienaars met een verduisterd verstand en die contact zoeken met duistere (leugen)machten uit het rijk van de satan. Zolang de mens zich daarmee inlaat zal de ware kennis over de dingen die boven zijn verborgen blijven. In het voorwoord van een encyclopedie over mythologie las ik dat “een kenmerk van alle mythologieën is dat ze elementaire menselijke driften behandelen”. Dat is nu precies wat opvallend genoeg telkens weer terugkeert bij het lezen van onder andere de Griekse, Romeinse, Keltische en de Germaanse mythologieën. Het gedrag van de zondige mens wordt in de godenverhalen tot een maatstaf verheven waardoor ook de uit de fantasie ontsproten goden opvallend menselijke trekken vertonen. Dat zegt dus meer over de menselijke bedenkers ervan dan over de vermeende goden, die tenslotte slechts zijn voortgekomen uit het door zonde en goddeloosheid verduisterde brein van heidenen.

Een kind van God heeft niets te zoeken in deze, door duistere machten geïnspireerde, heidense mythologieën en heeft het beslist niet nodig om zijn kennis daar vandaan te halen. De onwetendheid en de geestelijke blindheid die de mens over zich afroept zolang hij zich daarmee wel inlaat, hebben tot gevolg dat men ook tot op de dag van heden nog zonder blikken of blozen menselijke eigenschappen, zoals het vermogen tot voortplanten, toeschrijft aan verdorven geestelijke wezens die slechts door haat en vijandigheid tegenover God en mensen worden gedreven. En daarmee doel ik op de gevallen engelen.

Over het door heidendom verduisterde verstand schreef de apostel Paulus in Efeze 4:17-18 de in het voorgaande al aangehaalde vermaning: “Dit zeg ik dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken, verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart”. De kennis van God's wezen en karakter is bij de heidenen niet te vinden. In 1 Cor. 12:2 doet de apostel Paulus er nog een schepje bovenop als hij schrijft: “Gij weet, dat gij, toen gij nog heidenen waart, u blindelings naar de stomme afgoden liet heen drijven”. Als mensen zo diep zijn gezonken dat ze als vee naar hun bestemming worden gedreven zijn ze in een situatie beland waarin ze niet zelf meer keuzen maken maar waarin die keuzen voor hen worden gemaakt. Het zit er dik in dat de overste van deze wereld de touwtjes dan al stevig in handen heeft. Wij hoeven er beslist niet op te rekenen dat de satan zijn best zal doen om de heidenen de kennis van hun Schepper bij te brengen. Veeleer zal hij zich tot het uiterste inspannen om de nog aanwezige restanten aan kennis en rechtvaardige eigenschappen, die de Schepper in de mens heeft gelegd, systematisch te verwijderen. Dat wordt nog eens bevestigd in 2 Cor. 4:3-4 waar Paulus schreef: “Indien dan nog ons evangelie bedekt is, is het bedekt bij hen, die verloren gaan, ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is”. Als de mens zich onder de heerschappij bevindt van de overste van deze wereld, bevindt hij zich onder de invloed van diens gedachtewereld. Het ligt voor de hand dat wanneer de mens in die situatie contact zoekt met de wereld van het bovennatuurlijke, de vader der leugen ruimschoots zijn stempel kan drukken op alles wat de mens voortbrengt. Daar was Jezus duidelijk genoeg over in Lucas 6:45: “Een goed mens brengt uit de goede schat zijns harten het goede voort en een slecht mens brengt uit de boze schat het boze voort. Want waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond”. Of schrijft de hand, zo blijkt uit het volgende.

 

Het hellenisme.

Het boek 1 Henoch, waarin een afwijkende beschrijving voorkomt van de gebeurtenissen in Genesis 6, werd geschreven tijdens de laatste drie eeuwen voor onze jaartelling. Dat was in de tijd dat na de strooptochten van de Griekse veldheer Alexander de Grote, die leefde van 356-323 voor Christus, de Griekse overheersing zijn cultuur, wetenschap, afgoden en mythologie had meegenomen naar het land Israël. Dat deze sterke Griekse aanwezigheid een merkbare invloed had op het Joodse leven wordt in het Nieuwe Testament meer dan eens bevestigd. Daar komt dan ook nog eens de occulte erfenis bij die het Joodse volk bij de terugkeer vanuit de ballingschap in Babel als bagage had meegenomen. Deze feiten geven ons een beeld van de geestelijke invloeden onder welke het Joodse denken stond in de laatste eeuwen voor Jezus' geboorte. En in de eeuwen daarna en juist in deze periode moesten de apostelen en de eerste christenen zich loswerken uit de heidense, het evangelie vijandige, Griekse denkwereld. Een denkwereld die Paulus omschreef in 1 Cor. 1:19-24: “Want er staat geschreven: Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen. Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd? Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt? Want daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking te redden hen die geloven. Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods”. De Grieken zoeken wijsheid, schreef Paulus hier. Die “wijsheid” zochten de Grieken onder andere in de diverse door hen overheerste culturen en religies. Waardoor hun eigen cultuur en religie een mengeling werd van al deze heidense volken. Ondanks dat de Romeinen ondertussen het roer van de Griekse overheersers hadden overgenomen had het Griekse denken in Israël ten tijde van de apostelen nog steeds een grote invloed op de Joodse cultuur en religie. Vandaar dat er zo nu en dan in de brieven van de apostelen wordt verwezen naar de heidense invloed van de Griekse denkers, zoals in het zojuist aangehaalde 1 Cor. 1:19-24. Deze vermenging van het Griekse denken met de door de Grieken overheerste culturen en religies kennen wij onder de naam hellenisme.

In naam van Henoch geschreven.

Deze mengeling van de Griekse, Babylonische en Joodse denkwereld bracht diverse Joodse schrijvers ertoe hun fantasieën op schrift te stellen. Het resultaat werd een verzameling geschriften die ontstond vanaf ongeveer 300 voor Christus tot ongeveer 200 na Christus. Deze zogenaamde pseudografische boeken waren dus ook bekend in de periode dat het Nieuwe Testament werd geschreven. Ze gaven maar al te vaak blijk van de invloed van de heidense religies die het Joodse denken ondertussen hadden vergiftigd. Dat bevestigt nog eens wat in Hebreeën 3:10 wordt benadrukt: “...daarom heb Ik een afkeer gekregen van dit geslacht en Ik heb gezegd: Altijd dwalen zij met hun hart, en zij hebben mijn wegen niet gekend”. De Joodse vijandigheid tegenover het evangelie dat Jezus bracht, en waarmee Hij keer op keer werd geconfronteerd, kwam mede voort uit de al besproken heidense en occulte invloeden.
Zodat Jezus de vijandige Joden in Marcus 7:6-9 maar weer eens flink onder handen nam met de woorden: “Terecht heeft Jesaja van u, huichelaars, geprofeteerd, zoals er geschreven staat: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn. Gij verwaarloost het gebod Gods en houdt u aan de overlevering der mensen. En Hij zeide tot hen: Het gebod Gods stelt gij wel fraai buiten werking om uw overlevering in stand te houden”. De occulte mix van de Joodse/Babylonische/Griekse overleveringen die deze vijandige Joden in ere hielden zal ongetwijfeld ook van invloed zijn geweest op het ontstaan van de pseudografische boeken. Ook het feit dat de Grieken een grote voorliefde hadden voor het schrijven van, onder andere, romans (er is dus niets nieuws onder de zon) zal de Joodse schrijvers zeer waarschijnlijk hebben geïnspireerd om daar hun eigen Joodse versies aan toe te voegen. Het resultaat was uiteindelijk een verzameling geschriften die werden geschreven in naam van een bekende oudtestamentische persoon of zelfs van een profeet met de bedoeling er meer gezag aan te kunnen verlenen. Om die reden worden ze de pseudografische boeken genoemd. Geen enkele van deze pseudografische boeken werd ooit beschouwd als een deel van de bijbelse canon. Één van deze boeken is het boek 1 Henoch en zoals de naam al doet vermoeden moest de naam van de man Gods Henoch (de overgrootvader van Noach) dit boek zijn geloofwaardigheid verlenen. Voor zover ik heb kunnen nagaan is dit boek met betrekking tot Genesis 6:1-4 één van de meest geciteerde bronnen waarin aan de gebeurtenissen in Genesis 6 een (Grieks) mythologisch tintje wordt gegeven. Een deel ervan betreft namelijk een verhandeling over engelen die zich in een lichamelijke vorm vermengen met de dochters der mensen en voor nageslacht zorgen. Mede op grond van dit verhaal worden de zonen van Elohim in Genesis 6:1-4 tot op de huidige dag door hele volksstammen voorgesteld als gevallen engelen.

 

De brief van Judas.

Als bewijs voor de geloofwaardigheid van het pseudografische boek 1 Henoch wordt meer dan eens de brief van Judas aangehaald, waarin een uitspraak van de man Gods Henoch wordt geciteerd die niet in een van de andere bijbelboeken is te vinden:

Nadat de schrijver van het boek 1 Henoch ooit de naam van deze man Gods heeft gebruikt (of beter gezegd: misbruikt) om de geloofwaardigheid ervan te ondersteunen, meent men tot op de dag van heden ook op gezag van het citaat in Judas:14-15 te kunnen beweren dat het boek 1 Henoch als een betrouwbare informatiebron moet worden beschouwd. Omdat namelijk een briefschrijver uit het Nieuwe Testament ernaar verwijst, wat als consequentie zou hebben dat ook het verhaal in het boek 1 Henoch (over de engelen die zich in een lichamelijke vorm vermengen met de dochters der mensen) als geloofwaardig moet worden beschouwd. Daarbij wordt echter de mogelijkheid genegeerd dat zowel Judas als de schrijver van het boek 1 Henoch dit citaat overgenomen hebben uit nog een andere, ons onbekende, bron en om die reden is er geen enkele garantie dat Judas inderdaad uit het boek 1 Henoch geciteerd heeft. Want.... aangezien het boek 1 Henoch zelf pas rond de laatste drie eeuwen voor onze jaartelling is ontstaan (dus vele eeuwen na Henoch's gedane uitspraken) is het een uitgemaakte zaak dat de hierin aangehaalde en ruim vóór de zondvloed op schrift gestelde uitspraken van Henoch gedurende de vele tussenliggende eeuwen in de vorm van een andere, ons onbekende, bron tot de Joodse overlevering moeten hebben behoord. Het boek 1 Henoch kan daarom nooit de originele bron van deze op schrift gestelde uitspraken zijn geweest maar geeft daarentegen slechts enkele citaten ervan weer. Zoals ook de brief van Judas dat doet.
Er hebben trouwens in de oudtestamentische periode meerdere boeken bestaan waarnaar door de schrijvers van het Oude Testament wel werd verwezen, maar die sindsdien zijn verdwenen of niet in de bijbelse canon zijn opgenomen.

Zo vinden we bijvoorbeeld verwijzingen naar deze boeken in:
Er is in de brief van Judas nog een verwijzing te vinden die ogenschijnlijk terugwijst naar een geschrift dat ooit heeft bestaan maar waarvan de oorsprong in nevelen is gehuld. En daarmee doel ik op:
 

Hier wordt een voorval beschreven waarbij ik persoonlijk altijd al zeer grote vraagtekens heb gehad. Het schijnt volgens sommige bronnen een citaat te zijn uit het boek(je) “De Hemelvaart van Mozes” waarvan de titel al doet vermoeden dat er sprake zou kunnen zijn van een uit wilde fantasieën ontstane voorloper (en Joodse variant) van het in onze tijd al net zo obscure boek “De Da Vinci Code” van de schrijver/fantast Dan Brown (waarover verderop meer). Van deze “Hemelvaart van Mozes” is een deel teruggevonden maar daarin is overigens niets te vinden over het door Judas geciteerde twistgesprek tussen de engel Michaël en de satan. Feit is dat dit ook niet overeenkomt met wat we in Deut. 34:5-6 kunnen lezen over de dood van Mozes: “Toen stierf Mozes, de knecht des Heren, aldaar in het land Moab, volgens des Heren woord. En Hij (Jahweh) begroef hem in een dal in het land Moab, tegenover Beth-Peor, en niemand heeft zijn graf geweten tot op de huidige dag”. Hoe dit precies in zijn werk is gegaan blijft uiteraard een onbeantwoorde vraag maar desondanks heeft het opvallend weinig weg van een vermeende hemelvaart. De afkomst van het door Judas aangehaalde citaat blijft dan ook giswerk. Mede vanwege dit aangehaalde citaat werd de geloofwaardigheid van de brief van Judas door meerderen in twijfel getrokken tijdens de periode dat de bijbelse canon vorm kreeg maar uiteindelijk heeft de brief van Judas toch een plaats gekregen in de bijbelse canon.

Ik heb echter moeten vaststellen dat de buitenbijbelse citaten in deze korte brief voor bosjes theologen, bijbelleraars en meer van dergelijke “deskundigen” aanleiding zijn geweest om op grond daarvan de in het “christelijke denken” binnengeslopen Griekse/Babylonische mythologie een plaats te geven binnen de boodschap van de bijbel. Waardoor ook aan een derde verwijzing van Judas naar een, in dit geval wél, in de bijbel vermelde gebeurtenis een theorie wordt opgehangen die de “gevallen engelen mythe” van Genesis 6 moet ondersteunen. Het betreft in dit geval het tekstgedeelte in:

Steevast worden er vergelijkingen gemaakt met min of meer overeenkomende tekstgedeelten in de brieven van Petrus wanneer deze verzen uit de brief van Judas ter sprake komen. Die tekstgedeelten vinden we in:

Volgens nogal wat uitleggers verwijzen deze drie nieuwtestamentische citaten naar het verhaal van Genesis 6:1-4. Van deze tekstgedeelten heb ik de Griekse grondtekst bestudeerd en daarbij viel me op dat er in de toegevoegde tekstverklaring van de vertalers van wordt uitgegaan dat zowel Judas als Petrus waarschijnlijk verwijzen naar de in het dodenrijk gevangen geesten van de zonen Gods uit Genesis 6:1-4. Een absolute zekerheid hierover bestaat er dan ook niet. In de tekstuitleg bij de Hebreeuwse grondtekst van Genesis 6:1-4 wordt er nog aan toegevoegd dat “deze geschiedenis veel vragen oproept”. Hieruit is op te maken dat zelfs deskundige vertalers vanuit de grondtekst niet hard kunnen maken dat de zonen van Elohim ook daadwerkelijk gevallen engelen zijn. Daarnaast wordt er echter wel onder meer melding gemaakt van het pseudografische boek 1 Henoch waaruit men meent af te kunnen leiden dat het gevallen engelen verhaal wel degelijk op waarheid berust. De uitleg van bijbelse teksten wordt zodoende gebaseerd op hetgeen een dubieus geschriftje, met een twijfelachtige en duistere afkomst, beweert. Dat is nou de omgekeerde wereld!

De diverse uitleggingen, verklaringen en overdenkingen betreffende het bijbelverhaal van Genesis 6 zijn stuk voor stuk in nevelen gehuld. Door dit beperkte zicht gaat men er aan voorbij dat, zoals ik al in het voorgaande heb gesteld, de definitieve scheiding tussen de heilige engelen en de gevallen engelen, die hun oorsprong ontrouw werden door de satan te volgen in zijn opstand tegen de Schepper, ten tijde van de zondeval al een voldongen feit was. En daarmee ook de definitieve scheiding tussen het Koninkrijk van het licht en het koninkrijk der duisternis. Het bestaan van deze aan elkaar vijandige werelden werd daarom al uitgebeeld door de boom van kennis van goed en kwaad, die in de hof van Eden stond.
Met andere woorden: de overlopers waren allang overgelopen. Een deel van deze gevallen engelen (demonen) hadden zich met de geesten van de wetteloze tijdgenoten van Noach verbonden. Zij werden na het verdrinken van deze goddelozen tijdens de zondvloed samen met de geesten van deze goddeloze mensen in het dodenrijk geworpen.
De engelen die in Judas:6-7 hun oorsprong ontrouw werden, die zich in 1 Petrus 3:18-20 in de gevangenis bevonden en die in 2 Petrus 2:4-5 genoemd worden omdat ze gezondigd hadden zijn daarom gevallen engelen die ooit de satan in zijn opstand tegen de Schepper waren gevolgd en tezamen met hun goddeloze gastheren naar het dodenrijk werden afgevoerd. Zij komen trouwens in de eindtijd weer in actie als ze uit het dodenrijk weer worden losgelaten. Hieraan wordt verderop meer aandacht besteed.

 

Het boek 1 Henoch door de mand gevallen.

De geloofwaardigheid van de informatie in het boek 1 Henoch wordt al meteen onderuit gehaald doordat volgens dit boek bij de gebeurtenissen in Genesis 6:1-4 een aantal van slechts tweehonderd gevallen engelen betrokken zouden zijn, die uiteindelijk in de afgrond terechtkomen. De afgrond dus waar o.a. Petrus over schreef (zie de tekstverwijzingen hierboven). In Openb. 9:2 wordt echter een indruk gegeven van de werkelijke hoeveelheid boze geesten die zich in deze afgrond bevinden en die in de eindtijd tijdelijk deze afgrond zullen kunnen verlaten: “En zij opende de put des afgronds en er steeg rook op uit de put, als de rook van een grote oven; en de zon en het zwerk werden verduisterd door de rook van de put”. Die rook bestaat zelfs uit zoveel rookdeeltjes (ieder rookdeeltje stelt een boze geest voor) dat deze onvoorstelbare hoeveelheid zelfs een verduistering tot gevolg heeft. Dat geeft toch wel een redelijke indruk van de enorme aantallen van deze boze geesten die zich in de afgrond bevinden en deze aantallen komen in de verste verten niet overeen met het aantal dat in het boek 1 Henoch wordt genoemd. Dit is al meteen een duidelijke aanwijzing dat deze buitenbijbelse beweringen in tegenspraak zijn met hetgeen de bijbel hierover vermeldt.

Dan verraadt het boek 1 Henoch zijn ongeloofwaardigheid ook nog eens door de wel erg ongeestelijke voorstelling van de wijze waarop in hoofdstuk 10 ene Azazel, volgens de mythe de aanvoerder van de gevallen engelen, wordt bestraft. Er wordt namelijk beschreven dat deze Azazel aan handen en voeten gebonden wordt en in een opening wordt geworpen in de woestijn die in Dudael is, terwijl scherpe rotsen boven hem geplaatst worden. Geestelijke wezens kunnen echter niet met natuurlijke middelen bestraft worden. Het feit dat engelen zichzelf zichtbaar kunnen maken in een lichamelijke verschijning houdt ook in dat zij deze (voor de mens) zichtbare verschijning met hetzelfde gemak weer ongedaan kunnen maken. De enige gevangenis waarin gevallen engelen opgesloten kunnen worden is daarom het (geestelijke) dodenrijk. Daar komt geen “scherpe rots” aan te pas. Deze bespottelijke beschrijving lezende valt onmiddellijk de overeenkomst op met de schrijftrant in diverse andere (Griekse) mythen. Werkelijk geestelijk inzicht in de wetten van de geestelijke wereld, wetten waarin het Nieuwe Testament ons overigens inzicht geeft, is in dergelijke fantasieverhalen niet te vinden. Dat duidt eens te meer aan dat de schrijvers ervan niet werden geïnspireerd door Goddelijke wijsheid maar door gedachtespinsels die voortkwamen uit wat Paulus omschreef als: “de ijdelheid van hun denken”, omdat ze “verduisterd zijn in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart” (Efeze 4:17-18).

Er is in hoofdstuk 13 van 1 Henoch zelfs sprake van schaamte bij de engelen die in de fout zijn gegaan en er wordt beschreven dat ze zelfs wenen om hun zonden. Met deze beweringen valt het boek 1 Henoch sowieso door de mand want dit getuigt van een absolute afwezigheid van geestelijk inzicht in de gruwelijkheid van de ongehoorzaamheid aan de Schepper. Deze ongehoorzaamheid veroorzaakt een scheiding. In het geval van de gevallen engelen is die scheiding definitief. Van de heilige engelen zei Jezus namelijk in Matth. 18:10: “.....Want Ik zeg u, dat hun engelen in de hemelen voortdurend het aangezicht zien van mijn Vader, die in de hemelen is”. Wanneer heilige engelen na de heerlijkheid en heiligheid van de Vader gezien te hebben het toch presteren om hun oorsprong te verlaten, hebben zij de heiligheid en heerlijkheid van de Vader afgewezen en gaat ook voor hen op wat staat te lezen in Hebr. 6:4-6: “Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht zijn geweest, van de hemelse gave genoten hebben en deel gekregen hebben aan de Heilige Geest, en het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben, en daarna afgevallen zijn, weder opnieuw tot bekering te brengen, daar zij wat hen betreft de Zoon van God opnieuw kruisigen en tot een bespotting maken”. Wat hier wordt meegedeeld over kinderen Gods die Gods heerlijkheid gesmaakt hebben maar desondanks afvallig zijn geworden, is het in werking treden van dezelfde geestelijke wet die ook van toepassing is als heilige engelen aan hun Schepper ontrouw worden. Die wet houdt in dat wanneer de heiligheid van de Vader, nadat ze die van nabij hebben gesmaakt, door hen toch wordt afgewezen zij daarmee een keuze hebben gemaakt waarop zij nooit meer terugkomen. Als de heerlijkheid en de heiligheid van God voor hen niet goed genoeg meer zijn, bestaat er niets anders meer dat hen nog kan “overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel” (Joh. 16:8).
Deze onvoorstelbare en extreme afwijzing van alles dat met rechtvaardigheid te maken heeft wordt in Joh. 3:19-20 door Jezus onder woorden gebracht als Hij in gesprek is met Nicodemus: “Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht, want hun werken waren boos. Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat het licht, en gaat niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen”. In dit klimaat van extreme haat tegenover het licht bestaat geen enkele vorm van berouw. Gevallen engelen behoren daarom door hun vijandigheid en ongehoorzaamheid tegenover de Schepper tot het rijk van de satan, waarin geen berouw bestaat. Als er in het boek 1 Henoch dus wordt gesproken over schaamte bij de gevallen engelen is dit in duidelijke tegenspraak met het inzicht dat de bijbel ons hierin geeft en blijkt ook hieruit dat het boek 1 Henoch heel gewoon een doodordinaire en buitenbijbelse vervalsing is.

 

De Da Vinci Code.

Mensen met een schijnbaar grenzeloze fantasie, gecombineerd met een opvallend begrensde liefde voor de waarheid zijn er sinds onheugelijke tijden al in geslaagd om daar op de een of andere wijze voordeel uit te halen. Voordeel in de vorm van aandacht of in de vorm van een niet onaanzienlijke bron van inkomsten. Diverse Joodse schrijvers werden door de overheersende Griekse invloed en cultuur destijds al geïnspireerd tot het schrijven van “romannetjes” en meer van dergelijke bladvulling. In onze, meer dan ooit door winstbejag beheerste, tijd blijkt er de laatste jaren een generatie schrijvers actief te zijn geworden die zich vooral door “de vraag van de markt” laten leiden. Zodra er zich dus weer een gat in de religieuze markt lijkt af te gaan tekenen stort men zich daar vol overgave op om vervolgens dat gat op te kunnen vullen met boeken die tegemoet komen aan de religieuze behoefte van de naar sensatie en (griezel)entertainment hongerende reli-cultuur. Niet gehinderd door de noodzaak van waarheidsgetrouwe feiten wordt er al sinds een aantal jaren door dergelijke opportunisten een groeiende hoeveelheid reli-thrillers op de markt gedumpt. Uit de populariteit van dergelijke boeken blijkt maar weer eens dat de grote massa binnen het Christendom het toetsen en in het licht van de bijbel beoordelen van dit soort literatuur maar al te graag aan anderen overlaat. Wat tot gevolg heeft dat niet de kritische beoordeling maar de zucht naar entertainment en spanning het lees- én het koopgedrag bepalen.
Rond de tijd dat deze webpagina werd geschreven vierde de hype rond het boek van de schrijver Dan Brown, “De Da Vinci Code”, hoogtij. Het lag voor de hand dat ook de rekenboys van Hollywood hun reputatie weer eens waar zouden gaan maken door op deze hype mee te liften om zodoende hun deel van de winst binnen te kunnen graaien. Of anders gezegd: er werd ondertussen druk aan de verfilming van dit boek gewerkt. Het is in deze, de eindtijd tegemoet snellende, moderne tijd een als “normaal” beschouwde maatstaf dat alleen iets dat winst oplevert voor de jakhalzen van het grote geld interessant is. Van dezelfde verdorven mentaliteit verdenk ik ook de schrijvers van religieus getinte boeken, zoals het boek “De Da Vinci Code” (en van een stortvloed aan andere religieuze “thrillers”).

De inhoud van dit boek komt me griezelig bekend voor, zeker in het licht van het voorgaande. De vermeende relatie tussen Jezus en Maria Magdalena die in het boek “De Da Vinci Code” de hoofdlijn van het verhaal vormt doet bij mij dan ook een heel dashboard vol lampjes branden en een hoop belletjes van herkenning rinkelen. En dat mede doordat Dan Brown in zijn boek de goddelijkheid van Jezus onderuit haalt. Dat verschijnsel heb ik al op een van de andere pagina's van deze website uitgebreid onder het mes gehad. De vermeende relatie tussen Jezus en Maria Magdalena is feitelijk slechts een variatie op een sinds mensenheugenis telkens weer terugkerend onderwerp waaraan destijds ook de Joodse schrijvers van romannetjes en reli-thrillers hun handen al vuil maakten. Met als resultaat de in het voorgaande al ter sprake gekomen verzameling pseudografische boeken. Dit onderwerp vatte Jezus samen met de woorden “huwen en ten huwelijk geven” en keert telkens weer terug. Een korte opsomming:

Schrijvers als Dan Brown die met hun boeken een aanval doen op de goddelijkheid van Jezus, en dit helemaal in de geest van deze tijd verpakken in een spannend verhaal, zijn gevaarlijk bezig. Ze doen daarmee precies wat in de bijbel allang werd voorzegd in bijvoorbeeld 2 Petrus 3:3-4: “Dit vooral moet gij weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, en zeggen: Waar blijft de belofte van zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zo, als het van het begin der schepping af geweest is”. Deze spotters maken Jezus Christus tot een bespotting en halen daarmee een oordeel over zich. Dat liet Jezus blijken in Matth. 10:32-33 waar Hij waarschuwt: “Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, hem zal ook Ik belijden voor Mijn Vader, die in de hemelen is; maar al wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal ook Ik verloochenen voor Mijn Vader, die in de hemelen is”. Dat liegt er niet om. Desondanks zal de praktijk zijn dat de wetteloze mens uitsluitend zijn eigen begeerten zal volgen en zich niet zal storen aan welke waarschuwing dan ook. Deze mentaliteit werd door Jezus dan ook onder de aandacht gebracht toen Hij sprak over de golf van wetteloosheid en zedeloosheid die de wereld in de eindtijd zal overspoelen. Dat deed Hij met de woorden:

 

“Want zoals het was in de dagen van Noach....”

Door Jezus werd al eens verwezen naar het goddeloze gedrag van Noach's tijdgenoten. Van die tijd genoten heeft de rechtvaardige Noach dus niet maar daarentegen was hij wel tot vervelens toe getuige van dezelfde ik-gerichte en zedeloze levenswijze als die waarnaar Jezus verwees. Bijvoorbeeld in Zijn, in het voorgaande al aangehaalde, uitspraak in Matth. 24:37-39 waarmee Hij de overeenkomst benadrukte tussen de goddeloosheid in Noach's tijd en de toenemende wetteloosheid in de eindtijd: “Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn. Want zoals zij in die dagen voor de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop Noach in de ark ging, en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn”. Jezus sprak hier uitsluitend over het gedrag van mensen terwijl de rol van de boze geesten (dus van gevallen engelen) daarin door Jezus in dit verband niet werd benadrukt. Wat Hij wel benadrukte, en daar wordt maar al te gemakkelijk overheen gelezen, omschreef Hij met de woorden: “huwende en ten huwelijk gevende”. De mens huwde én gaf zijn dochters ten huwelijk. Dit is namelijk tweerichtingsverkeer. Naast het feit dat de mens zijn dochters uithuwelijkte nam de mens zelf ook ten huwelijk. Juist op dit gedrag werd door Jezus gewezen toen Hij sprak over de sterke overeenkomst tussen de tijd voorafgaande aan de zondvloed en de eindtijd. Daarmee legde Hij de nadruk op de zonde en afvalligheid van mensen. Zowel in Genesis 6 als in de eindtijd is het goddeloze en zedeloze gedrag van mensen de aanleiding voor Gods ingrijpen en voor Zijn strafmaatregelen. Bij het huwen en ten huwelijk geven zijn in die eindtijd daarom geen gevallen engelen betrokken, net zomin als dat in de dagen van Noach het geval was. Zou men de “gevallen engelen theorie” toch nog overeind willen houden dan komt men voor het probleem te staan dat deze gevallen engelen volgens deze mythe wel huwden maar geen dochters ten huwelijk konden geven, zoals Jezus beschreef in Matth. 24:37-39.

Met de woorden “huwende en ten huwelijk gevende” zegt Jezus duidelijk dat de begeerten en de gedachten van de mens in de tijd vóór de zondvloed helemaal in beslag waren genomen door de dingen van deze wereld. Er was daardoor geen enkele belangstelling meer voor de Schepper en precies dezelfde onverschilligheid zien we ook nu weer overal de kop opsteken. Het daardoor ontstane vacuüm wordt in een zichtbaar ijltempo opgevuld met dezelfde zondige begeerten en uitspattingen die ook Noach's tijdgenoten in hun greep hadden gekregen.

De nieuwe Nephilim.

De reuzen in Genesis 6 worden in de Hebreeuwse grondtekst Nephilim genoemd, wat vertaald kan worden met “gevallenen”. Deze gevallenen zijn ook in de eindtijd weer actief als de mens der wetteloosheid. In het voorgaande is al een uitspraak aangehaald van de apostel Paulus die hij doet in 2 Thess. 2:3 en waarin hij vooruitwijst naar de komst van deze nieuwe Nephilim. Voor de duidelijkheid herhaal ik deze tekst hier maar weer even: “Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is”. Met deze mens der wetteloosheid wordt in de eerste plaats de antichrist aangeduid maar.... omdat deze niet alleen te werk gaat heeft hij een heel leger extreem wetteloze mensen onder zijn gezag. Deze extreem goddeloze mensen komen dus tweemaal voor in de wereldgeschiedenis en ze worden genoemd als:

  1. De Nephilim in Genesis 6:4.
  2. De mens der wetteloosheid in 2 Thess. 2:3. In Openb. 19:19 komen ze voor als “de koningen der aarde en hun legerscharen”.

In Genesis 3:15 wordt door Jahweh een strijd aangekondigd met de woorden: “En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen”. In de diverse indianenverhalen die ik heb gelezen over deze Nephilim komt onder andere naar voren dat men deze vijandschap tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang beschouwt als een strijd die nog niet is gestreden. Dat laatste is absoluut waar. De misleiding is echter dat men deze strijd ziet als een treffen tussen de “ware zonen van Adam”, die 100% mens zijn, en de “halfgoden” die door de satan als de Nephilim in de strijd geworpen worden. Die Nephilim zijn in deze visie dus ook weer nakomelingen van gevallen engelen. Met een dergelijke verwachting wordt echter het hele evangelie van Jezus Christus van tafel geveegd.
Want.... tegenover een vertwijfelde Pontius Pilatus zei Jezus: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien Mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is Mijn Koninkrijk niet van hier” (Johannes 18:36). Omdat Zijn Koninkrijk niet van deze wereld is, is ook het evangelie dat Hij bracht niet van deze wereld en houdt het zich daarom ook niet bezig met de dingen van deze wereld. De boodschap over discipelschap en een groei naar volkomenheid zal om die reden uiteindelijk geen leger voortbrengen van zondaren die niets beters hebben te doen dan een ander leger van zondaren te lijf te gaan. Het evangelie van Jezus Christus zal daarentegen wel het leger op de been brengen van de nieuwtestamentische zonen Gods. Dat zijn de zonen Gods waarvan Paulus schreef in Romeinen 8:19: “Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods”. Dit leger zal onder aanvoering van Jezus met het leger van de antichrist afrekenen, zoals dit beschreven is in Openbaring 19:19-20: “En ik zag het beest en de koningen der aarde en hun legerscharen verzameld om de oorlog te voeren tegen Hem, die op het paard zat, en tegen zijn leger. En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet, die de tekenen voor zijn ogen gedaan had, waardoor hij hen verleidde, die het merkteken van het beest ontvangen hadden en die zijn beeld aanbaden; levend werden zij beiden geworpen in de poel des vuurs, die van zwavel brandt”.

 

De geestelijke strijd.

Als men zich deze strijd voorstelt als een strijd tussen “genetisch zuivere” en “genetisch onzuivere” mensen heeft men de boodschap van Jezus' evangelie absoluut niet begrepen maar is het in plaats daarvan verworden tot een science fiction film. Het eeuwige Koninkrijk Gods houdt zich echter niet bezig met vergankelijke zaken als de “genetische zuiverheid” van sterfelijke lichamen omdat die sterfelijkheid uiteindelijk zal verdwijnen als de wurggreep van de dood op deze schepping vernietigd zal worden. Het vervolg op Romeinen 8:19 luidt namelijk: “Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om de wil van Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods” (Rom. 8:20-21). Voordat dit zover is moet er nog een strijd gestreden worden, een geestelijke strijd die door Paulus in Efeze 6:12 wordt samengevat: “want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten”.

Het past helemaal in de huidige reli-cultuur met haar religieus getinte thrillers, zoals “De Da Vinci Code” van Dan Brown, dat de strijd tegen de geestelijke overheden in de hemelse gewesten wordt afgedaan als een aardse strijd, zoals die in het voorgaande al is belicht. De boodschap van de bijbel heeft echter geen boodschap aan de verzinsels van aardsgerichte en natuurlijk denkende mensen die helemaal in beslag worden genomen door mythische verhalen over reuzen, aliens, halfgoden en wat er eventueel verder nog mag rondkrabbelen in de spelonken van het verduisterde verstand. Terwijl het evangelie van Jezus voor ons de geestelijke wereld opent en ons leert dat de strijd die wij hebben te strijden een strijd is tegen de zonde, tegen de ongehoorzaamheid aan God en tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Voor wie zich dan toch liever laat betoveren door mythen die aan de boodschap van het evangelie voorbij gaan geldt Paulus' waarschuwing in Efeze 4:17-18 die ik hier maar weer even herhaal: “Dit zeg ik dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken, verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart”. Zowel in Genesis als in de eindtijd heeft de uitzonderlijke goddeloosheid van de mens een wereldramp tot gevolg. Zoals God ingreep in Noach's dagen met de watervloed zo zal ook in de eindtijd de wereld overspoeld worden door:

De nieuwe zondvloed.

De zondvloed die in de eindtijd de, met onreinheid en overspel bezig zijnde, grote massa zal overspoelen is geen watervloed zoals die in Genesis wordt beschreven maar is van een geheel andere orde. Zoals Noach's goddeloze tijdgenoten doorgingen met hun wetteloze daden “tot op de dag, waarop Noach in de ark ging, en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam”, zal ook de grote massa ongehoorzamen in de eindtijd niet in de gaten hebben dat de satan en zijn gevallen engelen hard bezig zijn om voorbereidingen te treffen.
Om vervolgens de voorraadkamers van de hel over deze wereld te kunnen leegstorten. Van het moment waarop deze zond(e)vloed wordt ontketend wordt in Openb. 9:1-3 een beschrijving gegeven: “En de vijfde engel blies de bazuin, en ik zag een ster, uit de hemel op de aarde gevallen, en haar werd de sleutel van de put des afgronds gegeven. En zij opende de put des afgronds en er steeg rook op uit de put, als de rook van een grote oven; en de zon en het zwerk werden verduisterd door de rook van de put. En uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde te voorschijn en hun werd macht gegeven, gelijk de schorpioenen der aarde macht hebben”. Wat in dit tekstgedeelte wordt verbeeld door de sprinkhanen zijn legioenen boze machten = demonen = gevallen engelen die door toedoen van de occultisten uit hun gevangenis, het dodenrijk, worden losgelaten en vervolgens de aarde overspoelen als een sprinkhanenplaag.

De ark van Noach was niet voorzien van reddingssloepen. Ook voor eventuele laatkomers of achterblijvers die te laat van gedachten veranderden waren er geen bootjes voorhanden om daarin nog naast de ark mee te kunnen dobberen. De nieuwtestamentische ark, de gemeente van Jezus Christus, is evenmin voorzien van dergelijke noodvoorzieningen. Als in de eindtijd deze zondvloed van losgelaten demonen de wereld als een sprinkhanenplaag in zijn greep zal hebben zal bij hen die zich niet in deze nieuwe ark bevinden alles verbranden wat nog enigszins aan God herinnert. Verbranden in het vuur van wetteloosheid en haat tegenover de Schepper. Buiten de gemeente van Jezus zal daarom geen geestelijk leven meer mogelijk zijn, slechts goddeloosheid en geestelijke dood.
Wat voor een onvoorstelbare verwoesting een zwerm van miljarden sprinkhanen kan veroorzaken zal een ieder van ons wel bekend zijn. Het in Openb. 9:1-3 gebruikte beeld van een sprinkhanenplaag geeft dus wel een redelijke indruk van de geestelijke schade die de legioenen losgelaten boze geesten zullen veroorzaken bij al die mensen die zich in die tijd niet in de nieuwtestamentische ark zullen bevinden. Dat er een duidelijke scheiding zal zijn tussen hen die zich in die ark bevinden en hen die er niet binnen wilden gaan wordt in Openb. 9:4 als volgt onder woorden gebracht: “En hun werd gezegd, dat zij aan het gras der aarde geen schade zouden toebrengen, noch aan enig gewas, noch aan enige boom, maar alleen aan de mensen, die het zegel van God niet op hun voorhoofden hadden”. Wie zich dan in die ark bevindt heeft wel dit het zegel van God ontvangen en is onaantastbaar voor de ziedende demonen. Dat zegel is geen zichtbaar stempel op hun voorhoofd maar een beeld van de onaantastbaarheid van hun geest en hun gedachten door de doop in de Heilige Geest, waardoor de boze geesten er geen vat op kunnen krijgen. Bij hen die zich daarentegen niet in de nieuwtestamentische ark bevinden en dit zegel niet bezitten verdrinken in deze stortvloed van boze geesten zelfs de laatste restjes rechtvaardigheid die eventueel nog in deze mensen zijn achtergebleven. Alle geestelijke leven zal verdrinken en zal worden gedood in die vloedgolf van demonen.

Er zijn veel predikers en evangelisten die een onvolledig en vervalst evangelie brengen. Aan het bestaan van bijvoorbeeld de megakerken in Amerika is af te lezen dat het verwende gehoor van veel christenen alleen tevreden is met een evangelie dat aan de eisen van de hedendaagse welvaartskinderen voldoet. Een dergelijk evangelie is echter slechts een krachteloos, vroomklinkend praatje dat de kern van Jezus' boodschap ontwijkt. Men krijgt daardoor niet te horen dat er zonder de persoonlijke omgang met Jezus Christus geen geestelijk leven mogelijk is in de snel oprukkende geestelijke duisternis. De predikers die dergelijke, aan de smaak van het publiek aangepaste, praatjes verkondigen zijn bezig om gammele bouwsels van vergankelijk en zeer brandbaar materiaal in elkaar te flansen. Want.... “is er iemand, die op dit fundament bouwt met goud, zilver, kostbaar gesteente, hout, hooi, of stro, ieders werk zal aan het licht komen. Want de dag zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt, en hoedanig ieders werk is, dat zal het vuur uitmaken” (1 Cor. 3:12-13). Als het vuur van legioenen demonen zich over de aarde zal verspreiden zal dit helse vuur van al deze nepchristenen met hun verwende oortjes niet veel overlaten. Het verschil zal dan zichtbaar worden tussen het goud, het zilver en het kostbaar gesteente (dat is alles dat wel echt en vuurvast is) en alle schijnheiligheid: al het zeer brandbare hooi, stro en hout. Dit gruwelijke vooruitzicht alleen al moet toch een aansporing kunnen zijn voor de kinderen Gods om met het evangelie van Jezus ernst te maken. Zodat zij door de persoonlijke omgang met Jezus en door de inwoning van Zijn Heilige Geest de nieuwtestamentische ark, de gemeente van Jezus Christus, binnen zullen gaan zolang de deuren ervan nog open staan.

 

Samenvatting en conclusie.

Dat er ooit reuzen hebben bestaan is een vaststaand feit. De bijbel noemt enkele malen afmetingen van deze reuzen waaronder die van de meest bekende onder hen, de reus Goliath.
Ook uit de gevonden menselijke beenderen met reusachtige afmetingen is gebleken dat het bestaan van deze reuzen geen mythe was. Het was echter te verwachten dat deze feiten door de satan zouden worden aangegrepen om de diepe indruk die grote afmetingen nu eenmaal achterlaten op de fantasie van de mens te gaan misbruiken. De occulte erfenis van het oude Babylon heeft op alle navolgende heidense godsdiensten een gigantische invloed gehad en dit (sinds de zondvloed) eerste grote bolwerk van occultisme en tovenarij heeft dan ook tot op heden zijn sporen achtergelaten. In dit klimaat konden er mythen en andere verleugeningen ontstaan die de boodschap van het evangelie van Jezus ombuigen tot een aardsgerichte leer die met de geestelijke werkelijkheid geen rekening houdt. Waardoor wordt voorbijgegaan aan wat de apostel Paulus schreef in Efeze 6:12: “want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten”. Die overheden zijn geen zichtbare reuzen met een lengte van een slordige vijf meter die opnieuw deze aarde zouden moeten gaan bevolken maar het zijn daarentegen geestelijke “reuzen” die gebruik maken van de diensten van de mens der wetteloosheid. De nieuwe zondvloed die de wereld zal overspoelen zal een zondvloed zijn van legioenen demonen die als een sprinkhanenplaag al het geestelijke leven zullen wegvreten bij ieder mens die zich tegen die tijd niet in de nieuwtestamentische ark bevindt. Deze ark is de gemeente van Jezus Christus. Het evangelie dat Jezus bracht dient een eeuwig Koninkrijk en dat Koninkrijk is in een strijd gewikkeld met het rijk van de satan, die nu nog de overste van deze wereld is.

De zonde wordt in de bijbel genoemd als de scheiding tussen God en de mens welke een persoonlijke omgang van de mens met Zijn Schepper verhindert. Dat deze scheiding voor de Schepper een voortdurend hartzeer is wordt door de hele bijbel heen keer op keer bevestigd. Ook in Genesis 6 was het de zonde van de mens die Jahweh deed besluiten om via drastische maatregelen in te grijpen. Zoals in Noach's tijd de zonde van de mens een gruwelijk niveau van wetteloosheid had bereikt, zo zal ook in de tijd waarin de nieuwe ark wordt gebouwd de wetteloosheid van de mensheid dé oorzaak zijn van de komende nieuwe zondvloed.

Tot op heden heeft God deze vloedgolf van legioenen demonen tegengehouden maar dat zal veranderen. In Openbaring 7:3-4 lezen we: “en hij zeide: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, voordat wij de knechten van onze God aan hun voorhoofd verzegeld hebben. En ik hoorde het getal van hen, die verzegeld waren: honderdvierenveertigduizend waren verzegeld uit alle stammen der kinderen Israëls”. De knechten van God die aan hun voorhoofd verzegeld zullen worden voordat die zondvloed losbarst zijn de nieuwtestamentische zonen Gods, het geestelijke Israël, de gemeente van Jezus Christus, de nieuwe ark.

De in het “christendom” aanwezige meelopers zullen daarentegen op hun schijnheiligheid en huichelarij afgerekend worden tijdens deze nieuwe zondvloed. Dat is een gruwelijk vooruitzicht. Niet voor niets zei Jezus hierover in Matth. 24:10: “En dan zullen velen ten val komen en zij zullen elkander overleveren en elkander haten”. Dat is nu het drama van de eindtijd: het zal zijn als in de dagen van Noach omdat deze grote afval zich zal herhalen. De zonen Gods in Noach's tijd kwamen massaal ten val, veroorzaakten een wereldramp en kwamen daarbij om. Van de nieuwtestamentische zonen Gods in de eindtijd zal, zoals Jezus voorspelde, ook een deel ten val komen. Zij die de nieuwe wereldramp overleven zullen uiteindelijk de kop van de oude slang vermorzelen, zoals hem dit in de hof van Eden werd aangezegd. Dat is dus een herkansing. En een gegronde reden om de mythen en legenden vaarwel te zeggen zodat met het echte werk kan worden begonnen.

Spreuk:
Het evangelie is veel te ingewikkeld voor volwassenen.
Alleen een kind kan het begrijpen.
(naar Matthéüs 18:3)


 
 
 
 

P.S.
Mocht je de inhoud van deze pagina op een meer conventionele manier onder de aandacht van andere belangstellenden willen brengen, wees dan zo vrij en print deze pagina. Of wellicht blijf je liever de digitale weg bewandelen maar dan wel in een andere taal. In dat geval kun je (een deel van) deze pagina laten vertalen op https://translate.google.com waar je de gewenste taal kunt uitkiezen. Echter: controleer wel het resultaat want de techniek van het online vertalen is ondertussen weliswaar sterk verbeterd maar nog zeker niet volmaakt.

Bronvermelding