![]() |
Inleiding:
Wat je op deze pagina kunt lezen is het getuigenis van een Amerikaanse vrouw die in het jaar 1976 meerdere
keren samen met Jezus in de hel afdaalde en van Hem de opdracht kreeg om de wereld te laten weten dat
deze plaats werkelijk bestaat. De inhoud van deze pagina is dus niet door mij geschreven of vertaald
maar ik heb deze Nederlandse vertaling van haar getuigenis met toestemming overgenomen. Zowel in het
boek Daniël als in Openbaring lezen we dat bepaalde dingen die de profeet Daniël en de apostel
Johannes in visioenen te zien kregen óf niet opgeschreven mochten worden óf verborgen zouden
blijven tot de eindtijd. Daniël 12:9 zegt ons: “Doch hij zeide: Ga
heen, Daniël, want deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd”. En
in Openb. 10:4 lezen we: “En toen de zeven donderslagen gesproken hadden,
wilde ik het opschrijven, maar ik hoorde een stem uit de hemel zeggen: Verzegel hetgeen de zeven donderslagen
gesproken hebben en schrijf het niet op”. Tijdens de periode van haar reizen door de hel
zei Jezus haar enkele keren dat de eindtijd aangebroken was en dat de tijd daarom rijp was om verborgenheden
te openbaren. Wij leven namelijk in een tijd van uitersten, zowel in het negatieve als in het positieve.
Nu de wereld hoe langer hoe meer overspoeld wordt door occultisme en toverij, die rechtstreeks vanuit
de hel als kwade krachten op aarde worden losgelaten, en de mensheid daardoor steeds verder in de greep
van satan komt is ook God door Zijn Heilige Geest meer dan ooit bezig om vele plannen van satan te vernietigen
en om Zijn eigen leger op te leiden. Het leger waarover in het bijbelboek Joël is geprofeteerd en
dat ook in dit getuigenis ter sprake komt. Bij het lezen van de verschrikkingen die hier staan beschreven
moet je dan ook in gedachten houden dat de macht van satan nu al beperkt is. Ooit werd de mens door satan
verleid tot ongehoorzaamheid aan God en dus tot zonde. God heeft het echter zo beschikt dat de mens,
geholpen door de kracht van Gods Heilige Geest, uiteindelijk satan de nederlaag zal toebrengen.
Men zou zich overigens ook kunnen afvragen of het wel zinvol is om de gruwelen die in dit getuigenis
staan beschreven openbaar te maken. Daarmee worden echter, zoals dit al zo vaak gebeurt, bepaalde feiten
genegeerd. Want: om te beginnen is de gruwelijkheid van de hel zoals die hier wordt beschreven beslist
niet totaal onbekend omdat daarvan op diverse plaatsen in de bijbel al een overtuigend beeld is geschetst.
Ook Jezus zelf heeft er over gesproken, bijvoorbeeld in Lucas 16:19-31. In dat
verhaal krijgt de “rijke” man op zijn verzoek om zijn goddeloze broers te laten waarschuwen
als antwoord dat de wet en de profeten voldoende zijn om hen te kunnen overtuigen. Dit wetende zou het
volgende bezwaar kunnen zijn dat ook dit uitgebreide verslag over de realiteit van de hel weinig zin
heeft omdat er zo veel onverschillige mensen (zoals die goddeloze broers) op de wereld rondlopen. Daarmee
wordt weer voorbijgegaan aan het feit dat er ook mensen zijn die zich wel willen laten overtuigen door
een getuigenis als dit en juist voor deze mensen is het bedoeld. Verder is een voor de hand liggend verwijt
dat er alleen maar met hel en verdoemenis wordt gedreigd en dat mensen zich daardoor slechts uit angst
bekeren. De bijbel leert echter dat in de eindtijd de onverschilligheid en spot tegenover het
evangelie alleen maar massaal zullen toenemen en ook dat velen zullen afvallen van het geloof waardoor
zelfs een getuigenis als dit wordt gehoond door deze vijanden van het evangelie. Met dergelijke mensen
ben ik zelf in gesprek geweest en dat heeft mij er meer dan ooit van overtuigd dat de scheiding tussen
de kinderen Gods en deze opzettelijk ongelovigen in het hart van de mens ontstaat en niet door angst
van buitenaf wordt aangepraat. Als men dus na het lezen van dit getuigenis met een bedroefd hart tot
het besef is gekomen dat er in het eigen leven nog dingen voorkomen waar satan vat op heeft en waar nog
aan gewerkt moet worden dan is het volgende aan de hand: “.....want gij zijt bedroefd geworden
naar Gods wil, zodat gij generlei nadeel van ons hebt geleden. Want de droefheid naar Gods wil brengt
onberouwelijke inkeer tot heil, maar de droefheid der wereld brengt de dood” (2
Cor. 7:9b-10).
De boodschap van bekering van dode werken en het zich willen onderwerpen aan de wil van God is een boodschap die onontkoombaar een scheiding veroorzaakt. Daarover heeft de apostel Paulus het in 2 Cor. 2:14-16 waar hij schrijft: “Maar God zij gedankt, die ons te allen tijde in Christus doet zegevieren en de reuk van zijn kennis allerwegen door ons verspreidt, want wij zijn voor God een geur van Christus onder hen, die gered worden, en onder hen, die verloren gaan; voor dezen een doodslucht ten dode, voor genen een levensgeur ten leven”. Want hoe duidelijk of overtuigend wij het evangelie ook brengen: er zullen altijd verstokte, arrogante en ongezeglijke zondaren zijn die er niet van willen horen. De scheiding die zo ontstaat tussen hen die behouden zijn en hen die verloren gaan is dus (ik herhaal het nog maar even) een scheiding die de mens zelf veroorzaakt en voor de verlorenen zal het evangelie van Jezus daarom een doodslucht ten dode zijn. Wat mij in dit getuigenis vooral opviel is de voortdurende nadruk die wordt gelegd op de noodzaak van een radicale bekering, wat er op neerkomt dat de zonden die scheiding maken tussen God en de mens met berouw beleden en nagelaten moeten worden. Met klem wordt de lezer daar telkens weer op gewezen. Het opvallend grote contrast tussen dit getuigenis en vele in omloop zijnde leringen binnen het “christendom” (whatever that may be) is dan ook dat er legio “nieuwe openbaringen” op het strijdtoneel zijn gekwakt die het juist met de ernst van de zonde niet zo nauw of helemaal niet nauw nemen. De ervaring heeft me geleerd dat iedere leer, “openbaring”, “bevrijdingstechniek”, of theologische kronkel die zelfs maar neigt naar het verdoezelen van de absolute noodzaak om met de zonde in ons leven af te rekenen rechtstreeks uit de hel komt.
Omdat satan weet dat het de zonde is die scheiding maakt tussen God en mensen zal satan als de misleider van den beginne onafgebroken bezig blijven om de noodzaak tot berouw en bekering weg te theologiseren. Niet mis te verstane oproepen om met de zonde af te rekenen, zoals die in dit getuigenis meer dan eens zijn te lezen zullen daarom hoon, weerstand en verzet vanuit de hel oproepen. Ook en misschien wel met name vanuit de hoek van die zogenaamde “christelijke” leiders van wie ik al jarenlang weet dat vele misleiders zich onder hen schuilhouden, zelfs onder diegenen die zich voordoen als bestrijders van dwaalleringen. Zo las ik bijvoorbeeld (als reactie op dit getuigenis) het verwijt dat: “verschijningen van Jezus na Zijn verschijning aan de apostel Johannes (in Openb. 1) in de christelijke wereld niet meer voorkomen”. Onvoorstelbaar, zo'n natte vinger mentaliteit. Men kan dit namelijk pas zeker weten als men alle mensen daarover heeft ondervraagd die sinds Johannes hebben geleefd. Uiteraard is niemand van ons hiertoe in de gelegenheid geweest en daarom is het compleet uit de lucht gegrepen als men desondanks durft te beweren dat Jezus sindsdien nooit meer aan enig mens is verschenen in een menselijke gedaante. Er zijn nogal wat betrouwbare getuigenissen van mensen die dat wel degelijk hebben meegemaakt en daarbij denk ik bijvoorbeeld aan de wonderbaarlijke genezing van ene Betty Baxter. Ook bij die gebeurtenis verscheen Jezus zelf. Verder las ik de kritiek dat nieuwe openbaringen over de eindtijd onbijbels zouden zijn omdat daarmee wordt toegevoegd aan “de woorden der profetie van dit boek” (Openb. 22:18). Daarmee wordt ieder kind van God dat in zijn/haar gemeente een profetie over de eindtijd doorgeeft in één veeg tot een bijbelvervalser gemaakt. Dat is pas grof! En er wordt aan voorbijgegaan dat zowel de profeet Daniël als de apostel Johannes bepaalde dingen over de eindtijd op Gods bevel niet mochten opschrijven (zie het voorgaande). Hun beider boodschap over de eindtijd was dus nog niet compleet. Ook de schrijfster van dit getuigenis mocht van wat ze zag en hoorde nog niet alles opschrijven. God zorgt er kennelijk voor dat de verborgenheden over de eindtijd in fasen bekend worden gemaakt. Alles wat de Heilige Geest ons over de eindtijd via profetieën, openbaringen en ervaringen (zoals in dit getuigenis beschreven) bekend maakt en dat na toetsing niet in strijd blijkt te zijn met de bijbelse boodschap is geen toevoeging aan “de woorden der profetie van dit boek” maar zijn verborgenheden waar Daniël en Johannes nog over moesten zwijgen en die nu geopenbaard worden.
De satan heeft zijn superintelligente leugengeesten over de wereld uitgestuurd om speciaal de verkondigers van het evangelie ten val te brengen. Van hen zijn er al verscheidene in satans vallen getrapt en hebben het evangelie van het Koninkrijk Gods verloochend en/of afgewezen. Dan kan het zelfs gebeuren dat je zomaar ergens leest over een heel bekende “voorganger” in Nederland die zijn schaapjes eens voorhield dat bijbelgetrouwe kinderen Gods door hen als een obstakel moeten worden gebrandmerkt waarmee “moet worden afgerekend”. En dat werd door de man in kwestie nodig gevonden omdat die bijbelgetrouwen de kwalijke plannen van deze en dergelijke dwaalgeesten in de weg staan. De keiharde realiteit is echter dat als verkondigers van het evangelie zich zo door de tegenstander laten gebruiken hun eeuwig lot wel eens heel anders kan uitpakken dan ze zichzelf hadden toegedacht. Over het afschuwelijke lot van zo'n afvallige prediker kun je in dit getuigenis eveneens lezen. Dit soort mensen worden door satan extra gruwelijk gefolterd omdat ze ooit (voor hun afvalligheid) dienaren van het evangelie zijn geweest. Dat vergeet satan in zijn wraakzucht namelijk nooit.
Kortom: wie het zuivere evangelie verdraait of afwijst, wijst het leven af. Wat dat voor gruwelijke gevolgen heeft vertellen enkelen van deze verlorenen zelf in het nu volgende verslag van een reis naar het centrum van deze aarde.
In maart 1976 terwijl ik thuis in gebed was kreeg ik bezoek van de Here Jezus Christus. Ik was reeds dagenlang in de
Geest aan het bidden toen ik opeens de onmiskenbare tegenwoordigheid van God ervoer. Zijn kracht en Zijn heerlijkheid
vulden het huis. Een schitterend licht verlichtte de kamer waar ik bad, en een liefelijk en wonderbaar gevoel kwam over
mij.
Lichten stroomden in golven, rolden in en over elkaar en scheidden zich weer. Het was een spectaculair gezicht! En toen
begon de stem van de Heer tot mij te spreken. Hij zei: "Ik ben Jezus Christus, jouw Heer, en Ik wens je een openbaring
te geven om de heiligen gereed te maken voor Mijn wederkomst en om velen tot gerechtigheid te brengen. De machten der
duisternis zijn reëel en Mijn oordelen zijn waarachtig".
"Mijn kind, Ik zal je door Mijn Geest meenemen naar de hel, en Ik zal je vele dingen tonen die Ik wil dat de wereld
weet. Ik zal vele malen aan je verschijnen; Ik zal je geest uit je lichaam nemen en je werkelijk naar de hel brengen".
"Ik wil dat je een boek schrijft waarin je vertelt over de visioenen en alles wat Ik je openbaar. Jij en Ik zullen
samen door de hel gaan. Maak een verslag van deze dingen die waren, die zijn en nog komen moeten. Mijn woorden zijn
waarachtig, getrouw en betrouwbaar. Ik Ben Die Ik Ben, en er is niemand buiten Mij".
"Lieve Here", riep ik uit: "Wat wilt U dat ik doen zal?" Mijn hele wezen wilde tot Jezus roepen, om mijn
erkentelijkheid voor Zijn aanwezigheid te uiten. De beste manier waarop ik dit gebeuren kan beschrijven
is door u te zeggen dat liefde over mij uitgestort werd. Het was de mooiste, vredigste, machtigste, meest
vreugdevolle liefde die ik ooit heb gevoeld.
Gods lof begon uit mij voort te vloeien. Opeens wilde ik mijn hele leven aan Hem geven om door Hem gebruikt te worden,
en te helpen met het redden van de mensen van hun zonde. Ik wist, door Zijn Geest, dat het werkelijk Jezus was, de Zoon
van God die bij mij in de kamer was. Ik kan geen woorden vinden om Zijn Goddelijke tegenwoordigheid tot uitdrukking te
brengen. Maar ik weet dat ik weet dat het de Here was. "Zie, Mijn kind", zei Jezus: "Ik ga je door Mijn Geest meenemen
naar de hel, opdat je in staat zult zijn om een verslag te maken van de realiteit ervan, en om heel de aarde te
vertellen dat de hel echt bestaat, en om de verlorenen uit de duisternis tot het licht van het Evangelie van Jezus
Christus te brengen".
Onmiddellijk werd mijn ziel uit mijn lichaam getrokken. Ik ging met Jezus omhoog, mijn kamer uit en de
lucht in. Ik wist alles wat er om mij heen gebeurde. Ik zag mijn man en mijn kinderen slapen in ons huis
beneden ons. Het was net alsof ik gestorven was en mijn lichaam op mijn bed was achtergelaten terwijl
mijn geest met Jezus door het dak van het huis opsteeg. Het leek wel alsof het hele dak teruggerold was,
en ik mijn familie zag slapen in hun bedden. Ik voelde de aanraking van Jezus toen Hij zei: "Wees niet
bang. Zij zijn veilig". Hij kende mijn gedachten.
Ik wil proberen om zoveel als in mijn vermogen ligt u stap-voor-stap te vertellen wat ik zag en voelde. Sommige van de
dingen begreep ik niet. De Here Jezus legde mij de betekenis uit van het meeste wat ik zag, maar er waren dingen die
Hij mij niet vertelde. Ik wist toen en ik weet nu, dat deze dingen werkelijk gebeurden en dat alleen God ze mij kon
tonen. Prijs Zijn heilige naam. Mensen, geloof mij, de hel is realiteit. Ik werd daar vele malen door de Geest naartoe
gebracht, tijdens de voorbereidingen van dit verslag.
Spoedig waren wij hoog in de lucht. Ik keerde mij om en keek naar Jezus. Hij was vol van glorie en macht, en stromen
van vrede vloeiden uit Hem. Hij nam mijn hand en zei: "Ik heb je lief. Vrees niet, want Ik ben met je". Toen Hij dat
zei stegen wij nog hoger de lucht in, en nu kon ik de aarde beneden ons zien. Op vele plaatsen, overal verspreid,
staken trechters uit de aarde die snel ronddraaiden naar een centraal punt en dan weer terugkeerden. Deze trechters
bewogen zich aanhoudend hoog boven de aarde en rezen vanuit de aarde over heel het oppervlak omhoog. "Wat zijn dat?"
vroeg ik de Here Jezus toen wij vlakbij één van die dingen waren.
"Dit zijn de poorten van de hel", zei Hij. Door één van die poorten zullen wij de hel binnengaan".
Onmiddellijk gingen we één van de trechters binnen. Van binnen leek het op een tunnel die rond
en rond draaide en dan weer terug, net als een tol.
Diepe duisternis daalde op ons neer, en met die duisternis kwam er een stank zo verschrikkelijk dat het mijn adem
benam. Langs de zijkanten van deze tunnel waren levende vormen, ingesloten in de wand. Donkergrijs in kleur, bewogen de
vormen zich en schreeuwden naar ons als wij ze passeerden. Ik wist, zonder dat het mij werd verteld, dat het
boosaardige wezens waren. De vormen konden zich bewegen maar zaten nog in de muren vast. Een vreselijke stank ging er
van hen uit, en zij krijsten naar ons met een afschuwelijk geluid. Ik voelde een onzichtbare, kwade macht bewegen
binnenin de tunnel.
Nu en dan kon ik in de duisternis de omtrek uitmaken van de vormen. De meesten van hen waren bedekt met een vuile mist.
"Here, wat zijn dit?" vroeg ik terwijl ik Jezus' hand goed vasthield.
Hij zei: "Dit zijn boze geesten, gereed om op de aarde uitgespuwd te worden wanneer satan de bevelen geeft". Terwijl
wij binnenin de tunnel afdaalden, lachten de kwade vormen en riepen ons na. Zij probeerden ons aan te raken, maar
konden het niet vanwege de kracht van Jezus. De lucht was geheel besmet en vuil en alleen de aanwezigheid van Jezus
bewaarde mij ervoor dat ik het uitgilde van louter afgrijzen. O ja, ik had al mijn zintuigen - ik kon het boze van deze
plaats horen, ruiken, zien, voelen en zelfs proeven. Mijn zintuigen waren in feite zelfs gevoeliger geworden, en de
reuk en smerigheid maakten mij misselijk.
Gekrijs vulde de lucht toen wij het einde van de tunnel naderden. Doordringend gegil rees omhoog en kwam op
ons af uit de duisternis. Allerlei soorten geluiden vulden de lucht. Overal om mij heen voelde ik angst,
dood en zonde. De ergste stank die ik ooit geroken heb vulde de lucht. Het was de stank van ontbindend
vlees, en het scheen uit alle richtingen te komen. Op aarde had ik nimmer zulke boosheid gevoeld of zulk
wanhopig gegil gehoord. Spoedig zou ik ontdekken dat dit het gillen was van de doden en dat de hel vervuld
was van hun gejammer. Ik voelde een vlaag van een kwade wind en enige zuigkracht op ons afkomen. Lichten
die op bliksemflitsen leken drongen door de zwarte duisternis heen en wierpen grijze schaduwen op de
muren. Ik kon amper de vorm uitmaken van iets dat voor mij uitging. Geschokt deinsde ik terug toen ik
mij realiseerde dat het een grote slang was die zich voor ons voortbewoog. Toen ik bleef kijken zag ik
overal die afschuwelijke slangen glibberen. Jezus zei tegen me: "Wij zullen spoedig het linkerbeen van
de hel binnengaan. Je zult groot leed, pathetische droefheid en onbeschrijfelijke verschrikking zien.
Blijf dicht bij Mij, en Ik zal je sterkte en bescherming geven terwijl wij door de hel gaan.
"De dingen die je straks zult zien zijn een waarschuwing", zei Hij. "Het boek dat je zult schrijven zal vele zielen
redden van de hel. Wat je ziet is werkelijkheid. Wees niet bevreesd, want Ik zal met je zijn." Eindelijk waren de Heer
Jezus en ik op de bodem van de tunnel. Wij stapten eruit en gingen de hel binnen. Ik zal naar mijn beste vermogen
trachten u te vertellen wat ik zag, en ik zal het vertellen in de volgorde waarin God het mij gaf. Vóór ons
waren, zover als ik kon zien, vliegende voorwerpen die overal heen schoten. Gekerm en meelijwekkend gehuil vulden de
lucht. Voor ons zag ik een flauw licht en wij begonnen ernaartoe te lopen. Het pad bestond uit droge, poederige grond.
Wij waren al gauw bij de ingang van een smalle, donkere tunnel. Sommige dingen kan ik niet op papier zetten; die waren
te ontzettend om te beschrijven. De angst in de hel kon je proeven, en ik wist dat als Jezus niet bij mij geweest was,
ik niet terug had kunnen komen. Terwijl ik dit schrijf begrijp ik nog steeds niet sommige van de dingen die ik zag,
maar de Heer weet alle dingen, en Hij hielp mij het meeste wat ik zag te begrijpen.
Laat mij u waarschuwen - ga niet naar die plaats. Het is een afschuwelijke plaats vol martelingen, folterende pijn en eeuwige smart. Uw ziel zal altijd blijven leven. De ziel leeft voor eeuwig. Zij is de werkelijke u, en uw ziel zal òf naar de hemel òf naar de hel gaan. Tot degenen onder u die denken dat de hel hier op aarde is, wil ik zeggen: u heeft gelijk, het is waar! De hel is in het centrum van de aarde, en daar zijn zielen die dag en nacht folteringen ondergaan. Er zijn geen feestjes in de hel. Geen liefde. Geen ontferming. Geen rust. Het is een plaats van zo grote smart, dat het ons bevattingsvermogen te boven gaat.
Een vreselijke stank vervulde de lucht. Jezus zei tegen mij: "In het linkerbeen van de hel zijn vele putten. Deze
tunnel heeft vertakkingen naar andere delen van de hel, maar wij zullen eerst enige tijd doorbrengen in het
linkerbeen." "De dingen die je nu ziet zullen je altijd bijblijven. De wereld moet weten dat de hel reëel is. Vele
zondaars en zelfs sommigen van Mijn volk geloven niet dat de hel werkelijk bestaat. Je bent door Mij gekozen om deze
waarheden aan hen te openbaren. Alles wat Ik je zal laten zien van de hel, en al het andere wat Ik je zal tonen is
waar".
Jezus had Zich aan mij vertoond in de vorm van een helder schijnend licht, stralender dan de zon. De vorm van een man
was in het centrum van dat licht. Soms zag ik Jezus als een man, maar op andere tijden had Hij de vorm van een geest.
Hij sprak weer: "Kind, wanneer Ik spreek, heeft de Vader gesproken. De Vader en Ik zijn één. Denk eraan boven
alles lief te hebben, en elkaar te vergeven. Kom nu, volg Mij".
Terwijl wij voortgingen, vluchtten boze geesten weg van de tegenwoordigheid van de Here. "O God, o God", riep ik
schreiend uit: "Wat komt er nu?" Zoals ik reeds eerder zei, behield ik al mijn zintuigen . Die van mij werkten nu op
volle kracht. Angst was er nu aan alle kanten en onuitsprekelijke gevaren lagen overal op de loer. Iedere stap die ik
nam was afschuwelijker dan die ervoor.
Er waren deuropeningen ongeveer de grootte van een klein raam, bovenin de tunnel. Zij openden en sloten zich heel snel.
Gegil vulde de ruimte, als vele boze wezens ons voorbijvlogen, in en uit de poorten der hel. Spoedig waren wij aan het
eind van de tunnel. Ik beefde van schrik vanwege het gevaar en de vrees om ons heen.
Ik was zo dankbaar voor de bescherming van Jezus. Ik dank God voor Zijn almachtige kracht die ons beschermt, zelfs in
de putten van de hel. Zelfs met dat beschermende schild, bleef ik denken: "Niet mijn wil, Vader, maar Uw wil
geschiede".
Ik keek naar mijn lichaam. Voor de eerste keer merkte ik op dat ik in een geestesvorm was, en dat mijn vorm de gedaante
van mijzelf had. Ik vroeg mij af wat er nu zou komen.
Jezus en ik stapten uit de tunnel op een pad dat tussen twee stroken land liep. Er waren overal vuurputten zo ver
als het oog kon zien. De putten waren schaalvormig en ongeveer 1 1/3 meter wijd en een meter diep. Jezus zei: "Er zijn
veel van deze putten in het linkerbeen van de hel. Kom, Ik zal je enkele ervan laten zien". Ik stond naast Jezus op het
pad en keek in één van de putten. Zwavel was ingesloten in de kant van de put, en gloeide rood als gloeiende
vurige kolen. In het midden van de put was een verloren ziel die gestorven was en naar de hel was gegaan. Vuur begon te
branden op de bodem van de put, schoot omhoog en hulde de verloren ziel in vlammen.
In een ogenblik doofde het vuur weer bijna uit om dan weer met een geruis omhoog te
schieten, over en rondom de gefolterde ziel in de put. Toen ik keek zag ik dat de verloren ziel in de put zat gekooid
binnenin de vorm van een geraamte. "Mijn Heer", schreide ik: "Kunt U haar er niet uithalen?" Hoe verschrikkelijk was de
aanblik! Ik dacht: Ik had daar kunnen zitten. Ik zei: "Heer, wat is het droevig om te zien en te weten dat daarbinnen
een levende ziel is".
Ik hoorde een luide kreet uit het midden van die eerste put komen. De ziel, binnenin de vorm van een geraamte, huilde:
"Jezus, heb medelijden"! "O, Here!" zei ik. Het was de stem van een vrouw. Ik keek naar haar en wilde haar wel uit het
vuur trekken. De aanblik van haar brak mijn hart. De skaletvorm van een vrouw met een vuilgrijze mist van binnen, was
tegen Jezus aan het praten. Ik luisterde naar haar, diep geschokt. Flarden halfvergaan vlees hingen aan haar beenderen,
en, wanneer het brandde viel het naar beneden op de bodem van de put. Er waren alleen maar lege oogholten waar haar
ogen waren geweest. Zij had geen haar.
Het vuur begon bij haar voeten in kleine vlammen die groter werden als het vuur omhoogklom over en op haar lichaam. De
vrouw scheen aanhoudend te branden, zelfs wanneer het vuur alleen maar tot gloeiende kolen werd. Diep vanuit haar
binnenste kwamen kreten en wanhopig gejammer: "Heer, Heer, ik wil eruit!" Zij bleef haar armen naar Jezus uitstrekken.
Ik keek naar Jezus en er was grote smart op Zijn gelaat. Jezus zei tegen mij: "Mijn kind, je bent hier met Mij om de
wereld te laten weten dat zonde de dood voortbrengt, dat de hel echt bestaat".
Ik keek weer naar de vrouw, en wormen kropen uit haar beenderen van haar geraamte. Zij hadden geen last van het vuur.
Jezus zei: "Zij weet dat die wormen binnenin haar zijn, zij voelt ze". "God, ontferm U!" riep ik uit als het vuur zijn
hoogtepunt bereikte en het afgrijselijke branden weer helemaal opnieuw begon. Luide kreten en diepe snikken schudden de
vorm van deze vrouwenziel. Zij was verloren. Er was geen uitkomst. "Jezus, waarom is zij hier?" vroeg ik met een klein
stemmetje, want ik was erg bang. Jezus zei: "Kom".
Het pad waarop wij liepen was niet recht maar kronkelde zich van en naar de vuurputten, zo ver als ik kon zien. Het
geklaag van de levende doden, vermengd met gekerm en afschuwelijk gekrijs, kwam van alle kanten op mij af. Er zijn geen
tijden van rust in de hel. De geur van dood en rottend vlees hing zwaar in de ruimte.
Wij kwamen bij de volgende put. Binnenin deze put die dezelfde afmetingen had als de eerste, was ook een skaletvorm. De
stem van een man riep vanuit de put: "Heer, ontferm U over mij!" Alleen wanneer zij spraken kon ik zeggen of de ziel
een man of een vrouw was.
Grote jammerende snikken kwamen uit deze man: "Het spijt me zo, Jezus. Vergeef mij. Neem me weg vanhier.
Ik ben al jaren in deze folterplaats. Ik smeek U, laat mij eruit!" Diepe snikken schudden zijn geraamte,
terwijl hij smeekte: "Alstublieft Jezus, laat mij eruit!" Ik keek naar Jezus en zag dat ook Hij schreide.
"Here Jezus", huilde de man vanuit de brandende put, "Heb ik niet genoeg geleden voor mijn zonden? Ik ben veertig jaar
geleden gestorven".
Jezus zei: "Er staat geschreven: "De rechtvaardige zal uit het geloof leven!" Alle spotters en ongelovigen zullen hun
deel hebben in de poel des vuurs. U wilde de waarheid niet geloven. Vele malen werden Mijn mensen naar u toegezonden om
u de weg te wijzen, maar u wilde niet naar hen luisteren. U lachte hen uit en weigerde het Evangelie. Hoewel Ik voor u
aan een kruis stierf, spotte u met Mij en wilde geen berouw tonen van uw zonden. Mijn Vader gaf u vele gelegenheden om
gered te worden. Als u alleen maar had willen luisteren!" Jezus weende.
"Ik weet het Heer, ik weet het!" riep de man. "Maar ik heb nu berouw". "Het is te laat", zei Jezus. "Het oordeel is
vastgesteld". De man vervolgde: "Heer, sommigen van mijn familieleden zullen hier komen, want zij willen zich ook niet
bekeren. Alstublieft Heer, sta mij toe naar ze toe te gaan om ze te vertellen dat zij zich moeten bekeren van hun
zonden terwijl zij nog op aarde zijn. Ik wil niet dat zij ook hier komen".
Jezus zei: "Zij hebben predikers, leraars, oudsten die allen het Evangelie bedienen. Die vertellen het hun. Zij kunnen
ook profijt trekken van de moderne communicatiesystemen, ook zijn er vele andere mogelijkheden om van Mij te leren. Ik
heb arbeiders naar hen gezonden opdat zij zullen geloven en gered worden. Als zij niet willen geloven wanneer zij het
Evangelie horen, dan zullen zij zich ook niet laten overreden door iemand die uit de dood verrezen is". Hierop werd de
man erg kwaad en begon te vloeken. Slechte, godslasterlijke woorden kwamen uit zijn mond. Ik keek toe in afgrijzen als
de vlammen omhoog rezen en zijn dood, rottend vlees begon te branden en van hem af te vallen. Binnenin deze dode
verloren man zag ik zijn ziel, die eruit zag als een vuilgrijze mist, en die zijn geraamte van binnen vulde.
Ik keerde me naar Jezus en riep uit: "Here, wat verschrikkelijk!" Jezus zei: "De hel is realiteit; het oordeel is
realiteit. Ik heb ze zo lief Mijn kind. Dit is slechts het begin van de vreselijke dingen die Ik je moet tonen. Er komt
nog veel meer. "Vertel de wereld voor Mij dat de hel bestaat, dat mannen en vrouwen zich moeten bekeren van hun zonden.
Kom, volg Mij. Wij moeten voortgaan".
In de volgende put was een tenger-gebouwde vrouw die een jaar of tachtig scheen. Ik kan niet zeggen hoe ik haar
leeftijd wist, maar ik wist het. Het vlees was door de aanhoudende vlam verwijderd van haar gebeente en alleen de
beenderen waren er nog met een ziel als een vuile mist van binnen. Ik keek toe terwijl zij brandde in het vuur. Ik zag
alleen beenderen en de wormen die daarbinnen kropen, die het vuur niet kon verbranden.
"Here, wat vreselijk!" schreide ik. "Ik weet niet of ik wel door kan gaan, dit is een ongelofelijke verschrikking". Zo
ver als mijn ogen konden zien waren zielen aan het branden in putten vol vuur.
"Mijn kind, daarom ben je hier", antwoordde Jezus. "Je moet de waarheid weten en vertellen over de hel. De hemel is
realiteit! De hel is realiteit! Kom, wij moeten voortgaan". Ik keek om naar de vrouw. Haar geschrei klonk zo bedroefd.
Terwijl ik naar haar keek vouwde zij haar knokige handen samen, als in gebed. Ik moest schreien. Ik wist dat de mensen
in de hel ook al deze dingen voelden. Jezus kende mijn gedachten. "Ja kind", zei Hij, "dat doen ze ook. Wanneer mensen
in de hel komen hebben ze nog dezelfde gevoelens en gedachten als toen zij op aarde waren. Zij herinneren zich hun
gezinnen en vrienden en al die tijd op aarde hadden zij de kans om zich te bekeren, maar zij hebben geweigerd. Zij
blijven zich alles herinneren. Hadden zij het Evangelie maar geloofd, en berouw getoond voor het te laat was".
Ik keek nog eens naar de oude vrouw, en deze keer merkte ik op dat zij maar één been had, en het was alsof er
gaten in haar heupgewrichten waren geboord. "Wat zijn dat Jezus?" vroeg ik. Hij zei: "Kind, toen zij op aarde was, had
zij kanker en had veel pijn. Zij werd geopereerd om haar leven te redden. Zij lag vele jaren ziek, een bittere oude
vrouw. Velen van Mijn mensen kwamen om voor haar te bidden en haar vertellen dat Ik haar kon genezen. Zij zei: "God
deed me dit aan" en zij wilde zich niet bekeren en het Evangelie geloven. Eens kende zij Mij zelfs, maar door de tijd
heen begon zij Mij te haten".
"Zij zei dat ze God niet nodig had en niet wilde dat ik haar genas. Toch pleitte Ik bij haar, want Ik wilde haar nog
altijd helpen, Ik wilde haar genezen en zegenen. Zij keerde Mij de rug toe en vervloekte Mij. Zij zei dat ze Mij niet
wilde. Mijn Geest bleef pleiten bij haar. Zelfs nadat ze Mij de rug had toegekeerd probeerde Ik haar tot Mij te trekken
door Mijn Geest, maar ze wilde niet luisteren. Tenslotte stierf zij en kwam hier". De oude vrouw riep naar Jezus: "Here
Jezus, vergeef mij nu, alstublieft. Het spijt mij dat ik geen berouw had toen ik op aarde was". Onder diepe snikken
riep ze uit tegen Jezus: "Had ik me maar bekeerd voordat het te laat was! Heer, help me hieruit. Ik zal U dienen, ik
zal goed zijn. Heb ik nog niet genoeg geleden? Waarom wachtte ik tot het te laat was? O, waarom heb ik gewacht totdat
Uw Geest ophield met het worstelen om mijn ziel?" Jezus zei: "U kreeg kans na kans om u te bekeren en Mij te dienen".
Droefheid was op Jezus' gelaat te lezen toen wij doorliepen.
Terwijl ik de oude vrouw hoorde roepen, vroeg ik: "Here, wat komt er nu?" Overal om mij heen voelde ik vrees. Overal
was kommer, waren kreten van pijn en was er een sfeer vervuld van de dood. Jezus en ik gingen met droefheid en
medelijden naar de volgende put. Slechts door Zijn kracht kon ik verder gaan. Vanaf een grote afstand kon ik nog steeds
de kreten van berouw en het pleiten om vergiffenis van de oude vrouw horen. Was er maar iets wat ik kon doen om haar te
helpen, dacht ik. Zondaar, wacht alstublieft niet totdat Gods Geest ophoudt met u te worstelen om uw ziel.
In de volgende put zat een vrouw op haar knieën, alsof zij iets aan het zoeken was. Haar skaletvorm
was ook vol gaten. Haar beenderen waren duidelijk te zien en haar verscheurde jurk was aan het branden.
Haar hoofd was kaal en er waren slechts gaten waar haar ogen en neus zouden moeten zijn. Een klein vuur
brandde om haar voeten heen, terwijl zij knielde, en zij klauwde zich vast aan de kanten van de zwavelput.
Het vuur hing aan haar handen, en dood vlees bleef van haar afvallen terwijl zij haar nagels ingroef.
Geweldige snikken schudden haar. "O Heer, o Heer", huilde zij: "Ik wil eruit". Terwijl wij toekeken had
zij zich eindelijk naar de opening van de put geklauwd met haar handen en voeten. Ik dacht dat zij eruit
zou gaan toen een grote demon met grote vleugels die bovenaan gebroken leken, en langs zijn zijden hingen,
naar haar toe kwam rennen. Zijn kleur was bruinachtig-zwart, en hij had haar over heel zijn grote vorm.
Zijn ogen waren heel diep in zijn hoofd gezet, en hij was zo ongeveer de grootte van een grote grijze
beer. De demon rende naar de vrouw en duwde haar heel hard achterover de put en het vuur in. Ik keek
toe in afgrijzen toen zij viel. Ik had zo'n medelijden met haar. Ik wilde haar in mijn armen nemen en
vasthouden, en God vragen haar te genezen en hiervandaan te halen.
Jezus kende mijn gedachten en zei: "Mijn kind, het oordeel is vastgesteld. God heeft gesproken. Reeds toen zij een kind
was riep Ik haar telkens weer om zich te bekeren en Mij te dienen. Toen zij zestien jaar was kwam Ik naar haar toe en
zei: "Ik heb je lief. Geef je leven aan Mij en kom, volg Mij, want Ik heb je geroepen voor een speciaal doel". Haar
hele leven riep Ik haar, maar zij wilde niet luisteren. Zij zei: 'Eens op een dag zal ik U dienen. Ik heb nu geen tijd
voor U. Geen tijd, geen tijd, ik wil mijn leven van plezier. Geen tijd, geen tijd om U te dienen, Jezus. Morgen zal ik
het doen'. Maar morgen is nooit gekomen, want zij wachtte te lang".
De vrouw riep tegen Jezus: "Mijn ziel wordt werkelijk gefolterd. Er is geen mogelijk om hier uit te komen. Ik weet dat
ik de wereld wilde in plaats van U, Heer. Ik wilde rijkdom, roem en geluk, en ik kreeg het. Ik was mijn eigen baas. Ik
was de knapste, meest goedgeklede vrouw van mijn tijd. En ik was rijk, had roem en voorspoed, maar ik ontdekte dat ik
die dingen niet met me mee kon nemen de dood in. O Heer, de hel is verschrikkelijk. Ik heb dag noch nacht rust. Ik heb
altijd pijn en martelingen. Help mij Heer", huilde zij. De vrouw keek zo verlangend op naar Jezus, en ze zei: "Mijn
lieve Heer, had ik maar naar U geluisterd! Ik zal voor altijd berouw hebben dat ik het niet deed. Ik was zo van plan U
eens te zullen dienen - wanneer ik er klaar voor was. Ik dacht dat U er altijd voor mij zou zijn. Maar wat heb ik mij
vergist! Ik was één van de meest gezochte vrouwen van mijn tijd, vanwege mijn schoonheid. Ik wist dat God mij
tot bekering riep. Heel mijn leven trok Hij mij met koorden van liefde, en ik dacht dat ik God kon gebruiken, zoals ik
ieder ander gebruikte. Hij zou er altijd wel zijn. O ja, ik gebruikte God! Hij probeerde zo hard om mij zover te
krijgen dat Ik Hem ging dienen, terwijl ik al die tijd dacht dat Ik Hem niet nodig had. Wat een vergissing! Want satan
begon mij te gebruiken en ik begon meer en meer de satan te dienen. Tenslotte had ik hem meer lief dan God. Ik hield
ervan te zondigen en wilde me niet tot God keren.
"Satan gebruikte mijn schoonheid en mijn geld, en al mijn gedachten draaide erom heen hoeveel macht hij mij zou geven.
Zelfs toen bleef God mij roepen. Maar ik dacht: ik heb morgen of overmorgen. Toen, op een dag, terwijl ik in een auto
zat, reed mijn chauffeur op een huis in en ik werd gedood. Heer alstublieft, laat mij eruit". Terwijl zij sprak strekte
zij haar knokige handen en armen uit naar Jezus terwijl zij brandde in de vlammen. Jezus zei: "Het oordeel is
vastgesteld".
Tranen liepen langs Zijn wangen toen wij naar de volgende put gingen. Ik schreide van binnen over de verschrikkingen
van de hel. "Lieve Heer", riep ik: "de folteringen zijn te reëel. Als een ziel hier binnenkomt is er geen hoop
meer, geen leven, geen liefde. Hel is te werkelijk". Geen uitkomst, dacht ik. Zij moet voor altijd in deze vlammen
branden. Jezus zei: "We hebben niet veel tijd meer. We zullen morgen teruggaan".
Vriend, als u in zonde leeft, bekeer u, alstublieft. Als u wedergeboren bent en God uw rug hebt toegekeerd, heb
berouw en keer terug tot Hem nu. Leef een goed leven, en sta voor de waarheid. Waak op, voor het te laat is, en dan
kunt u voor eeuwig samen met de Here in de hemel zijn. Jezus sprak weer: "De hel heeft een lichaam. (zoals een
menselijke vorm) Het lichaam ligt op zijn rug in het centrum van de aarde. De hel is dus gevormd als een menselijk
lichaam - buitengewoon groot en uitgestrekt, met vele folterkamers.
"Denk eraan dat je de mensen op aarde vertelt dat de hel werkelijk bestaat... Er zijn miljoenen verloren zielen in de
hel en iedere dag komen er nieuwe zielen bij. Op de grote oordeelsdag zullen de dood en de hel in de poel van vuur
geworpen worden; dat zal de tweede dood zijn".
Ik was niet in staat om te slapen of te eten sinds ik de nacht ervoor in de hel was. Elke nacht in de hel beleefde
ik de volgende dag opnieuw. Wanneer ik mijn ogen sloot kon ik niets zien dan de hel. Mijn oren konden het gegil van de
verdoemden niet buitensluiten. Alsof ik een televisieprogramma zag, beleefde ik steeds weer al de dingen waarvan ik in
de hel getuige was geweest. Elke nacht was ik in de hel, en elke dag worstelde ik om precies de juiste woorden te
vinden waarmee ik de wereld over de afschrikwekkende plaats kon vertellen.
Jezus verscheen weer aan mij en zei: "Vannacht gaan wij het rechterbeen van de hel binnen, Mijn kind. Wees niet bang,
want Ik heb je lief en ben met je".
Het gelaat van de Heer was smartelijk, en Zijn ogen waren gevuld met grote tederheid en diepe liefde. Ofschoon degenen
die in de hel waren voor altijd waren verloren, wist ik dat Hij ze nog altijd liefhad en lief zou hebben tot in alle
eeuwigheid.
"Mijn kind", zei Hij: "God, onze Vader, gaf elk van ons een wil opdat wij konden kiezen wie wij wilden dienen, Hem of
satan. Weet je, God maakte de hel niet voor Zijn volk. Satan bedriegt velen zodat ze hem zullen volgen, maar de hel was
gemaakt voor satan en zijn engelen. Het is niet Mijn noch Mijn Vaders verlangen dat iemand verloren zal gaan". Tranen
van bewogenheid en medelijden liepen langs Jezus' wangen. Hij begon nogmaals te spreken: "Onthoud Mijn woorden in de
komende dagen als Ik je de hel laat zien: 'Ik heb alle macht in hemel en op aarde'. Er zullen tijden komen dat je denkt
dat Ik je verlaten heb, maar dat is niet zo. Ook zullen we soms gezien worden door de boze machten en de verloren
zielen, terwijl we op andere tijden niet gezien worden. Ongeacht waar we heen zullen gaan, wees gerust en vrees niet om
Mij te volgen".
Wij vervolgden samen onze weg. Ik ging al schreiende vlak achter Hem aan. Ik had reeds dagenlang gehuild en kon de
tegenwoordigheid van de hel die mij altijd voor ogen was niet afschudden. Ik huilde het meest van binnen. Mijn geest
was erg bedroefd.
Wij arriveerden bij het rechterbeen van de hel. Voor mij uitkijkend zag ik dat wij op een voetpad waren dat droog en
verpulverd was. Gegil vulde de vuile lucht en de stank van de dood was overal. De geur was soms zo weerzinwekkend dat
ik er misselijk van werd. Er was overal duisternis, het enige licht dat er was kwam uit Jezus, en dan waren er nog de
zwavelputten, die verstrooid waren over het landschap zover als ik kon zien.
Opeens passeerden ons allerlei soorten demonen. Duiveltjes gromden tegen ons als zij ons passeerden.
Demonische geesten in alle maten en vormen praatten met elkaar. Voor ons uit ging een grote demon die
bevelen gaf aan kleine demonen. Wij stonden stil om te luisteren en Jezus zei: "Er is ook een onzichtbaar
leger van kwade machten die wij hier niet zien - demonen zoals boze ziektemachten". "Ga!" zei de grote
demon tegen de kleinere duivels en duiveltjes. "Doet veel slechte daden. Verdeelt huisgezinnen en vernietigt
families. Verleidt zwakke christenen en geeft verkeerde aanwijzingen en misleidt zo velen als je kunt.
Jullie ontvangen je loon wanneer je terugkomt.
"Denk eraan dat jullie voorzichtig moeten zijn tegenover degenen die Jezus hebben aangenomen als hun Verlosser. Zij
hebben de macht om jullie uit te werpen. Verspreidt jullie nu over de hele aarde. Ik heb daar al heel veel anderen en
heb er nog meer om uit te zenden. Onthoudt het, wij zijn dienaars van de prins der duisternis en van de machthebbers in
de lucht".
Na die woorden begonnen de boze gedaanten op en uit de hel te vliegen. Deuren bovenin het rechterbeen van de hel
openden en sloten zich heel snel om hen uit te laten. Sommigen gingen ook omhoog in de trechter waardoor we gekomen
waren en er weer uit.
Ik zal proberen te beschrijven hoe deze boze wezens eruit zagen. Die ene die sprak was erg groot, ongeveer de
grootte van een grizzly beer, bruin van kleur met een hoofd als een vleermuis, en ogen die heel diep in zijn harig
gezicht stonden. Harige armen hingen langs zijn zijden en slagtanden staken uit het haar op zijn gezicht.
Een ander had de grootte van een aap met heel lange armen en haar over zijn hele lichaam. Zijn gezicht was klein en hij
had een puntige neus. Ik kon nergens ogen bij hem ontdekken. Weer een ander had een groot hoofd, grote oren en een
lange staart; en dan was er één die zo groot als een paard was en een gladde huid had. De aanblik van deze
demonen en boze geesten, en de vreselijke geur die van hen uitging maakten mij erg misselijk. Overal waar ik keek waren
demonen en duivels. De grootsten van deze demonen, vertelde de Here mij, kregen hun bevelen regelrecht van satan.
Jezus en ik liepen verder op het voetpad tot we weer bij een put kwamen. Kreten van pijn, onvergetelijke,
smartelijke geluiden kon men overal horen. Mijn Heer, dacht ik, wat zal er nu volgen? Wij liepen vlak
langs sommigen van de boze wezens, die ons niet schenen te zien, en wij stopten bij nog een vuur- en
zwavelput. In deze put was een zwaargebouwde man. Ik hoorde hem het Evangelie prediken. Ik keek vol verbazing
naar Jezus, wachtend op Zijn antwoord want Hij kende altijd mijn gedachten. Jezus zei: "Terwijl hij op
aarde was, was hij een prediker van het Evangelie. Er was een tijd dat hij de waarheid sprak en Mij diende".
Ik vroeg me af wat deze man in de hel deed. Hij was ongeveer 2 meter lang, en zijn skalet was van een
vuile grijsachtige kleur, zoals een grafsteen. Delen van zijn kleren hingen nog aan hem. Ik vroeg mij
af waarom de vlammen deze gescheurde en voddige kleren niet verbrand hadden. Brandend vlees hing aan
hem, en zijn schedel scheen in vlammen te zijn. Een afschuwelijke geur ging er van hem uit. Ik lette
op de man en zag dat hij zijn handen spreidde alsof hij een boek vasthield en hij begon schriftgedeelten
te lezen uit dit schijnboek. Weer herinnerde ik mij wat Jezus had gezegd: "Je houdt al je zintuigen in
de hel, en ze werken veel intensiever dan voorheen". De man las tekst na tekst, en ik dacht dat het goed
was. Jezus zei tegen de man met grote liefde in Zijn stem: "Zwijg, wees stil". Onmiddellijk stopte de
man met spreken en langzaam wendde hij zijn hoofd om naar Jezus te kijken.
Ik zag de ziel van de man binnenin zijn skaletachtige vorm. Hij zei tegen de Heer: "Heer, nu wil ik de
waarheid prediken aan alle mensen. Nu, Heer, ben ik gereed om uit te gaan en anderen over deze plaats
te vertellen. Ik weet dat ik terwijl ik op aarde was, niet in een hel geloofde, noch geloofde ik dat
U zou wederkomen. Ik predikte wat de mensen wilden horen en ik compromitteerde de waarheid tegenover
de mensen in mijn kerk. Ik weet dat ik van niemand hield die van een ander ras was, of een andere huidskleur
had, en ik was er de oorzaak van dat velen van U afvielen. Ik maakte mijn eigen regels aangaande de hemel
en wat betrof goed en kwaad. Ik weet dat ik velen op een dwaalweg bracht en dat velen struikelden over
Uw heilig Woord. Ook nam ik geld van de armen. Maar Heer, laat mij hieruit, en ik
zal het goede doen. Ik zal geen geld meer van de kerk nemen. Ik heb me
reeds bekeerd. Ik zal mensen van elk ras en elke kleur liefhebben".
Jezus zei: "U heeft niet alleen het Heilige Woord van God verdraaid en er een valse voorstelling van
gegeven, maar u loog toen u zei dat u de waarheid niet kende. De genoegens van het leven waren belangrijker
voor u dan de waarheid. Ikzelf bezocht u en trachtte u te bekeren, maar u wilde niet luisteren. U ging
uw eigen weg en het kwaad was uw meester. U kende de waarheid, maar u wilde geen berouw tonen of tot
Mij terugkeren. Ik was er al die tijd. Ik wachtte op u, Ik wilde dat u zich zou bekeren, maar u deed
het niet. En nu is het oordeel gesteld".
Er was erbarmen te lezen op Jezus' gezicht. Ik wist dat als de man acht had geslagen op het roepen van
de Verlosser, hij hier nu niet zou zijn. O mensen, alstublieft, luister naar Hem.
Jezus sprak weer tegen de afvallige: "U had de waarheid moeten spreken, dan had u velen tot gerechtigheid
gebracht met Gods Woord, dat zegt dat alle ongelovigen hun deel zullen hebben in de poel van vuur en
zwavel". "U kende de weg van het kruis. U kende de weg der gerechtigheid. U wist hoe de waarheid tegen
te spreken; maar satan vulde uw hart met leugens, en u ging de weg van de zonde. U had u in oprechtheid
moeten bekeren, niet gedeeltelijk. Mijn Woord is de waarheid. Het liegt niet. En nu is het te laat, te
laat". Bij die woorden schudde de man zijn vuist tegen Jezus en vervloekte Hem.
Bedroefd liepen Jezus en ik door naar de volgende put. De afvallige prediker was nog altijd boos op Jezus en
vervloekte Hem. Toen wij langs de vuurputten liepen strekten de verlorenen hun handen uit naar Jezus, en riepen klagend
om genade. Hun knokige handen en armen waren grijszwart van het branden - er was geen levend vlees of bloed, geen
organen, alleen de dood en doodsheid. Binnenin mij schreide ik: O aarde, heb berouw over uw zonden. Als u zich niet
bekeert komt u hier. Stop, voor het te laat is.
Wij stonden weer stil bij een put. Ik had zo'n medelijden met al die mensen, en voelde zo'n grote droefheid dat ik
lichamelijk zwak was en bijna niet kon blijven staan. Mijn lichaam schokte van het snikken. "Jezus, ik heb zo'n pijn
van binnen", zei ik. Vanuit de put sprak de stem van een vrouw tegen Jezus. Zij stond middenin de vlammen, die haar
hele lichaam overdekten. Haar gebeente was vol wormen en dood vlees. Terwijl de vlammen opflikkerden om haar heen, stak
zij haar handen uit naar Jezus, en huilde: "Laat mij eruit. Ik zal U nu mijn hart geven, Jezus, ik zal anderen
vertellen over Uw vergiffenis. Ik zal voor U getuigen, Ik smeek U, alstublieft, laat mij hieruit!" Jezus zei: "Mijn
Woord is de waarheid, en het verkondigt dat allen berouw moeten tonen, zich van hun zonden moeten bekeren en Mij vragen
in hun leven te komen, als zij willen ontkomen aan deze plaats. Er is vergeving van zonden door Mijn bloed. Ik ben
getrouw en rechtvaardig en zal allen vergeven die tot Mij komen. Ik zal hen niet afwijzen".
Hij keerde Zich om, keek naar de vrouw en zei: "Als u naar Mij had geluisterd en tot Mij was gekomen en u bekeerd had,
had Ik u vergeving geschonken". De vrouw vroeg: "Heer, is er geen manier om hieruit te komen?" Jezus sprak heel zacht:
"Vrouw", zei Hij: "U kreeg vele gelegenheden om u te bekeren, maar u verhardde uw hart en wilde niet. En u kende Mijn
Woord dat zegt dat alle hoereerders hun deel in de poel des vuurs zullen hebben".
Jezus keerde Zich tot mij en zei: "Deze vrouw had zondige affaires met vele mannen, en zij veroorzaakte vele gebroken
huwelijken. Toch, door dit alles heen had Ik haar nog lief. Ik kwam tot haar, niet met veroordeling, maar met
behoudenis. Ik zond haar velen van Mijn dienaren, opdat zij zich zou bekeren van haar boze weg, maar zij wilde niet.
Toen zij een jonge vrouw was, riep Ik haar, maar zij bleef het kwade doen. Zij deed vele verkeerde daden, toch zou Ik
haar vergeven hebben, als zij tot Mij was gekomen. Satan kwam binnen bij haar, en zij werd bitter en wilde anderen niet
vergeven. Zij ging alleen naar de kerk om mannen te krijgen. Zij vond ze en verleidde ze. Was zij maar tot Mij gekomen
dan waren al haar zonden weggewassen door Mijn bloed. Een deel van haar wilde Mij dienen, maar men kan niet terzelfder
tijd God en satan dienen. Elk mens moet kiezen wie hij wil dienen". "Here" schreide ik: "Geef mij de kracht om door te
gaan". Ik beefde van mijn hoofd tot mijn voeten vanwege de verschrikkingen van de hel. Jezus zei tegen mij: "Vrede zij
u, wees stil". "Help mij, Heer", riep ik. "Satan wil niet dat wij de waarheid weten over de hel. In mijn wildste dromen
heb ik nooit kunnen denken dat de hel zo zou zijn. Lieve Jezus, wanneer zal hier een eind aan komen?"
"Mijn kind" antwoordde Jezus: Alleen de Vader weet wanneer het einde zal komen". Toen sprak Hij nog eens: "Vrede, wees
stil". Toen kwam er grote kracht over mij.
Jezus en ik bleven voortgaan langs de putten. Ik wilde ieder persoon die we passeerden wel uit het vuur trekken en
vlug aan de voeten van Jezus brengen. Van binnen weende ik zeer. Ik dacht bij mezelf: Ik wil niet dat mijn kinderen
hier ooit komen. Eindelijk keerde Jezus Zich tot mij en zij rustig: "Mijn kind, wij zullen nu naar je huis gaan.
Morgennacht keren we terug naar dit deel van de hel".
Toen ik weer thuis was schreide en schreide ik. Gedurende de dag herleefde ik de hel en de afgrijselijke toestand van
al die mensen daar. Ik vertelde iedereen die ik ontmoette overdag over de hel. Ik zei hun dat de pijn van de hel
onbeschrijfelijk was.
U, die dit boek leest, smeek ik: alstublieft, bekeer u van uw zonden. Roep Jezus aan en vraag Hem u te redden. Roep Hem
vandaag aan. Wacht niet tot morgen. Er is misschien geen morgen voor u. Er is nog weinig tijd. Val op uw knieën en
word gereinigd van uw zonden. Wees goed voor elkaar. Terwille van Jezus, wees vriendelijk en vergevensgezind jegens
elkander. Als u kwaad bent op iemand, vergeef hem. Geen ruzie is het waard om voor naar de hel te gaan. Wees
vergevensgezind, zoals Christus ons onze zonden vergeeft. Jezus is in staat om ons te bewaren als wij een berouwvol
hart hebben en zal ons met Zijn bloed reinigen van alle zonden. Heb uw kinderen lief, en heb uw naaste lief als
uzelf.
De volgende nacht gingen Jezus en ik nogmaals het rechterbeen van de hel binnen. Evenals de vorige keren zag ik de liefde die Jezus had voor de verloren zielen in de hel. En ik voelde Zijn liefde voor mij en voor allen die op aarde waren. "Kind", zei Hij tegen mij: "Het is niet de Vaders wil dat iemand verloren gaat. Satan bedriegt velen, en zij volgen hem. Maar bij God is vergeving. Hij is een God van liefde. Als deze verlorenen werkelijk tot de Vader waren gekomen en berouw hadden getoond, Hij zou ze vergeven hebben". Grote tederheid kwam over Jezus' gelaat terwijl Hij sprak.
Weer liepen wij tussen de vlammende putten en passeerden mensen die martelingen ondergingen, zoals ik eerder
beschreef. Mijn Heer, mijn Heer, zulke verschrikkingen! dacht ik. Wij bleven maar doorlopen en kwamen langs vele, vele
zielen die brandden in de hel. Overal langs het voetpad strekten brandende handen zich uit naar Jezus. Er waren alleen
botten waar vlees had moeten zijn - een grijsachtige massa met brandend en ontbindend vlees dat in flarden neerhing.
Binnenin elke skaletvorm was een vuilgrijze nevelige ziel, voor altijd gevangen binnenin een uitgedroogd geraamte. Ik
kon aan hun gehuil horen dat zij het vuur, de wormen, de pijn en de hopeloosheid van hun toestand voelden. En hun
geklaag vulde mijn ziel met een leed zo groot dat ik het niet kan beschrijven. Hadden ze maar geluisterd,
dacht ik, dan zouden ze hier niet zijn.
Ik wist dat de verlorenen in de hel al hun zintuigen hadden. Zij herinnerden zich alles wat hun ooit verteld was. Zij
wisten dat zij niet aan de vlammen konden ontkomen en dat zij voor altijd verloren waren. Toch, al waren zij zonder
hoop, toch hoopten zij terwijl zij tot Jezus riepen om genade. Wij stopten bij de volgende put. Die was precies eender
als al die andere putten. Daarbinnen was de vorm van een vrouw, iets wat ik wist toen ik haar stem hoorde. Zij
schreeuwde het uit tot Jezus om bevrijding van de vlammen. Jezus keek met liefde naar de vrouw en zei: "Terwijl u op
aarde was, riep Ik u om tot Mij te komen. Ik pleitte bij u om alles met Mij in orde te maken voordat het te laat was.
Ik bezocht u vele malen midden in de nacht om u te vertellen over Mijn liefde. Ik probeerde u over te halen en trok u
tot Mij door Mijn Geest.
'Ja Heer', zei u: Ik zal U volgen'. Met uw lippen zei u dat u Mij liefhad, maar uw hart meende het niet. Ik wist waar
uw hart was. Dikwijls zond Ik Mijn boodschappers naar u toe om u te vertellen dat u zich moest bekeren, en tot Mij
moest komen, maar u wilde niet naar Mij luisteren. Ik wilde u gebruiken om anderen te bedienen, om anderen te helpen
Mij te vinden, maar u wilde niet naar Mij luisteren, noch wilde u tot berouw van uw zonden komen". De vrouw zei tot
Jezus: "U herinnert U Heer, dat ik naar de kerk ging en een goede vrouw was. Ik bezocht de kerk. Ik was lid van Uw
kerk. Ik wist dat Uw roeping op mijn leven was. Ik wist dat ik die roeping moest gehoorzamen wat het ook mocht kosten,
en ik deed het ook". Jezus zei: "Vrouw, u bent nog altijd vol leugens en zonde. Ik riep u, maar u wilde niet naar Mij
luisteren! Het is waar, u was lid van een kerk, maar dat brengt u niet in de hemel. Uw zonden waren vele, en u bekeerde
zich niet. U was er de reden van dat anderen struikelden bij het horen van Mijn Woord. U wilde anderen niet vergeven
wanneer zij u pijn deden. U deed alsof u Mij liefhad en Mij diende wanneer u met christenen was, maar u loog, bedroog
en stal wanneer er geen christenen in uw omgeving waren. U luisterde naar misleidende geesten en genoot van uw dubbel
leven. U kende de rechte smalle weg".
"En", zei Jezus: "u sprak bovendien met twee monden. U sprak kwaad over uw broeders en zusters in Christus. U
veroordeelde hen en dacht dat u heiliger was dan zij, terwijl er grote zonde in uw hart was. Dit weet Ik: U wilde niet
naar Mijn liefdevolle Geest van erbarmen luisteren. U oordeelde naar de buitenkant van een persoon, zonder rekening te
houden met het feit dat velen kinderen in het geloof waren. U was erg hard". "Ja, u zei met uw lippen dat u Mij
liefhad, maar uw hart was verre van Mij. U kende de wegen van de Here. U speelde met God, en God weet alle dingen. Als
u God oprecht had gediend zou u hier vandaag niet zijn. U kunt niet terzelfder tijd satan en God dienen".
Jezus keerde Zich naar mij toe en zei: "In de laatste dagen zullen velen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten volgen en de zonde dienen. Gaat weg uit hun midden, en scheidt u af. Wandelt niet de weg met hen". Toen wij wegliepen begon de vrouw Jezus te verwensen en te vervloeken. Zij gilde en huilde van woede. Wij wandelden door. Ik voelde me zo zwak in mijn lichaam.
In de volgende put was ook de vorm van een geraamte. Ik rook de geur van de dood zelfs voordat wij
arriveerden. Dit skalet zag er net uit als de anderen.
Ik vroeg mij af wat deze ziel gedaan had dat zij verloren en zonder hoop, zonder toekomst zou zijn, behalve
een eeuwigheid in deze angstwekkende plaats. Hel is voor eeuwig. Als ik het huilen van de gefolterde
zielen hoorde, huilde ik ook. Ik luisterde, toen een vrouw vanuit de vlammen van de put tot Jezus sprak.
Zij haalde het Woord van God aan. "Lieve Heer, wat doet zij hier?" vroeg ik. "Luister", zei Jezus. De
vrouw zei: "Jezus is de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Hem. Jezus
is het Licht van de wereld. Kom tot Jezus, en Hij zal u redden".
Terwijl zij sprak luisterden velen van de verloren zielen om haar heen. Sommigen vervloekten haar. Sommigen
zeiden haar ermee te stoppen. Nog weer anderen zeiden: "Is er werkelijk nog hoop?", of "Help ons, Jezus".
Smartelijk geschreeuw vulde de lucht. Ik begreep niet wat er gebeurde. Ik wist niet waarom de vrouw het
Evangelie hier predikte.
De Here kende mijn gedachten. Hij zei: "Kind, Ik riep deze vrouw toen zij dertig was om Mijn Woord te
prediken en een getuige van het Evangelie te zijn. Ik roep verschillende mensen voor verschillende doelen
in Mijn lichaam. Maar als een man of vrouw of jongen of meisje Mijn Geest niet wil ontvangen, zal Ik
weggaan. "Zij beantwoordde Mijn roepstem vele jaren lang en zij groeide in de kennis van de Here. Zij
leerde Mijn stem kennen en deed vele goede werken voor Mij. Zij bestudeerde het Woord van God. Zij bad
veel en vele van haar gebeden werden beantwoord. Zij onderwees veel mensen de weg der heiligheid. Zij
was getrouw in haar huis".
"De jaren gingen voorbij tot zij op een dag ontdekte dat haar man een affaire met een andere vrouw had.
En ook al vroeg hij haar om vergeving, toch werd zij bitter, zij wilde hem niet vergeven en proberen
om haar huwelijk te redden. Het is waar, haar man had verkeerd gedaan, hij bedreef een zeer ernstige
zonde". "Maar deze vrouw kende Mijn Woord. Zij wist hoe te vergeven, en zij wist dat er bij iedere verzoeking
uitkomst was. Haar man vroeg haar hem te vergeven. Zij wilde niet. In plaats daarvan wortelde boosheid
in haar. Woede groeide in haar. Zij wilde het niet aan Mij overgeven. Zij werd iedere dag bitterder en
zei in haar hart: Hier ben ik, ik dien God volkomen, en mijn man loopt een andere vrouw na. "Denkt U
dat dat juist is?" vroeg zij Mij. "Ik zei: "Nee, het is niet goed. Maar hij kwam naar je toe en had berouw
en zei dat hij het nooit meer zou doen". "Ik zei tegen haar: "Dochter, kijk bij jezelf naar binnen, dan
zul je zien dat jij de oorzaak ervan was". "Ik niet, Here", zei ze: "Ik ben de heilige, en hij is de
zondige". Zij wilde niet naar Mij luisteren.
"De tijd ging voorbij en zij wilde niet tot Mij bidden of de bijbel lezen. Zij werd niet alleen boos
op haar man, maar ook op de mensen om haar heen. Zij haalde de schrift aan, maar zij wilde hem niet vergeven".
"Zij wilde niet naar Mij luisteren. Zij werd zo bitter dat grote zonde haar hart binnenkwam. Haar hart
dat eens vol liefde was, werd moordlustig. En op een dag, in haar boosheid, doodde zij haar man en die
andere vrouw. Satan nam geheel bezit van haar en toen doodde zij zichzelf".
Ik keek naar die verloren ziel die Christus uit haar leven had weggedaan en haar eigen ziel voor eeuwig
had veroordeeld tot de vlammen en de pijn. Ik luisterde toen zij tegen Jezus zei: "Ik zal nu vergeven,
Here", zei ze. "Laat mij hieruit. Ik zal U nu gehoorzamen. Hoor maar Heer, ik predik nu Uw Woord. Over
een uur zullen de demonen komen om mij mee te nemen om nog verschrikkelijker te martelen. Zij zullen
mij urenlang folteren. Omdat ik Uw Woord aan het prediken was zijn mijn martelingen erger. Alstublieft
Heer, ik smeek U, laat mij eruit". Ik huilde mee met de vrouw in de put en vroeg de Here om mij alstublieft
te bewaren voor een bitter hart. "Laat mij niet toestaan dat bitterheid mijn hart binnenkomt, Here Jezus",
zei ik. "Kom, laten we gaan", zei Jezus.
In de volgende put was de ziel van een man omgeven door zijn skaletvorm, roepende tot Jezus: "Heer, help mij te
begrijpen waarom ik hier ben". Jezus zei: "Kalm, wees stil. U weet waarom u hier bent". "Laat mij eruit en ik zal goed
zijn". smeekte de man. De Here zei: "Zelfs in de hel liegt u nog".
Toen keerde Jezus Zich tot mij en zei: "Deze man was 23 jaar oud toen hij hier kwam. Hij wilde niet luisteren
naar Mijn Evangelie. Hij hoorde Mijn Woord vele malen en was dikwijls in Mijn huis. Ik trok hem door
Mijn Geest tot Mijn behoudenis, maar hij wilde de wereld en haar lusten. Hij hield van drinken en wilde
geen acht geven op Mijn roepen. Hij was opgegroeid in de kerk, maar hij wilde zich niet aan Mij overgeven.
Op een dag zei hij tegen Mij: "Eens op een dag zal ik mijn leven aan U geven, Jezus". Maar die dag kwam
niet. Op een nacht na een feestje was hij in een auto-ongeluk en werd gedood. Satan bedroog hem tot het
einde toe. "Hij werd onmiddellijk gedood. Hij wilde niet luisteren naar Mijn geroep. Anderen werden ook
in het ongeval gedood. Satans werk is te slachten, te stelen en te vernietigen. Had deze jonge man maar
geluisterd! Het is niet de wil van de Vader dat iemand verloren gaat. Satan wilde de ziel van deze man,
en hij beroofde zichzelf ervan, door onverschilligheid, zonde en sterke drank. Elk jaar worden er vele
gezinnen en levens vernietigd vanwege de alcohol".
Konden mensen maar zien dat de begeerten en lusten van de wereld slechts tijdelijk zijn! Als u tot de Here Jezus
komt zal Hij u verlossen van de sterke drank. Roep Jezus aan en Hij zal u horen en helpen. Hij wil uw vriend zijn.
Onthoud dat Hij u liefheeft, en dat Hij ook de macht heeft om zonden te vergeven. Getrouwe christenen, Jezus waarschuwt
u dat u geen overspel mag plegen. En als u iemand begeert van het andere geslacht, zelfs wanneer u geen overspel
pleegt, kan dit overspel in uw hart zijn. Jonge mensen, ga drugs en sexuele zonden uit de weg. Mocht u gezondigd
hebben, dan zal God u vergeven. Roep Hem aan terwijl er nog tijd is. Zoek sterke christelijke volwassenen, en vraag hun
of u met hen kan praten over uw problemen. U zult blij zijn dat u tijd ervoor uitgetrokken hebt nu, in deze wereld,
voordat het te laat is. Satan komt als een engel des lichts om de wereld te bedriegen. Geen wonder dat de zonden van de
wereld deze jonge man verleidelijk toeschenen, ook al kende hij het heilige Woord van God. Nog één feestje,
dacht hij, Jezus zal het best begrijpen. Maar de dood kent geen genade. Hij wachtte te lang.
Ik keek naar de ziel van de man en ik werd aan mijn eigen kinderen herinnerd. "O God, dat zij U mogen
dienen!" Ik weet dat velen van u die dit lezen, geliefden hebben, misschien kinderen waarvan u niet wilt
dat ze naar de hel gaan. Spreek tot hen over Jezus voordat het te laat is. Zeg hen dat ze zich van hun
zonden moeten bekeren en dat God hen wil vergeven en heilig wil maken. De kreten van de man bleven dagenlang
in mij naklinken. Ik zal nooit zijn berouwvol geroep vergeten. Ik herinner mij het vlees dat hing en
brandde in de vlammen. Nooit kan ik vergeten de ontbinding, de stank van de dood, de gaten waar eens
de ogen waren, de vuilgrijze zielen en de wormen die door de beenderen heen kropen. De vorm van de jonge
man hief zijn armen op naar Jezus, pleitend, toen wij doorliepen naar de volgende put. "Lieve Heer",
bad ik: Geef mij de kracht om door te gaan".
Ik hoorde een vrouwenstem wanhopig schreeuwen. Het gegil van de doden was overal te horen. We stonden
nu bij de put waarin de vrouw was. Zij pleitte met haar
hele
ziel of Jezus haar daaruit wilde halen. "Heer", zei ze: "Ben ik hier nu niet lang genoeg geweest? De
foltering is meer dan ik kan dragen. Alstublieft Heer, laat mij eruit!" Snikken schokten haar vorm, en
er was veel pijn in haar stem. Ik wist dat zij erg leed. Ik zei: "Jezus, is er niets wat U kunt doen?"
Jezus sprak toen tegen de vrouw: "Toen u op aarde was, riep Ik u aanhoudend om tot Mij te komen. Ik smeekte
u om het met Mij in orde te maken, om anderen te vergeven, recht te doen, weg te blijven van de zonde.
Ik bezocht u zelfs in het middernachtelijk uur, en trok u steeds weer door Mijn Geest. Met uw lippen
zei u dat u Mij liefhad, maar uw hart was verre van Mij. Wist u niet dat niets voor God verborgen kan
blijven? U hield anderen voor de gek, maar Mij kunt u niet voor de gek houden. Ik bleef anderen zenden
om u te vertellen dat u zich moest bekeren, maar u wilde niet luisteren. U wilde niet horen, u wilde
niet zien, en in boosheid stuurde u hen weg. Ik plaatste u daar waar u Mijn Woord kon horen. Maar u wilde
uw hart niet aan Mij geven". "U voelde geen spijt, u schaamde zich niet voor wat u deed. U verhardde
uw hart en wees Mij af. Nu bent u verloren en voor altijd in het verderf gestort. U had naar Mij moeten
luisteren".
Bij deze woorden keek zij naar Jezus en begon te vloeken en God te verwensen. Ik voelde de tegenwoordigheid
van boze geesten en wist dat zij het waren die vloekten en vervloekten. Hoe droevig om voor altijd in
de hel verloren te zijn! Wedersta de duivel, terwijl u het nog kunt, en hij zal van u vlieden. Jezus
zei: "De wereld en alles wat erin is zal voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan".
Ik probeerde mij te herinneren wat ik had horen prediken over de hel. Maar nooit had ik over zulke verschrikkelijke dingen horen spreken als de Here mij had laten zien. De hel was oneindig veel erger dan wie dan ook kon bedenken of zich voorstellen. Het doet mij zoveel pijn te weten dat de zielen die nu in de hel gefolterd worden daar voor eeuwig zullen blijven. Er is geen mogelijkheid om eruit te komen. Ik ben vastbesloten om alles te doen wat in mijn vermogen ligt om zielen te redden van deze vreselijke plaats. Ik moet het Evangelie prediken aan iedereen die ik ontmoet, want de hel is verschrikkelijk en dit is een waar verslag. Realiseert u zich wat ik zeg? Als zondaars zich niet bekeren en het Evangelie niet geloven, zullen zij zonder de minste twijfel hier terechtkomen. Geloof in de Here Jezus Christus en doe een beroep op Hem om u te redden van de zonde. Lees de hoofdstukken drie en veertien van het Evangelie van Johannes. En lees alstublieft dit boek van kaft tot kaft opdat u alles aangaande de hel en het hiernamaals beter zult kunnen begrijpen. En terwijl u leest, bid Jezus of Hij uw hart wil binnenkomen en uw zonden wil wegwassen voordat het te laat is.
Jezus en ik liepen verder door de hel. Het pad was verbrand, droog, gebarsten en kaal. Ik zag rijen putten zover als
ik kon zien. Ik was erg vermoeid. Mijn geest was gebroken vanwege alles wat ik gezien en gehoord had en ik wist dat er
nog meer in het verschiet was. "Jezus, geef mij de kracht om door te gaan", schreide ik. Wanneer Jezus voor mij
uitging, liep ik vlak achter Hem. Ik was vol leed over al de vreselijke dingen die ik had gezien. Ik vroeg mezelf af of
de wereld mij zou willen geloven. Ik keek naar links en naar rechts en achterom - er waren vuurputten zover als ik kon
kijken. Ik was omringd door het vuur, de vlammen en de brandende zielen. Ik schreeuwde het uit van pure angst. De
verschrikkingen en de realiteit van wat ik zag was ondragelijk voor mij.
"O aarde, bekeer u", riep ik. Mijn geest schokte van het snikken als ik met Jezus voortging. Ik vroeg me af wat er nu
kwam. Ik vroeg me af wat mijn familie en vrienden op dat moment deden. O, wat hield ik veel van ze! Ik herinnerde mij
hoe ik had gezondigd voordat ik naar Jezus terugkeerde, en ik dankte God dat ik teruggekomen was voordat het te laat
was.
Jezus zei: "Wij gaan een tunnel binnen die ons naar de buik van de hel zal voeren. De hel heeft de vorm van een
menselijk lichaam dat in het centrum van de aarde ligt. Het lichaam ligt op de rug met beide armen en beide benen
uitgestrekt. Zoals Ik een lichaam van gelovigen heb, zo heeft de hel een lichaam van zonde en dood. Evenals het
Christus-lichaam dagelijks opgebouwd wordt, zo wordt ook het hel-lichaam dagelijks opgebouwd". Op weg naar de tunnel
liepen we langs de vlammende putten, terwijl de kreten en de klachten van de verdoemden in mijn oren klonken. Velen
riepen om Jezus wanneer wij langs liepen. Anderen probeerden uit de vuur- en zwavelputten te klimmen om Hem te
bereiken, maar zij konden het niet. Te laat, te laat, weende mijn hart.
Jezus' gelaat was steeds vol droefheid terwijl wij voortliepen. Ik herinner me dat ik keek naar de putten van vuur
denkend over de vele keren dat wij op onze achterplaats een "barbecue" hadden en hoe de roodhete kolen eruitzagen
wanneer ze urenlang gesmeuld hadden. Het leek veel op wat ik nu in de hel zag.
Ik was zo dankbaar toen we de tunnel binnengingen. Ik dacht: de tunnel kan onmogelijk zo erg zijn als de putten.
Maar wat vergiste ik me! Zodra we erin waren begon ik grote slangen te zien, grote ratten en vele boze geesten, die
allemaal wegrenden van de tegenwoordigheid van de Here. De slangen sisten tegen ons en de ratten piepten. Er waren veel
kwade geluiden. Adders en donkere schaduwen waren overal om ons heen. Jezus was het enige licht dat te zien was in de
tunnel. Ik bleef zo dicht naast Hem als ik maar kon. Duiveltjes en duivels bedekten de zijkanten van dit hol en zij
gingen allemaal ergens naar omhoog en dan de tunnel uit. Later ontdekte ik dat deze boze geesten naar het aardoppervlak
gingen om satan te gehoorzamen. Jezus voelde mijn vrees voor deze donkere, vuile, vochtige plaats en zei: "Vrees niet;
we zullen spoedig aan het eind van de tunnel zijn. Ik moet je deze dingen laten zien. Kom, volg Mij". Reusachtige
slangen glibberden ons voorbij. Sommige van de slangen waren ruim een meter dik en zes meter lang. Zware, vuile geuren
vulden de lucht en overal waren boze geesten.
Jezus sprak: "Wij zullen al gauw bij de buik van de hel zijn. Dat deel van de hel is 20 kilometer hoog en 4 kilometer
in de rondte, als een cirkel", Jezus gaf mij de juiste maten.
Ik wil mijn best doen om neer te schrijven en te vertellen wat ik zag. Dit wil ik doen voor de glorie van de Vader, de glorie van de Zoon en de glorie van de Heilige Geest. Moge de wil van God gedaan worden. Ik wist dat Jezus mij al deze dingen liet zien opdat ik de mannen en vrouwen van de wereld kon vertellen te allen tijde en ten koste van alles de hel te mijden. Geliefden, als u dit aan het lezen bent en u kent Jezus nog niet, stop nu onmiddellijk, heb berouw van uw zonden en vraag Hem of Hij uw Redder wil zijn.
Vóór ons kon ik een flauw, geel licht zien. Jezus en ik hadden de tunnel van vrees verlaten en stonden nu op een vuile, brede richel die de buik van de hel overzag. Zo ver als ik kon kijken was er heel veel bedrijvigheid gaande in het centrum (de buik) van de hel. Wij stopten en Jezus sprak: "Ik zal je nu door het centrum van de hel leiden en Ik zal je vele dingen openbaren. Kom, volg Mij". Wij wandelden samen verder. Jezus zei: "Vóór ons zijn vele verschrikkingen. Die zijn niet het verdichtsel van iemands verbeelding - maar werkelijkheid. Denk eraan dat je je lezers vertelt dat de demonen werkelijk bestaan. Zeg ze ook dat satan waarlijk bestaat en dat de machten der duisternis reëel zijn. Maar zeg hun niet te wanhopen, want als Mijn volk waarover Mijn naam is uitgeroepen, zich verootmoedigt, en zij bidden en zoeken Mijn aangezicht, en bekeren zich van hun boze wegen, dan zal Ik uit de hemel horen, en hun land en lichamen herstellen. Even zeker als de hemel bestaat, bestaat ook de hel". God wil dat u kennis hebt van de hel, en Hij wil u bewaren voor die plaats. God wil dat u weet dat er een weg ter ontkoming is. Die weg is Jezus Christus, de Redder van uw ziel. Onthoud dat alleen zij, wier namen geschreven staan in het Boek des Levens van het Lam, gered zullen worden.
Wij kwamen bij de eerste bedrijvigheid in het centrum van de hel. Toen wij binnenkwamen was het aan de rechterkant
en op een kleine heuvel in een donkere hoek van de hel. Ik herinnerde mij de woorden van de Here toen Hij tot mij zei:
"Soms zal het je toeschijnen dat Ik je verlaten heb, maar dat is niet zo. Onthoud dat Ik alle macht heb, in de hemel en
op aarde. Er zullen tijden zijn dat de boze geesten en verloren zielen ons niet zullen zien of weten dat wij hier zijn.
Vrees niet. Wat je straks zult zien gebeurt echt. Deze dingen gebeuren op dit moment en zullen blijven gebeuren totdat
de dood en de hel in de poel van vuur geworpen worden". Beste lezer, overtuig u ervan dat uw naam staat geschreven in
het Boek des Levens van het Lam.
Niet ver bij ons vandaan kon ik stemmen horen en de kreten van een gefolterde ziel. We liepen het heuveltje op en keken
over de top heen. Aan de andere kant was een licht dat de omgeving verlichtte. Een gekrijs zoals je nooit gedacht had
dat mogelijk was, vulde de lucht. Het waren de kreten van een man.
"Luister naar Mij", zei Jezus. "Wat je nu zult zien en horen is waar. Geeft acht, gij dienaars van het Evangelie, want
deze woorden zijn getrouw en waarachtig. Waakt op, evangelisten en leraars van Mijn Woord, gij allen die geroepen zijt
om het Evangelie van de Here Jezus Christus te prediken. Als u zondigt, bekeert u, of u zult evenzo verloren gaan".
Wij naderden tot op zo'n vijf meter van deze activiteit. Ik zag kleine donkergeklede figuren rondom
een kistachtig voorwerp marcheren. Bij nader bezien bleek dat de kist een doodkist was en de figuren
die er rondom marcheerden demonen waren. Het was een echte doodkist, en 12 demonen marcheerden er omheen.
Terwijl zij marcheerden zongen en lachten zij. Elk van hen had een scherpe speer in zijn hand die hij
telkens stootte door kleine openingen die in de buitenkant aangebracht waren. Er was een sfeer van grote
angst in de lucht, en ik beefde toen ik zag wat er gebeurde. Jezus kende mijn gedachten, want Hij zei:
"Kind, er zijn vele zielen die hier gefolterd worden, en er zijn vele verschillende soorten van foltering
voor deze zielen. Er is een grotere straf voor hen die eens het Evangelie predikten maar weer in zonde
vielen, dan voor hen die de roeping van God voor hun leven niet wilden gehoorzamen". Ik hoorde een schreeuw
zo vertwijfeld dat het mijn hart vulde met wanhoop. "Geen hoop, geen hoop!" riep hij uit. De hopeloze
kreten kwamen uit de doodkist. Het was een eindeloze klacht van wroeging. "O, wat verschrikkelijk!" riep
ik. "Kom", zei Jezus: "laten we dichterbij gaan". Hij liep naar de doodkist en keek naar binnen. Ik volgde
en keek ook naar binnen. Het bleek dat de boze geesten ons niet konden zien.
Een vuilgrijze mist vulde de doodkist. Het was de ziel van een man. Terwijl ik toekeek, stootten de demonen
hun speren in de ziel van de man in de doodkist. Ik zal nooit het lijden van deze ziel vergeten. Ik riep
tegen Jezus: "Laat hem eruit, Heer; laat hem eruit". De foltering van deze ziel was een ontzettend gezicht.
Mocht hij toch maar bevrijd worden. Ik trok aan Jezus' hand en smeekte Hem om de man uit de doodkist
te laten. Jezus zei: "Mijn kind, zwijg, wees stil".
Terwijl Jezus sprak zag de man ons. Hij zei: "Heer, Heer, laat mij eruit. Ontferm U!" Ik keek naar omlaag
en zag een bloederige massa. Voor mijn ogen was een ziel. Binnenin de ziel was een menselijk hart, en
het bloed spoot eruit. de steken van de speren doorboorden letterlijk zijn hart.
"Ik zal U nu dienen, Heer", smeekte hij: "Alstublieft, laat mij eruit". Ik wist dat deze man iedere speer
voelde die zijn hart doorboorde. "Dag en nacht wordt hij gemarteld", zei de Here. "Hij werd hier door
satan gebracht en het is satan die hem foltert". De man huilde: "Heer, ik zal nu het ware Evangelie prediken.
Ik zal de mensen vertellen over zonde en hel. Maar alstublieft, help me hieruit".
Jezus
zei: "Deze man was een prediker van het Woord van God. Er was een tijd dat hij Mij diende met zijn hele
hart en vele mensen tot bekering bracht. Vandaag, vele jaren later, dienen sommigen van hen Mij nog altijd.
Maar de lust van het vlees en het bedrog van de rijkdom brachten hem op een dwaalweg. Hij liet toe dat
satan de heerschappij over hem voerde. Hij had een grote kerk, een mooie auto, een groot inkomen. Hij
begon te stelen van de collecte. Hij begon leugens te onderwijzen. Hij sprak voornamelijk halve leugens
en halve waarheden. Hij wilde Mij niet toestaan hem te corrigeren. Ik zond Mijn boodschapper om hem te
vertellen dat hij zich moest bekeren en de waarheid moest prediken, maar hij had meer liefde voor de
genietingen van dit leven dan voor het leven van God. Hij had nooit geleerd om enige andere leerstelling
te onderwijzen of te prediken dan de waarheid zoals die in de Bijbel wordt geopenbaard. Maar voordat
hij stierf, zei hij dat de doop in de Heilige Geest een leugen was en dat zij, die er aanspraak op maakten
dat ze de Heilige Geest hadden, huichelaars waren. Hij zei dat je als je een dronkaard was toch naar
de hemel ging, zelfs zonder berouw. Hij zei dat God niemand naar de hel stuurde - dat God daarvoor te
goed was. Hij was er de oorzaak van dat vele goede mensen afvallig werden. Hij zei zelfs dat hij Mij
niet nodig had, want hij was als een god. Hij ging zelfs zover dat hij seminaries hield om deze valse
leer te onderwijzen. Hij vertrapte Mijn heilig Woord onder zijn voeten. Toch bleef Ik hem liefhebben".
"Mijn kind, het is beter om Mij nooit gekend te hebben dan Mij te kennen en zich daarna van Mij af te
keren en Mij niet meer te dienen", zei de Here. "Had hij maar naar U geluisterd, Here!" schreide ik.
"Had hij zich maar om zijn eigen ziel en om die van anderen bekommerd". "Hij luisterde niet naar Mij.
Toen Ik hem riep wilde hij Mij niet horen. Hij hield van een gemakkelijk leventje. Ik bleef hem tot bekering
roepen, maar hij wilde niet bij Mij terugkomen. Op een dag had hij een ongeluk en kwam onmiddellijk hier.
Nu foltert satan hem omdat hij eens Mijn Woord predikte en zielen redde voor Mijn Koninkrijk. Dit is
zijn foltering".
Ik keek naar de demonen die rondom de doodkist bleven marcheren. Het hart van de man klopte en er vloeide echt bloed uit. Nimmer zal ik zijn kreten van pijn en smart kunnen vergeten. Jezus keek naar de man in de doodkist met groot erbarmen en zei: "Het bloed van vele verloren zielen kleeft aan de handen van deze man. Velen van hen worden hier op dit moment gemarteld". Met een treurig hart liepen Jezus en ik door. Toen wij doorliepen zag ik nog een groep demonen naar de doodkist toelopen. Zij waren bijna een meter lang, gekleed in zwarte kleren met zwarte kappen over hun hoofd. Zij werkten in ploegen om deze ziel te folteren. Ik dacht eraan hoe trots een ieder van ons, nu en dan, onwillig maakt om fouten toe te geven en vergeving te vragen. Wij weigeren berouw te tonen en onszelf te vernederen, en wij vervolgen onze weg alsof wij het altijd bij het rechte eind hebben. Maar luister ziel, de hel is reëel. Alstublieft, ga niet naar die plaats.
Jezus en ik liepen naar een ontgonnen terrein, waaromheen het bezaaid lag met stenen. Er waren hier
en daar lage muren, alle gemaakt van aarde en steen. Er scheen een helder licht in een terrein dat ongeveer
de grootte had van een grote danszaal. Jezus zei: "Mijn kind, zie de werken van satan". Dit is wat ik
zag en hoorde: De klanken van lieflijke muziek vulden de lucht, en middenin de danszaal op een goedverlichte
dansvloer waren vijf mooie, dansende vrouwen. Zij stonden allen in een rij en bewogen samen op de maat
van de muziek. Terwijl zij dansten, lachten zij. Het leek wel een schoonheidswedstrijd - want de vrouwen
waren buitengewoon elegant. Zij waren in feite zo aantrekkelijk dat het onwaarschijnlijk leek. Ik dacht:
Hoe kan iemand zo mooi zijn in de hel? De kleren die de vrouwen droegen waren prachtig en erg duur. Zij
zagen eruit als prinsessen zonder een enkel gebrek. Alles aan hen leek volmaakt. Ik vroeg mij af wat
zij in de hel deden. Zij zagen er niet slecht of zondig uit.
Maar toen merkte ik op dat zij meedansten met de beweging van een vuur en dat de vlammen op en neer dansten langs hun
volmaakte lichamen. Zij lachten als de vlammen hun lichamen bedekten. Zij werden niet verbrand noch voelden zij enige
pijn. Ik keek toe toen de muziek opeens stopte en de danszaal stil werd. De rij mooie vrouwen stond stil en wachtte
toen er iemand naderde. Een boosaardige aanwezigheid vulde de zaal - een kwaad dat groter was dan ik ooit eerder had
gevoeld.
En toen zag ik de achterkant van een duister persoon omhuld door schaduwen. Zijn rug was naar mij
toe en hij was gekleed in een lang kleed en een donkere cape. Naast hem waren twee mannen. Ook hún
rug was naar Jezus en mij toegekeerd. Ik wist dat zij ons niet konden zien. "Let op", zei Jezus. Ik wist
dat de boosaardige aanwezigheid satan was, want de mooie vrouwen begonnen voor hem te buigen en in koor
te roepen: "Wees gegroet satan, wees gegroet satan!" Satan begon te spreken. Hij zei: "Mijn dochters,
jullie hebben mijn bevelen gehoorzaamd en jullie zijn nu klaar om uit te gaan, naar de aarde om mijn
wil te doen. De machten der duisternis zijn jullie gegeven, en je hebt al de hulpbronnen van de hel tot
je beschikking om je te helpen in je werk".
Satan lachte kwaadaardig en zei: "Nu, om jullie in herinnering te brengen hoeveel macht ik heb, zal ik
nu demonstreren wat er zal gebeuren als jullie mij niet onvoorwaardelijk gehoorzamen". Satan zwaaide
met zijn armen over hen heen en zij begonnen tot hem te roepen: "O, alstublieft satan, niet doen. Wij
zullen u gehoorzamen en doen wat u beveelt. Alstublieft satan, folter ons niet". Maar satan luisterde
niet naar hen. Ik keek in verbazing toe toen de mooie lichamen van deze vrouwen begonnen te veranderen
in het grijze, dode vlees van de hel. Wat eens volmaakte schoonheid was geweest, werd nu weerzinwekkende
lelijkheid. De lieflijke lichamen vielen uit elkaar totdat er slechts een afschuwelijke doodsvorm overbleef.
Hun vormen waren vol van demonen en kwade geesten, en er waren grote lange slangen die uit hun maag kropen
en weg glibberden.
"Jezus, wat betekent dit?" vroeg ik. Jezus gaf mij geen antwoord. "Satan, geef ons alstublieft onze mooie
lichamen terug", smeekten de vrouwen. "Wij zullen u gehoorzamen". Gelach vulde de lucht weer toen satan
zwaaide met zijn armen en de afschuwelijke vormen weer veranderden in mooie, lieflijke vrouwen. "Luistert
naar mij en gehoorzaamt mij", zei satan tegen hen. "Doet alles wat ik jullie zeg, en dan zul je in staat
zijn om je knappe uiterlijk te behouden. Let nu op, dan zal ik jullie laten zien waar jullie mijn boze
werken ten uitvoer zullen brengen".
Hierop hief de man aan satans linkerzijde zijn arm op, en op een muur aan de oostzijde verscheen een
helder licht. Op de muur was een scherm, en op het scherm waren afbeeldingen van gewone, alledaagse plaatsen.
Satan zei: "Ga naar deze plaatsen toe en leeft en handelt als normale mensen. Misleidt vele mensen,
en
keert zovelen als je kunt van God af. Ik zal op jullie letten en iedere stap die je neemt zal mij bekend
zijn. Zorgt ervoor dat je niet ontdekt wordt, en ik zal over jullie waken". Satan hief zijn hand op naar
het scherm, en taferelen begonnen zich daarop te vertonen. Er verscheen een straat in een stad, een nachtclub,
een winkel, een bakkerswinkel, een warenhuis, een bank, een bruiloft, een rommelmarkt, een kerk en een
stadhuis. Al de plaatsen die getoond werden waren gewone plaatsen, en vele andere gelijksoortige gebouwen
liet satan hun zien op het scherm. "Jullie zullen velen misleiden en er de oorzaak van zijn dat velen
van de waarheid afwijken. Jullie zullen over de hele aarde gaan, mijn werk doen en dan terugkomen om
verslag uit te brengen. Als je hulp nodig hebt, zal ik het jullie zenden. Jullie zijn goed getraind in
het gebruik van je demonische krachten. Je opdracht is mij zielen te brengen. Je kunt ze verlokken door
toverij, valse religies en de sekten. Je kunt zwakke christenen verleiden tot zonden van het vlees. Je
kunt zaad van twijfel zaaien aangaande het Woord van God. Leidt mannen en vrouwen weg van het Evangelie
van Jezus Christus en probeer ze te vernielen".
Een hoge tafel met laden werd bij satan gebracht. Er lagen papieren op. Hij pikte ze op en begon de vrouwen vele dingen voor te lezen. Sommige dingen daarvan begreep ik, andere weer niet. "Zoek per week één ziel uit", vervolgde satan, "en werkt de hele week aan die ziel. Ik zal je drie weken geven om die ziel te verderven, en brengt dan rapport uit aan mij. Je zult aan niets gebrek hebben, want overvloedige rijkdommen staan tot je beschikking. Denkt eraan dat de ziel die je wint op haar beurt vele anderen voor mij kan winnen. Werkt hard, en ik zal je belonen. Als je gehoorzaam bent zal ik jullie ware "ik" aan de wereld openbaren. Vergeet niet dat je de macht hebt om te veranderen in welke vorm je ook wilt. Ik zal jullie alles zenden wat je nodig hebt om succesvol te zijn. Nu wil ik dat jullie gaan en mijn werk doen, en over een maand terugkomen". "Ik zal de overwinning hebben over God!" krijste satan, terwijl hij weer met zijn arm zwaaide, en de mooie vrouwen begonnen op te stijgen naar de aarde.
Ik bleef kijken en waar de vrouwen hadden gestaan bleef alleen het vuur over. Ik zag hoe satan tegen
de twee mannen die bij hem waren zei: "Kijk!" en hij wees op de muur waarop het scherm was. "Ik haat
God" zei hij, "en deze vrouwen zullen een heel goed werk voor mij doen". Ik zag in de film die op het
scherm te zien was dat de mooie vrouwen nu in de steden, winkels, kerken en cafés waren - overal
deden zij hun boze werken. Zij waren verleidende geesten, demonen van de hel, losgelaten op de aarde,
en de mensen wisten niet dat het demonen waren.
Demonische machten bestaan werkelijk, dacht ik. Zij zijn werkelijk daar op aarde en verleiden en misleiden wie ze maar
kunnen bereiken. Zij bedriegen, liegen en stelen om maar een discipel voor satan te winnen. Het filmdoek was plotseling
verdwenen en ik keek toe hoe satan en de twee mannen bij hem verdwenen in rook. Hierna liet Jezus mij een reusachtige
klok zien, die zich uitstrekte over de hele wereld. En ik hoorde de klok tikken. De uurwijzer stond bijna op 12 uur, en
de minuutwijzer rende rond tot hij stopte op drie minuten voor twaalf. Steelsgewijze bewoog de minuutwijzer naar het
uur. Terwijl hij bewoog werd het tikken luider en luider tot het de hele aarde scheen te vullen. God sprak als een
bazuin en Zijn stem klonk als vele wateren: "Luister en hoor wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wees gereed want op
een tijd dat u het niet verwacht, zak Ik wederkomen. Ik hoor de klok slaan. Het is 12 uur. De Bruidegom is gekomen om
Zijn Bruid tot Zich te nemen".
Bent u gereed voor de komst van Jezus Christus, mijn vriend? Of zult u zijn als diegenen die zeggen: "Niet vandaag,
Heer". Zult u Hem aanroepen en gered worden? Wilt u vandaag uw hart aan Hem geven? Onthoud dat Jezus u kan en wil
redden van alle kwaad, als u Hem vandaag aanroept en u bekeert. Bid voor uw familie en uw geliefden dat zij tot
Christus zullen komen voor het te laat is. Luister als Jezus zegt: "Ik zal u beschermen voor het kwaad. Ik zal u
bewaren op al uw wegen. Ik zal u redden. Ik zal uw geliefden redden. Roep Mij vandaag aan en leef".
Met vele tranen bid ik dat allen die dit boek lezen zich de waarheid zullen realiseren voordat het te laat is. De hel is voor eeuwig. Ik doe mijn uiterste best om u alles te openbaren wat ik gezien en gehoord heb. Ik weet dat deze dingen waar zijn. Als u de rest van dit boek leest, bid ik dat u zich zal bekeren en Jezus Christus zal aannemen als uw persoonlijke Verlosser. Ik hoorde de Here zeggen: "Het is tijd om te gaan. Wij zullen morgen terugkeren".
De volgende nacht gingen Jezus en ik weer de hel binnen. Wij kwamen eerst in een grote, open ruimte.
Zover als ik kon zien was men bezig met boze activiteiten. Om ons heen was een groot aantal van deze
bezigheden gaande. Ik merkte op dat er ruim drie meter bij ons vandaan, een bijzondere activiteit gaande
was - bijzonder omdat vele kwade vormen en demonische geesten zich in en uit dat bepaalde gedeelte haastten.
De scène leek op iets uit een griezelfilm. Waar ik ook keek zag ik zielen die gefolterd werden,
want de duivel en zijn kwade engelen waren druk bezig. Gegil van zielenpijn en wanhoop sneed door het
schemerdonker.
Jezus zei: "Kind, satan is de bedrieger op aarde en de folteraar van zielen in de hel. Vele van de demonische machten
die je hier ziet gaan nu en dan ook naar boven om op aarde te pijnigen, te kwellen en te bedriegen. Ik zal je dingen
laten zien die nog nooit eerder in zulke details gezien werden. Sommige dingen die je ziet, gebeuren heden, terwijl
andere nog moeten gebeuren in de toekomst".
Weer keek ik aandachtig voor me uit. De grond was lichtbruin van kleur, zonder leven, zonder gras of iets groens. Alles
was dood of stervende. Sommige plaatsen waren koud en vochtig, terwijl andere plaatsen heet en droog waren. En altijd
was daar de rottende geur van brandend en halfvergaan vlees vermengd met de stank van bedorven rottende afval en
schimmel. "Satan laat velen in de val lopen en gebruikt een groot aantal valstrikken om Gods volk te bedriegen", zei
Jezus. "Tijdens onze bezoeken aan de hel zal Ik je vele van de listige verraderlijke trucs van de duivel laten
zien".
We hadden nog maar enkele meters gelopen toen ik een duister, zwart voorwerp onheilspellend voor ons
zag opdoemen. Het scheen op en neer te bewegen, samen te trekken en op te zwellen. En iedere keer dat
het bewoog kwam er een verschrikkelijke stank uit - een stank nog erger dan de gebruikelijke kwalijk
riekende geuren die de ruimten van de hel vulden. Ik zal zo goed als ik kan, proberen uit te leggen wat
ik zag. Terwijl het grote, hangende, zwarte voorwerp doorging met zich samen te trekken en uit te zetten
en weerzinwekkende geuren uit te ademen, zag ik iets dat op hoorns leek, donker in kleur, die uit het
voorwerp kwamen en die omhoog gingen, de aarde in. Ik realiseerde mij dat het een groot, zwart hart was,
en dat er vele toegangen waren. Een vreselijk voorgevoel kwam over mij.
Jezus kende mijn gedachten en zei: "Vrees niet. Dit is het hart van de hel. Later zullen wij er doorheen gaan, maar nu
moeten wij het celblok van de hel binnengaan". Het celblok van de hel was in een cirkel in de buik van de hel. Het
celblok was 27.350 meter hoog. Toen ik omhoog keek zag ik dat er een bruine wijde greppel was tussen de cellen en de
bodem of buik van de hel. Het scheen mij toe dat de greppel bijna 2 meter diep was, en ik vroeg mij af hoe ik daar
overheen zou komen. Ik had het maar net gedacht of we waren reeds op de strook grond naast de eerste rij cellen. Die
strook was bedoeld als een wandelweg rondom de cellen en ook als een uitkijkpost vanwaar men het hele centrum van de
hel kon overzien.
Jezus zei: "Deze dingen zijn getrouw en waarachtig. De dood en de hel zullen op een dag in de poel van
vuur geworpen worden. Tot die dag heeft de hel hier de zeggenschap. Deze cellen zullen hier blijven,
volgepakt met zondige zielen, die lijden en gefolterd worden. "Ik gaf Mijn leven, zodat u niet naar de
hel hoeft te gaan. Ik wist dat deze verschrikkingen werkelijk bestonden, maar de genade van Mijn Vader
is even werkelijk. Als u het Hem toestaat zal Hij u vergeven. Roep Hem vandaag aan in Mijn naam".
Jezus en ik stonden naast de eerste rij cellen, op een gangpad dat ruim een meter breed was. Ik keek omhoog en zover
als ik kon zien waren er allemaal van die gangpaden in een grote cirkel rondom iets dat op een reusachtige put leek.
Naast het gangpad waren cellen die ingegraven waren in de aarde. Zoals gevangeniscellen, stonden deze cellen alle in
een rij, en werden door niet meer dan een halve meter grond gescheiden. Jezus zei: "Dit celblok is 27.350 meter hoog,
beginnend op de bodem van de hel. Hier, in deze cellen, zijn vele zielen die aan hekserij of occultisme deden. Sommigen
waren tovenaars, mediums, drugventers, deden aan afgoderij of waren goddelozen die een 'gedienstige geest' hadden. Dit
zijn de zielen die de grootste gruwelen tegen God bewerkten - velen van hen zijn hier honderden jaren geweest. Dit zijn
degenen die geen berouw wilden tonen, en vooral zij, die de mensen bedrogen en ze meesleepten, weg van God. Deze zielen
hebben vele boze daden tegen de Here en Zijn volk gedaan. Zij hadden een hartstocht voor het kwade en hadden de zonde
lief".
Terwijl ik de Here op de ronding van de richel volgde, keek ik naar beneden naar het centrum van de hel, waar de
grootste bedrijvigheid was. Een zwak licht vulde het centrum, en ik kon vele vormen zien bewegen. Er waren cellen zover
ik kon kijken. Ik dacht bij mezelf dat de martelingen in de cellen toch zeker niet verschrikkelijker konden zijn dan
die in de putten. Overal om ons heen hoorde ik het vreselijke huilen en klagen en gillen van verdoemden in de cellen.
Ik begon mij erg ziek te voelen. Groot verdriet vulde mijn hart.
Jezus zei: "Ik laat je nu pas deze kreten horen, kind. Want Ik wil je nu tonen hoe satan komt om te
stelen, te doden en te vernietigen. Hier in de hel zijn verschillende folteringen voor verschillende
zielen. Satan dient deze folteringen toe tot de dag van het oordeel, tot de dood en de hel in de poel
van vuur geworpen worden. Er gaat ook nu en dan een stroom van vuur door de hel heen". Terwijl wij op
het gangpad liepen werden de geluiden sterker. Gierend gehuil kwam vanuit de cellen. Ik liep
dicht naast Jezus toen Hij stilstond voor de
derde cel. Een helder licht verlichtte de cel van binnen. In de cel was een oude vrouw die in een schommelstoel
zat, schommelend en schreiend alsof haar hart zou breken. Ik weet niet waarom, maar ik was geschokt toen
ik zag dat deze vrouw een echt persoon was met een lichaam. De cel was volkomen kaal en leeg uitgezonderd
de vrouw in de schommelstoel. De wanden van de cel waren gemaakt van lichte klei en slijk, en waren in
de aarde gezet. De hekopening overspande de hele voorkant van de cel en was gemaakt van zwart metaal
met metalen tralies en er zat een slot op. Aangezien de tralies ver uit elkaar stonden hadden Jezus en
ik een bijna onbeperkt overzicht van de cel. De huid van de oude vrouw was askleurig vlees vermengd met
een grijsachtige tint. Zij schommelde op en neer. Terwijl zij schommelde rolden de tranen langs haar
wangen. Ik wist door de gekwelde uitdrukking op haar gezicht dat zij ontzettend veel pijn had en leed
door een ongeziene foltering. Ik vroeg mij af waarvan zij beschuldigd was, dat zij hier gevangen zat.
Opeens, vlak voor mijn ogen begon de vrouw van vorm te veranderen: eerst veranderde zij in een zeer oude
man, toen in een jonge vrouw, toen in een vrouw van middelbare leeftijd en toen werd zij weer de oude
vrouw die ik eerst had gezien. Geschokt keek ik toe terwijl zij de ene na de andere verandering onderging.
Toen zij Jezus zag riep zij: "Heer, ontferm U over mij. Verlos mij uit deze plaats van martelingen".
Zij leunde vooruit in haar stoel en strekte haar handen uit naar Jezus, maar zij kon Hem niet aanraken.
Zij bleef aanhoudend veranderen, zodat zij gekleed was als een man, daarna als een jong meisje, vervolgens
als een vrouw van middelbare leeftijd en ten slotte weer als een oude vrouw. Al deze gedaanteveranderingen
schenen niet meer dan een paar minuten te duren. Ik vroeg Jezus: "Waarom, Here?" De vrouw gilde weer:
"O Heer, laat me eruit, voor ze terugkomen". Zij stond nu voorin de cel, en greep krampachtig met gebalde
vuisten de tralies vast. Zij zei: "Ik weet dat Uw liefde echt is. Ik weet dat Uw liefde waar is. Verlos
mij hieruit!" Dan als de vrouw gilde in grote angst zag ik dat iets onzichtbaars bezig was het vlees
van haar lichaam af te scheuren. "Zij is niet wat zij schijnt te zijn", zei de Heer.
De vrouw zat weer in de stoel en begon te schommelen. Maar nu zat er niets dan een skalet in de schommelstoel - een
skalet met een vuile mist van binnen. Waar dat geklede lichaam van enkele minuten geleden was, waren nu slechts
zwartgeblakerde en verbrande botten en lege oogkassen. De ziel van de vrouw klaagde en huilde tegen Jezus in berouw.
Maar haar huilen was te laat.
"Toen zij op aarde was", zei Jezus: was deze vrouw een heks en aanbad zij satan. Zij bedreef niet alleen tovenarij,
maar zij onderwees anderen in de toverkunst. Vanaf de tijd dat zij een kind was beoefende haar familie de zwarte kunst.
Zij hadden de duisternis meer lief dan het licht. "Vele keren", zei de Here: "riep Ik haar tot bekering. Zij spotte met
Mij en zei: "Ik vind het fijn om satan te dienen. Ik zal hem blijven dienen". "Zij verwierp de waarheid en wilde zich
niet bekeren van haar boze weg. Zij keerde vele mensen af van de Here, sommigen van hen zijn heden ten dage met haar in
de hel. Als zij berouw had getoond zou Ik haar gered hebben en velen van haar familie, maar zij wilde niet luisteren".
"Satan bedroog haar, want hij vertelde haar dat zij haar eigen koninkrijk zou ontvangen als loon voor haar dienst aan
hem. Zij geloofde hem. Hij zei tegen haar dat zij nimmer hoefde te sterven, maar voor eeuwig met hem zou mogen leven.
Zij stierf, satan prijzende. Toen zij hier kwam vroeg zij hem om haar koninkrijk. Satan, de vader der leugens, lachte
haar uit en zei: "Denk je nu werkelijk dat ik mijn koninkrijk met jou zou delen? Dit is jouw koninkrijk". Hij sloot
haar op in deze cel en martelt haar nu dag en nacht".
"Op aarde onderwees deze vrouw vele heksen, witte en zwarte heksen, in de toverkunst. Eén van haar
magische trucs was te veranderen van jonge vrouw tot een oude vrouw van middelbare leeftijd, tot een
oude vrouw en zelfs tot een oude man. In die dagen had zij plezier in die kunstjes, en joeg er graag
de gewone heksen schrik mee aan. Maar nu lijdt zij de pijnen van de hel, en haar vlees wordt met iedere
verandering van haar weggescheurd. Zij kan het nu niet beheersen en blijft van de ene vorm naar de andere
veranderen, maar haar werkelijke vorm is de mistige ziel binnenin haar geraamte. Satan gebruikt haar
voor zijn boze doeleinden en beschimpt en bespot haar. Dikwijls wordt zij voor satan gebracht om voor
zijn plezier gefolterd te worden".
"Ik riep haar velen malen, en Ik zou haar gered hebben. Maar zij wilde Mij niet. Nu smeekt en pleit zij om vergeving,
maar het is te laat. Nu is zij verloren zonder hoop". Ik keek naar deze vrouw die voor altijd verloren was in lijden en
pijn, en hoewel zij een slechte vrouw was, brak mijn hart van medelijden. "Heer, hoe ontzettend!" zei ik in tranen. En
toen, alsof Jezus en ik er niet eens waren, kwam er een vuile, bruine demon met gebroken vleugels, ongeveer de grootte
en de vorm van een grote beer, naar de deur van haar cel en opende die met een sleutel. Hij brulde tegen haar, alsof
hij haar schrik aan wilde jagen. De vrouw gilde, in wanhopige angst, toen hij haar begon aan te vallen en haar uit haar
cel trok. Jezus zei: "Deze demon foltert haar vaak". Ik zag hoe zij uit de cel gesleept en meegenomen werd. "Lieve
Heer", vroeg ik: "Is er niets wat wij kunnen doen?" Ik had zoveel medelijden met haar. "Het is te laat!" antwoordde
Jezus: "Het is te laat".
Ik begreep waarom de mensen in deze cellen in de buik van de hel verschillend waren van degenen die ergens anders
gekweld werden. Maar er was veel dat ik niet begreep. Ik luisterde eenvoudig naar Jezus en schreef alles wat ik hoorde
en zag op voor de glorie van God. Zo ver als het oog reikte stonden de cellen in een eindeloze cirkel. In elke cel zat
één ziel. Geklaag, gejammer, gezucht en gekerm kwam uit de cellen als wij erlangs liepen.
We hadden nog niet ver gelopen toen Jezus weer voor een cel stopte. Toen wij naar binnen keken, ging er een licht
schijnen (Jezus maakte het licht). Ik keek naar de ziel waarvan ik wist dat die in grote kwelling was. Het was weer een
vrouw en zij had een blauwgrijze kleur. Haar vlees was dood en de delen die vergaan waren vielen van haar botten af.
Haar beenderen waren alle verbrand tot een diepzwart, en er hingen hier en daar nog wat voddige stukjes kleren. Wormen
kropen uit haar vlees en beenderen. Een afstotende geur vulde de cel. Net als de vorige vrouw was ook zij gezeten in
een schommelstoel. Zij hield een lappenpop in haar armen. Terwijl zij schommelde schreide zij en hield de lappenpop
tegen zich aan. Haar lichaam schokte van de diepe snikken, en jammerklachten kwamen uit de cel.
Jezus zei tegen mij: "Zij was ook een dienares van satan. Zij verkocht haar ziel aan hem, zij beoefende elk soort van
kwaad. Toverij is reëel", zei Jezus. "Deze vrouw leerde en bracht in praktijk hekserij en toverij. Zij keerde
velen naar het pad van de zonde. Dezen, die hekserij onderwezen, kregen speciale aandacht en meer macht van satan dan
zij die hekserij alleen maar in praktijk brachten. Zij was een waarzegster, een voorspelster en een medium voor haar
meester. "Zij genoot grote gunst van satan, vanwege al het kwaad dat zij bedreef. Zij wist hoe de machten der
duisternis te gebruiken voor haarzelf en voor satan. Zij ging naar diensten waar men satan aanbad en prees satan. Zij
was voor hem een vrouw met veel macht".
Ik vroeg me af hoeveel zielen zij voor satan had misleid. Ik keek ernaar hoe dit knokige omhulsel van een ziel schreide
over een lappenpop: niets dan een vuil stuk goed. Mijn hart deed pijn en tranen vulden mijn ogen. Zij hield de
lappenpop stijf vast, alsof die haar kon helpen, of misschien alsof zij de pop kon helpen. Een dodengeur vulde de
plaats.
Toen zag ik dat zij begon te veranderen, zoals die andere vrouw. Zij was eerst een oude vrouw in de
jaren 1930, en toen een jonge moderne vrouw. Keer op keer maakte zij deze fantastische transformatie,
vlak voor onze ogen. Jezus zei: "Deze vrouw stond gelijk met een prediker, maar dan voor satan. Evenals
het ware
Evangelie
wordt gepredikt door een echte predikant, zo heeft satan zijn vals predikanten. Deze vrouw heeft de sterkste
soort van satanische macht, een macht die zij pas ontving toen zij haar ziel aan satan verkocht. Satans
boze gaven zijn tegengesteld aan de geestelijke gaven die Jezus schenkt aan gelovigen. Dit is de macht
der duisternis. "Deze medewerkers van satan werken in het occulte, in de winkels die toverboeken en tovergerei
verkopen, als handlezers, en op vele andere manieren. Een medium van satan is een machtige satanische
werker. Deze personen zijn tot het uiterste misleid en geheel eigendom van satan. Sommige werkers der
duisternis kunnen zelfs niet tegen satan spreken tenzij hun medium voor hen spreekt. Zij offeren mensen
en dieren aan de duivel. "Vele mensen geven hun ziel aan satan. Zij kiezen ervoor hem te dienen in plaats
van Mij. Hun keus is de dood, tenzij zij zich bekeren van hun zonden en Mij aanroepen. Ik ben getrouw
en zal ze redden van hun zonden. Velen verkopen hun ziel aan satan denkende dat zij dan voor altijd zullen
leven. Maar zij zullen een vreselijke dood sterven.
"Satan denkt nog altijd dat hij God kan verslaan en Gods plan kan verijdelen, maar hij was verslagen
aan het kruis. Ik nam de sleutels van satan af, en Ik heb alle macht in hemel en op aarde. "Toen deze
vrouw stierf ging zij regelrecht naar de hel. De demonen brachten haar voor satan, en daar vroeg zij
kwaad waarom de demonen haar overheersten, want op aarde, dacht zij, heerste zij over hen. Zij hadden
haar bevelen uitgevoerd. Zij vroeg satan ook om het koninkrijk dat hij haar beloofd had. "Satan bleef
tegen haar liegen, zelfs na haar dood op aarde. Hij zei dat hij haar weer levend zou maken en haar zou
gebruiken voor zijn doeleinden. Door misleiding had zij vele zielen tot hem gebracht, dus leken zijn
leugens haar redelijk. "Maar tenslotte lachte satan haar uit en hoonde haar. Hij zei: "Ik heb je bedrogen
en je al die jaren gebruikt. Ik zal jou nooit mijn koninkrijk schenken". "De duivel bewoog zijn armen
in haar richting, en het scheen dat haar vlees van haar botten werd gescheurd. Zij gilde van de pijn,
terwijl men satan een groot zwart boek bracht. Hij opende het en ging met zijn vinger langs de bladzijden
tot hij haar naam vond. "O ja", zei satan. "je hebt mij goed gediend op aarde. Je bracht mij meer dan
500 zielen". Hij loog toen hij vervolgde: "Je straf zal niet zo zwaar zijn als die van de anderen". Er
kwam een kakelend boosaardig gelach uit hem. Hij stond op en wees met zijn vinger naar de vrouw; een
machtige wind rees op en vulde de plaats. Hij bracht een geluid voort dat klonk als een brullende donder.
"Ha-ha", lachte de duivel: "probeer je koninkrijk maar te krijgen als je kan". Toen sloeg een onzichtbare
kracht haar tegen de grond. "Je gaat mij hier ook dienen", lachte satan, toen zij trachtte op te staan.
De vrouw gilde van de pijn terwijl het vlees van haar beenderen werd afgestroopt door de demonen.
"Zij werd weer naar deze kooi gesleept. Zij herinnerde zich satans beloften. Hij had haar verteld dat
zij alle macht zou hebben. Hij zei dat zij nimmer behoefte te sterven. Hij vertelde haar dat hij macht
had over leven en dood, en zij geloofde hem. Haar werd verteld dat satan alles kon tegenhouden waardoor
zij gedood kon worden. Satan vertelde haar vele leugens en beloofde haar vele dingen".
Jezus zei: "Ik ben gekomen om alle mensen te redden. Mijn verlangen is dat allen die nog verloren zijn berouw zullen
hebben en Mijn naam zullen aanroepen. Het is niet Mijn wil dat iemand verloren zal gaan, maar dat zij het eeuwige leven
zullen hebben. Het is droevig te moeten zeggen dat de meesten zich niet van hun zonden willen bekeren voordat zij
sterven, en zij zullen naar de hel gaan. Maar de weg naar de hemel is dezelfde voor alle mensen. Men moet
wederomgeboren worden om het Koninkrijk van God binnen te gaan. Men moet tot de Vader komen in Mijn naam en zich van
zijn zonden bekeren. Men moet in oprechtheid zijn hart aan God geven en Hem dienen". "Kind", vervolgde Jezus, "het
volgende dat Ik je zal openbaren is nog verschrikkelijker. Ik weet dat het je zal bedroeven. Ik wil echter dat de
wereld zal horen en weten wat de Geest tot de gemeenten zegt".
"In deze cellen, zo ver als je kunt zien, worden zielen gefolterd. Iedere keer dat de cellen vol zijn vergroot de hel
zich om meer zielen binnen te krijgen. Je bezit al je zintuigen in de hel. En als je op aarde blind was, dan zul je in
de hel blind zijn. Als je slechts één arm had op aarde, zul je ook in de hel maar één arm hebben".
Ik moet u zeggen dat u zich moet bekeren, want de hel is een vreselijke plaats, een angstaanjagende plaats, een plaats
van grote droefheid en eeuwigdurende wroeging. Alstublieft, ik smeek u te geloven wat ik zeg, want het is de waarheid.
Dit alles was zo moeilijk voor mij, dat ik vele keren ziek was tijdens de bereiding van dit verslag. Ik zag dingen in
de hel die te verschrikkelijk zijn om over te spreken - zelfs ontzettender dan het gekerm bij het folteren, de stank
van rottend vlees, de angstwekkende helse vlammen, en de diepe putten. Ik zag ook de dingen die God niet wilde dat ik
opschreef.
Als u sterft op aarde wanneer u wedergeboren bent door de Geest van God, gaat uw ziel direct naar de
hemel. Als u een zondaar bent wanneer u sterft, gaat u onmiddellijk naar een brandende hel. Demonen met
grote ketenen zullen uw ziel door de poorten der hel heen slepen. Daar zult u in een put geworpen en
gemarteld worden. Mettertijd zult u voor satan gebracht worden. U weet en voelt alle dingen die u in
de hel overkomen.
Jezus vertelde mij dat er een plaats in de hel is die het 'pretpark' genoemd wordt. Zielen die gevangen zitten in de
putten kunnen daar niet heengebracht worden. Hij vertelde mij ook dat, hoewel de folteringen verschillend zijn voor
verschillende zielen, zij wel allen in het vuur branden. Het pretpark heeft de vorm van een circustheater. Verscheidene
mensen die als vermaak moeten dienen worden naar de centrale 'ring' van het pretpark gebracht. Dit zijn mensen die op
aarde satan bewust gediend hebben. Zij zijn diegenen die uit eigen vrije wil ervoor kozen om satan te volgen in plaats
van God. Rondom de arena zijn de andere zielen, behalve de zielen in de zwavelputten. Degenen in de centrale ring van
de arena waren leiders in de occulte wereld voor hun dood. Zij waren mediums, waarzeggers, tovenaars, gedachtenlezers,
heksen - al diegenen die bewust de keus maakten om satan te dienen. Toen zij op aarde leefden, misleidden zij velen en
waren er de oorzaak van dat dezen zondigden en satan volgden. De mensen die door hen misleid en door hen tot zonde
gebracht werden, kwamen om hun bedriegers te martelen. Het werd hun hoofd voor hoofd toegestaan om ze te martelen.
Eén van die martelingen was dat de geestelijke botten uit elkaar gebroken werden en in verschillende delen van de
hel werden begraven. De ziel werd letterlijk uiteen gescheurd en de delen over de hel verstrooid in een soort
demonische folterjacht. De verminkte zielen voelden onuitsprekelijke pijn. Zij, die buiten de arena zaten, mochten
stenen gooien naar de zielen in de ring. Iedere denkbare methode van foltering werd toegestaan. De zielen die gemarteld
werden gilden om de dood, maar dat is de eeuwige dood. Satan gaf de bevelen voor dit alles. Het is zijn pretpark.
Jezus zei: "Vele jaren geleden nam Ik satan de sleutels der hel af. Ik kwam en opende deze cellen en liet Mijn volk
eruit. Want in de tijd van het Oude Testament, voordat Ik feitelijk Mijn leven op het kruis gaf, was het paradijs vlak
naast de hel. Deze cellen waren eens in het paradijs. Nu gebruikt satan ze voor zijn kwade doeleinden en heeft er meer
bijgemaakt".
"O lezer, wilt u zich niet bekeren van uw zonden voordat het voor eeuwig te laat is? Want allen zullen in het oordeel
voor Mij komen te staan. Toen Ik stierf en herrees door de macht van God, Mijn Vader, werd het paradijs van zijn
positie bij de hel verplaatst naar een ander deel van het heelal". Nogmaals wil ik u zeggen dat deze cellen, die 27 1/2
km hoog rijzen, dienen als een gevangenis voor hen die eens satans medewerkers der duisternis waren, zij, die deelnamen
aan elke soort van zonde die met demonische geesten, het occulte en duivelaanbidding te doen had.
Jezus zei: "Kom, Ik wil je iets laten zien". Opeens zaten we ongeveer 300 meter hoog in het centrum
van de buik van de hel, midden tussen het 27 1/2 km hoge blok cellen. Vanwege de duisternis voelde ik
me alsof ik in een put was waar boven noch beneden een eind aan kwam. Een geel licht begon de plaats
te vullen. Ik hield Jezus' hand stijf vast. "Lieve Heer", vroeg ik: "waarom zijn we hier?" Plotseling
kwam er een wind met de kracht van een orkaan en een machtig ruisend geluid. Grote golven vuur begonnen
langs de buitenwanden van de cellen omhoog te schieten, en zetten alles wat ze tegenkwamen in vlammen.
De vlammen bereikten het
binnenste van iedere cel en veroorzaakten
meelijwekkende kreten van pijn en ellende. Hoewel de vlammen Jezus en mij niet bereikten, rees angst
omhoog in mij toen ik de zielen van de verlorenen naar de achterkant van de kleine cellen zag rennen,
trachtend een schuilplaats te vinden. Een kwaad geluid begon links van ons omhoog te rijzen. Ik keek,
en daar stond satan met zijn rug naar ons toe en hij stond geheel in brand. Hij verbrandde echter niet,
integendeel, hij veroorzaakte het vuur. Hij stond gehuld in vlammen, genietend van het gegil van deze
arme, verloren zielen. Als satan zijn armen bewoog, schoten er grote ballen vuur uit hem.
Hartbrekend gegil en ontzettende kreten van pijn kwamen uit de cellen. De zielen daarbinnen werden levend verbrand door
deze heter dan hete poel van vuur, en toch konden zij niet doodgaan. De demonen lachten met satan mee als hij van cel
naar cel ging om de verlorenen te folteren. Jezus zei: "satan leeft van het kwade. Hij verheugt zich in pijn en lijden
en wint erdoor aan macht".
Ik keek naar satan terwijl een roodgele vlam met bruine randen geheel om hem heen in sterkte toenam. Een wilde,
stormachtige wind blies in zijn kleding die niet verbrandde. De geur van brandend vlees vulde de ruimte en ik
realiseerde mij opnieuw dat de verschrikkingen van de hel reëel zijn. Satan wandelde door de vlammen en zij konden
hem niet verbranden. Hoewel ik alleen zijn rug zag kon ik zijn kwaadaardig gelach overal horen.
Ik keek toe toen satan opvoer in een wolk van rook, de stroom van vuur met zich meenemend naar het bovenste deel van de
buik van de hel. Ik luisterde toen hij zich omkeerde en in een luide stem verkondigde dat, tenzij al deze zielen hem
aanbaden, hij ze een beurt in de pretcirkel zou geven. "Nee, alstublieft satan, wij zullen u aanbidden", riepen ze
allemaal tegelijk en zij begonnen met z'n allen in aanbidding voor satan te buigen. En hoe meer zij aanbaden, hoe
groter zijn honger naar verering werd. Luider en luider klonk het eentonige geluid van het prijzen totdat de daksparren
van de hel weergalmden van het lawaai.
Jezus zei: "Al deze mensen die de cellen van de hel bewonen, hebben het ware Evangelie gehoord terwijl
zij leefden op aarde. Vele keren werd Mijn redding hen aangeboden. Vele malen sprak Mijn Geest tot
hun hart, maar zij wilden niet luisteren of tot Mij komen om gered te worden". Terwijl Jezus sprak,
zei satan tegen zijn onderdanen: "Ha, ha, dit is jullie koninkrijk - alles wat je ooit als koninkrijk
zult krijgen. Mijn koninkrijk bedekt de hele aarde en de wereld daaronder". Ik hoorde hem schreeuwen:
"Dit is voor eeuwig jullie bestaan!" Kreten van spijt kwamen uit de brandende cellen.
Jezus zei: "Mijn verlossing is vrij. Wie ook maar wil mag komen om gered te worden van deze plaats van eeuwige straf.
Ik zal hem niet afwijzen. Als u bij een heks of waarzegger geweest bent, zelfs al hebt u een verbond met de duivel
gesloten, Mijn macht zal het verbreken, en Mijn vergoten bloed zal u redden. Ik zal de kwade vloek op uw leven van u
wegnemen en u van de hel verlossen. Geef Mij uw hart opdat Ik uw ketenen zal losmaken en u zal bevrijden".
's Nachts ging ik met Jezus naar de hel. Gedurende de dag had ik de hel altijd voor ogen. Ik probeerde anderen te
vertellen over wat ik zag, maar zij wilden mij niet geloven. Ik voelde me heel erg alleen, en kon alleen doorgaan
vanwege de genade van God. Alle glorie komt de Here Jezus Christus toe. De volgende nacht gingen Jezus en ik terug naar
de hel. Ik herkende delen ervan, omdat ik daar eerder geweest was. Hetzelfde rottende vlees, dezelfde geur van het
kwade, dezelfde muffe, hete lucht was overal. Ik was reeds erg vermoeid. Jezus kende mijn gedachten en zei: "Ik zal je
nimmer begeven of verlaten. Ik weet dat je afgemat bent, maar Ik zal je sterken". Jezus' aanraking sterkte mij en wij
liepen verder. Voor mij zag ik een groot zwart voorwerp, bijna zo groot als een baseball-veld; het scheen op en neer te
bewegen. Ik herinnerde mij dat mij was verteld dat dit 'het hart van de hel' was.
Uit dit zwarte hart kwamen dingen die eruit zagen als grote takken of horens, Zij kwamen uit het hart en gingen omhoog
en uit de hel in en over de aarde. Ik vroeg mij af of dit de horens waren waarover de Bijbel sprak.
Overal rondom het hart was de aarde droog en bruin. De aarde was verbrand en was opgedroogd tot een roestbruine kleur,
ongeveer 270 meter in alle richtingen. Het hart was zwarter dan zwart, maar een andere kleur was ermee vermengd, zoals
die van schubben van een slangenhuid. Elke keer dat het klopte, gaf het hart een afschuwelijke stank af. Het bewoog
zich als een echt hart en klopte op en neer. Het was omgeven door e